211. Een Raar Ding, Religie

Ja, is toch zo? Religie is een rariteit van jewelste. Natuurlijk, ik ben bevooroordeeld, mijn beeldvorming is niet objectief, als het dat ooit al was, en het is in de loop der jaren door mijn betrokkenheid met dierenwelzijn alleen maar erger geworden. Ik roep in herinnering de gebeurtenissen rond het door de Partij van de Dieren ingebrachte wetsvoorstel om onverdoofd slachten te verbieden. Het voorstel kreeg steun van een meerderheid in het parlement, waarop fundamentalistische religieuze groeperingen op de barricaden gingen, ach en wee jammerend dat hun tradities zouden verdwijnen, onverdoofd slachten wordt immers door koran en thora voorgeschreven, en kamerleden werd verweten dat ze zich beter konden inleven in een kip dan in een gelovige.

Enfin, het wetsvoorstel heeft het toen in de Eerste Kamer niet gehaald, vrijheid van godsdienst, hoe obscuur, irrationeel en onverdedigbaar ook, bleek in onze (seculiere!) samenleving belangrijker dan dierenwelzijn. Maar ik heb goede hoop dat het wetsvoorstel op een dag wél zal worden aangenomen. Immers, zoals ik destijds in dit blog vurig bepleitte, het is uiteindelijk een kwestie van beschaving.

Religie een raar ding? Reken maar. Want het spot met elke vorm van logisch denken, miljarden mensen over de hele wereld geloven in dingen die aantoonbaar ongeloofwaardig zijn, want onbewezen. Om even bij het christendom te blijven: de bijbel zelf is de eerste om dat toe te geven: Het geloof nu is de vaste grond van de dingen die men hoopt, en het bewijs van de dingen die men niet ziet (Brief aan de Hebreeën 11:1). Het bewijs (!) van iets dat je niet kunt zien… religieus obscurantisme in z’n zuiverste vorm. Het is natuurlijk tragisch hoe iets dat in aanleg een oprechte zoektocht naar waarheid geweest moet zijn verwordt tot een geritualiseerd, hiërarchisch en bovenal vreugdeloos instituut. Als de opstandige timmermanszoon uit Nazareth zou zien wat die roomse papen en bedompte protestanten er een levensvijandige cultus van gemaakt hebben, en de Nepalese prins Siddhartha zou hier in Thailand zien wat van zijn boodschap is overgebleven (volg geen leider! wees je eigen licht!), wat een deceptie zou dat voor ze zijn.

Maar wat nu als mensen in rust hun religie willen beleven zolang ze daar anderen niet mee lastig vallen? Prima! Achter je eigen voordeur mag je doen wat je wilt, en als we als kinderen in sprookjes geloofden, waarom dan niet als volwassenen? Maar ook in de openbare ruimte kan religieuze uiting acceptabel zijn. Je kunt er van genieten (denk aan de romaanse kerken in Frankrijk, die heerlijk stevige bolle kerkjes die op wat harde stoeltjes na zo goed als leeg zijn, hier en daar hoogstens een afbrokkelende Maria of een St. Jacob, door de aanraking van ontelbare pelgrims flink versleten) en je kunt er om gniffelen (maar dan wel achter de vuist, zoals hier in Thailand waar de koning een goddelijke status heeft, één onvertogen woord en ze gooien je in de bak).

In veel gevallen kan je je er in elk geval erover verbazen. Neem dit Thais boeddhistische knutselwerkje. Goedbeschouwd gewoon animisme met een likje goud. Heel goed. Als religie al onzin is, draai er dan niet omheen. Groot rotsblok? Je beweert gewoon dat die of die hier ooit een wonder heeft verricht, húp een pot goudverf er overheen en je hebt weer iets om te knielen en prevelen. Heerlijk.

Trouwens, wat is religie anders dan een samenraapsel van invloeden en tradities? Neem dat boeddhisme, dat zich niet alleen met animistische tradities zoals bosgeesten en voorouderverering vermengde om zieltjes te winnen. Toen het zich in verschillende richtingen over de wereld verspreidde (en in verschillende vormen, want in no time brak een bloedgroepenstrijd uit over wie de ware vorm van het boeddhisme vertegenwoordigde) kon het alleen vaste grond onder de voeten krijgen als het zich met gevestigde religies vermengde. En de slimste manier was om zich bestaande bouwwerken met een paar wijzigingen toe te eigenen. Neem de tempelruïnes die ik hier in Thailand zag, met name die van het ooit zo machtige koninkrijk Sukhothai. Prachtige bouwwerken uit de 12e en 13e eeuw, zoals deze Wat Sri Sawai. Iedereen die iets weet van het hindoeïsme zal zeggen: huh? wat nou, boeddhistisch. En dat klopt, want dit was een hindoeïstisch heiligdom, oorspronkelijk gebouwd tijdens de Khmer overheersing, en de torens zijn prangs, die de drie-eenheid uit het hindoeïsme voorstellen, Brahma, Vishnu en Shiva.

En dan komt de vraag of je, zoveel eeuwen later, religieus moet zijn om dit mooi te vinden. Het antwoord is nee. Want ware architectuur is seculier.

Maar als je de dingen te veel met elkaar vermengt krijg je rariteiten, zoals hier, in de stad Kamphaeng Phet, ooit een grenspost van Sukhothai. Ik zie een monnik in diep gebed verzonken bij een gebouw waar het walmt van de wierook en overal bloemstukken en kaarsen en achter glas, ja, wat is het? Een gouden ding. Een paal. Ja, een gouden paal. Een tweetalig bord legt uit wat we hier zien: Kham Phaeng Phet’s Shrine of the City Pillar is in harmony with security and steadiness, therefore, it is better to make a wish about habitations, occupations, lost things, the beloved etc. Goed voor van alles dus, die paal. Religieus geraaskal van de eerste orde. Later lees ik dat een ‘city pillar’ een eeuwenoude Thaise traditie is, een van oorsprong houten paal op een heuvel midden in de stad om de bescherming van geesten af te roepen. Een bevelhebber van de VOC in deze regio van 1629 tot 1634, Jeremias van Vliet, beschrijft uitvoerig dat mensenoffers gebruikelijk waren, bij voorkeur zwangere vrouwen, die levend onder de paal begraven werden. Een raar ding, religie, ik zei het al.

Eerder deze reis kwam ik langs een tempel waarvan ik niet meteen begreep wat ik zag. Je fietst vaak in gedachten verzonken en je komt langs zóveel tempeltjes en plekken waar geesten offerandes krijgen, dat je er niets eens elke keer nauwkeurig naar kijkt. In dit geval was ik al een stukje verder gereden tot ik dacht: wat zag ik daar nou? Die rode dingen? Zag ik echt wat ik denk dat ik zag? Terug dus. En inderdaad, een hele batterij gigantische houten penissen, in slagorde naast elkaar als kanonnen op een slagveld. Een familie was bezig de boel een beetje op te ruimen, een jonge vader met vrouw en kind, dat geen interesse leek te hebben in de fallische opstelling, het lummelde wat rond bij de auto terwijl de ouders het tempelhuisje schoonmaakten en rommel opruimden.

Maar waaruit bestond die rommel? Vader liep terug naar de auto met een dienblad vol vlees. Grote hompen varkensvlees, ik herkende stukken van de kop, de snuit, een oor. Wie weet hoelang het al in het tempelhuisje gestaan had. Ik wilde weten waarom dat vlees daar lag, wat het te maken had met de penissen, maar zinloos, geen woord Engels, alleen een schuchtere glimlach en door naar de auto. Zou hier onderzoek naar gedaan zijn? Zou iemand weten wat dat vlees daar moest, wat het betekende? Die penissen hadden met vruchtbaarheid te maken, dat was zonneklaar, wat anders, maar dat vlees? Waar in de historie was die vermenging ingetreden, wanneer was het offeren van varkensvlees deel geworden van een vruchtbaarheidsritueel? Een raadsel. In de boom hing nog wel een bordje met de tekening van een penis. Ik liet de foto later aan de vrouw van een guesthouse zien waar ik sliep, vroeg haar het te vertalen. Een beetje besmuikt deed ze het. Driehonderd Thai baht voor een houten piemel. Zeven euro. Zou misschien een geestig souvenir geweest zijn, maar toen bij dat tempeltje was er, nadat de familie was weggereden, niemand, dus bij wie dat dan gekocht kon worden? In het tempelhuisje had ik wel verse bloemen zien liggen. En een schaal vers vlees.

Misschien is de aardigste vorm van religie nog wel de aanbidding van bomen. De boom speelt in het christendom voor zover ik weet alleen een rol in het oude testament, de boom van goed en kwaad. Heb je het gelazer weer, kan het niet gewoon lief zijn? De boom als metafoor voor het leven, groeien, elk jaar nieuw blad, tot je afsterft en verdwijnt. In het hindoeïsme en het boeddhisme weten ze er wel weg mee, met die boomverering. Kleurrijk, liefdevol, en volstrekt ongevaarlijk. Ik heb het altijd prachtig gevonden, die religieuze uiting. Versierde bomen, waar je ook komt, dood én levend. Ook tijdens deze reis, op de gekste plaatsen kwam ik ze tegen, lag er een knots van een dode boom onder een afdakje, versierd met kleurige slingers. Nooit zag ik iemand om het te vragen en ik vrees dat, zelfs als we dezelfde taal zouden spreken, ik de uitleg niet zou begrijpen. Hoeft ook niet. Gewoon fietsen langs rivieren over smalle paden en door kleine dorpjes en dan weer zo’n boom, zo’n schitterende boom, ingepakt in een fleurig jurkje. Die vorm van religie, ja, daar kan ik vrede mee hebben. Moesten we thuis ook maar eens doen.

210. Aanwijssoep

Om te beginnen: die nieuwe koning. Je merkt het meteen als je voet op Thaise bodem zet. Waar vroeger echt óveral afbeeldingen van koning Bhumibol hingen, hangt nu niets, of een statieportret van de nieuwe koning: een nors kijkende zestiger met flaporen. Had de vorige koning trouwens ook, op hun uiterlijk moet je de Thaise royalty niet beoordelen. Volgt meteen de hamvraag: waarop dan wel? Bhumibol werd door de Thai aanbeden als een halfgod, was monogaam, en leidde het land door menige regeringscrisis en militaire coup. Dat hij gedurende zijn 60-plus jaren durende koningsschap een vermogen vergaarde van naar schatting 30 miljard euro doet niet ter zake. Bhumibol’s populariteit was onaantastbaar.

Maar de nieuwe koning? Voor hem is het alle dagen feest, want hij heeft zich, zoals het echte royalty betaamt, nooit zorgen hoeven maken over de centen. Als een ware Dagobert Duck wentelt hij zich in puissante rijkdom en weet van gekkigheid niet wat te doen. Is drie keer gescheiden, heeft een trits al dan niet buitenechtelijke kinderen en woont momenteel samen met een 30 jaar jongere Thaise stewardess, bij voorkeur in zijn suite in het Kempinski Hotel in München, eigendom van het vastgoedbedrijf van de koninklijke familie. Binnenkort zal hij verhuizen, want onlangs kocht hij voor twaalf miljoen euro een villa aan de Starnberger See, bij München. Heeft twee privé vliegtuigen, merk Boeing 737, en had een poedel met de titel veldmaarschalk die tijdens een staatsdiner aan tafel zat, gekleed in gala-uniform. En hoe de Thaise regering ook geprobeerd heeft de beelden uit de pers te houden, Duitse fotografen legden vast hoe de, toen nog, kroonprins in 2016 op het vliegveld van München arriveerde, poedel op de arm, half naakt, volgeplakt met imitatie-tatoeages. Kijk mij eens schijt hebben aan alles, moet hij gedacht hebben. Fijn, zo’n nieuwe koning. Nee, het zal een tijdje duren tot deze rare snuiter door het volk op handen wordt gedragen, zoals ooit zijn vader.

Voor wie het niet weet: ik ben er weer even tussenuit geknepen, even weg uit de Nederlandse winterprut, paar weken fietsen in centraal Thailand. Eerst dagenlang langs de Mekong, met aan de overkant Laos, dan zuidwaarts, langs historische plaatsen als Sukhothai en Ayutthaya en dan Bangkok. Maar eerst, het is warempel bijna traditie aan het worden, de fiets repareren. Dit keer geen beschadiging door het transport, zoals eerder, waarbij de derailleur krom was, of een kapotte stermoer (een soort klemmetje in je vorkbuis om je balhoofdlagers vast te zetten, onmisbaar!), maar een ordinaire klapband. Althans: bijna. De achterband, een onverslijtbare Schwalbe Marathon XR waarvan gezegd wordt dat ze 15.000 km meekunnen, heeft na zo’n 7.500 de geest gegeven. Had na aankomst de fiets gemonteerd en voelde tijdens een proefritje een rare, ritmische bobbel. Afstappen, band controleren, en ja hoor, opengescheurd, de binnenband puilde naar buiten als een hernia. En de volgende ochtend zou ik op pad, mijn eerste dagetappe rijden. Wat als dit dan was gebeurd? Geen fietsenmaker te bekennen in de dorpjes, en als die er al was, had hij geen 26-inch buitenband gehad. Maar de fietsenmaker in Udon Thani heeft die afwijkende wielmaat wel. Geen Schwalbe, maar wel een Chinees merk. Goed voor hoeveel kilometer? Hij lacht, haalt zijn schouders op, weet hij veel. Maar Bangkok haal je er echt wel mee. Beloofd? Beloofd.

Dingen die je meemaakt. Vooral in het grensgebied met Laos, waar je je steeds bewust bent van de grens, ook al zie je de Mekong vaak niet, verscholen achter begroeiing of soms achter heuvels, de weg volgt niet precies haar stroomgebied. Haar, ja. Is een rivier vrouwelijk of mannelijk? In dit geval is het duidelijk, kijk maar naar haar naam, haar échte naam, Mae Nam Khong, Moeder van het Water. Soms breed, een eindeloze watermassa die gestaag voorbij schuift, soms vertakt en smal genoeg om over te steken, zoals hier, in de vroege ochtend, (als je op de foto klikt zie je het groot op scherm, dat geldt trouwens voor alle foto’s), kijk daar, een Laotiaan heeft boodschappen gedaan in Thailand en zoekt nu voorzichtig zijn weg terug, stap voor stap gaat hij over glibberige stenen en het water trekt aan zijn benen, probeer dan maar eens overeind te blijven. En als hij uitglijdt, wat dan? Zijn eerste reflex? Hand uitsteken om de val te breken. Maar dan is hij meteen zijn kostbare vracht kwijt. Hoe maak je zo snel een beslissing als je je voet voelt wegglijden? Maar het gaat goed, hij bereikt de andere oever, ik zie hem de wal opklauteren, terug naar huis.

De wegen in Thailand zijn goed. Behoorlijk goed. Maar niet altijd, en dan wordt er aan gewerkt. Of niet, dan is het een puinhoop en is het met de fiets moeizaam sleuren door rul zand of, heel soms, gaat het langs een weggeslagen rivieroever, zoals hier, een paar dagen geleden, maar dat is allang niet meer de Mekong, dit is een andere rivier, ze heet Yom en zo te zien heeft ze tijdens de laatste regentijd behoorlijk huisgehouden, hoog moet ze geweest zijn en woest, de hele oever weggevreten en afgekalfd. Of is het van een paar jaar geleden? Hebben ze toen die stokjes in de grond gestoken, een hekje neergezet en dat was het dan, zo kan het voorlopig blijven. Deden de Belgen vroeger ook, was ergens weer het asfalt opengescheurd, zetten ze een bordje neer, pas op, slecht wegdek. Kwam je vier jaar later langs dezelfde plek, nog steeds dat bordje. Stuk goedkoper dan de weg opknappen.

Maar soms wordt er wel degelijk aan de weg gewerkt. Hoewel, nergens wegarbeiders of machines te zien maar wel tien kilometer achterelkaar stof en steenslag en dan een tegenligger, zo’n monster dat voortdendert, vanuit zijn cabine kijkt hij neer op de eenzame fietser, maar wat moet hij, stoppen? Sorry jongen, al dat stof. Welnee, doorkarren. En je houdt je adem in en als de vrachtwagen lang en breed uit zicht is daalt het stof langzaam en je hoopt dat er voorlopig geen volgende komt.

Ik ben nu in Sukhothai, waar in het Historical Park de ruïnes van de eerste hoofdstad van Siam te zien zijn. De stad beleefde haar hoogtepunt van midden 13e tot eind 14e eeuw, daarna verschoof de macht naar de zuidelijker gelegen stad Ayutthaya (waar ik naar op weg ben). De restanten van Sukhothai staan op de werelderfgoedlijst. Schitterend, werkelijk. Ik dwaalde gisteren aan het eind van de middag bij mooi strijklicht tussen de ruïnes, het was adembenemend. Vanochtend ging ik terug om de plek bij ochtendlicht te zien. Veel schoolklassen waren op bezoek, hordes kinderen renden rond, meer oog voor tikkertje dan oude stenen. Hoewel, deze twee meisjes vonden tijd om even een adempauze in te lassen en een diepe buiging te maken voor een van de prachtige boeddha’s.

Ik had dit bericht beter Flarden kunnen noemen, maar het heet Aanwijssoep, zou dus over soep gaan. Aanwijssoep. Wat dat is? Je komt langs een eetstalletje, stapt af, neemt een kijkje in de keuken, wat zit er onder de deksels, en met de eigenaar kom je er wel uit, ook als je de taal niet spreekt. Varkensvlees? Nee dank je. Kip? Nee dank je. Dan aanwijzen wat je wél wilt en drie minuten later staat er een dampende mok soep op tafel. Stevige bouillon met noedels, handenvol groenten en kruiden en hompen van wortelgewassen die ik niet ken maar heerlijk smaken. Soms lukt het niet echt, dat aanwijzen, en je ziet hem denken, wat wíl die kerel nou, en hij maar naar het vlees wijzen, pork, dat woord kent hij dan weer wel. Nee dank. Geef maar wat van dat groene spul, dat daar, gekookt eitje erin, die, ja, en klaar is de aanwijssoep. In de rubriek Eetzicht staan veel voorbeelden van maaltijden die zo tot stand zijn gekomen. Soep, vooral, ja. Omdat dat het makkelijkste is.

Hoewel, andere aanwijsmogelijkheden zijn er ook, en het hoeft niet per se soep te zijn. Ik doe het vaak, op straat, aanwijzen. Veel keus is er sowieso niet. Beetje dit, beetje dat, nee, geen vlees, doe maar wat extra groenten bij de rijst. En wokken maar. Zoals hier in een achterafstraatje in Nong Khai waar een familie een streetfood karretje runt. ’n Paar tafeltjes op de stoep, je eten wordt klaargemaakt waar je bij staat en voor 50 baht (iets meer dan een euro) heb je een bord vol. Maar het mooiste: nooit zag ik iemand zó woest wokken als deze oude dame. Een belevenis! En voor wie nog nooit in Thailand was en geen idee heeft hoe het eten op straat in z’n werk gaat, nou, zo dus.

(Klik op het filmpje hieronder.)

 

 

209. De Films van 2017

Definitie van film kijken: je gemoed uitlenen aan andermans verhaal, een ander leven, en benieuwd zijn hoe je het twee uur later terugkrijgt. Toch hoorde ik iemand onlangs zeggen: liever een boek. Waarom? Een film vertelt wát er gebeurt, een boek vertelt waarom. Kort door de bocht, maar toch, prikkelend. Ik laat het voor wat het is, en blijf beide media onmisbaar vinden. Verhalen wil ik, en verhalen zal ik krijgen, indachtig de Duitse filosoof Peter Sloterdijk, volgens wie we niet kunnen leven zonder verhalen, omdat ze zin geven aan een verder zinloze wereld.

_________________________________________________________________________

A Most Wanted Man (Anton Corbijn 2014).
Zwanenzang van de betreurde Philip Seymour Hoffman. Meer dan verdienstelijke verfilming van een verhaal van John le Carré. Hoffman in de rol van de chef van een Duitse anti-terreureenheid, die in Hamburg is geplaatst na een buiten zijn schuld mislukte missie in Beiroet. Een man die zich verdooft met whisky maar nooit rust, getergd als hij is door het verleden. Wanneer een illegale Tsjetsjeen in Hamburg arriveert laat hij hem volgen om uit te zoeken of hij contact legt met een mogelijke terrorist. Veel bekende ingrediënten (machtsmisbruik, bedrog, dubbele agenda’s), maar verassend origineel gedraaid door Corbijn, die uitgebreid de tijd neemt zijn karakters secuur te schetsen en shots mooi te kadreren en uit te lichten. En opnieuw besef je wat we met de dood van Hoffman zijn kwijtgeraakt.

_________________________________________________________________________

I, Daniel Blake (Ken Loach, 2016).
Een timmerman op leeftijd moet stoppen met werken na een hartaanval en is aangewezen op een uitkering, maar dan blijkt dat het Britse bijstandssysteem het met allerlei Kafkaëske regels de financieel afhankelijken zo lastig mogelijk maakt. Zo wordt de zieke Daniel Blake gedwongen op zoek te gaan naar werk, ofschoon zijn arts waarschuwt dat werken zijn dood kan betekenen. Op een dag ontmoet hij de jonge alleenstaande moeder Katie, die met haar twee kinderen eveneens slachtoffer dreigt te worden van de harteloze uitkeringsmachinerie. Het tweetal sluit vriendschap en probeert zich te handhaven in hun uitzichtloze situatie. Onvergetelijk is een bezoek aan een voedselbank, waarbij de jonge vrouw uit pure honger een blik groenten open trekt, om vervolgens uit pure schaamte in tranen uit te barsten. Dit sociale drama van de ‘regisseur van de man in de straat’, de inmiddels 80-jarige Ken Loach, werd bekroond met de Gouden Palm in Cannes.

_________________________________________________________________________

The Straight Story (David Lynch, 1999).
Als Alvin Straight (Richard Farnsworth) hoort dat zijn broer Lyle (Harry Dean Stanton), met wie hij lang niet gesproken heeft, een beroerte heeft gehad, besluit hij tegen de zin van zijn volwassen, zwakbegaafde dochter Rose (Sissy Spacek) zijn broer op te zoeken in de hoop alles bij te leggen. Omdat hij slecht loopt en zijn ogen het laten afweten mag hij geen auto meer rijden en dus gaat hij op een oude grasmaaier met aanhangwagentje. Wat volgt is een moderne Odyssee, waarin, zoals in elke geslaagde road movie, de emotionele weg die de hoofdrolspeler aflegt belangrijker is dan de fysieke. Onderweg ontmoet hij mensen die hem helpen, die naar hem luisteren en aan wie hij zijn verhalen kwijt kan. Een ontroerende prachtfilm.

_________________________________________________________________________

The Salesman (Ashgar Farhadi, 2016).
The Salesman opent met een actiescène waarin we een echtpaar en hun buren in één lange take hun flatgebouw in paniek zien verlaten omdat het door bouwwerkzaamheden naast de deur dreigt in te storten. Het acteursechtpaar Emad en Rana moet noodgedwongen op zoek naar een nieuwe woning, en een collega van hun toneelgroep weet een appartement voor ze te regelen, maar er is een onduidelijke complicatie met de vorige huurster. Haar spullen staan er nog, maar ze ligt overhoop met de huisbaas en wil ze niet komen ophalen. Zo stappen Emad en Rana ongewild in een onverkwikkelijke zaak en ontspint zich allengs een verhaal over schaamte, schuld en wraak. De Iraanse regisseur Farhadi (die we kennen van A Separation, zie films 2014) gaat secuur en bedachtzaam te werk, het verhaal wordt rustig verteld, alles staat ten dienste van het acteerwerk. Het toneelstuk dat Emad en Rana met hun toneelgroep opvoeren is Death of a Salesman, de klassieker van Arthur Miller uit 1949, en een parallel laat zien tussen Millers drama en het filmverhaal, zoals ook het instortingsgevaar in het begin de naderende instorting van het huwelijk aankondigt.

_________________________________________________________________________

Paterson (Jim Jarmusch, 2016).
Jarmusch is zo’n regisseur die geen fout bij me kan doen, zijn originaliteit is onbetwist. In zijn nieuwste film laat hij, zoals Floortje Smit in De Volkskrant schreef, ‘de schoonheid van het onopvallende bestaan’ zien, waarin we buschauffeur Paterson (Adam Driver) een week lang volgen, van opstaan, ochtendkoffie en een kus voor zijn nog slapende geliefde, tot het eind van de dag als hij een rondje met de hond loopt en in de lokale bar zijn biertje drinkt. Elke dag hetzelfde, en elke dag borrelen er gedichten in hem op die hij in zijn geliefkoosde boekje noteert in keurige, gekalligrafeerde letters. Hij is beïnvloed door de dichter William Carlos Williams, die opgroeide in dezelfde wijk waar Patersons busroute loopt: Paterson, New Jersey, waarnaar hij vernoemd is. Het leven kabbelt en soms borrelt het, zoals de gedichten die opborrelen en genoteerd worden. Er gebeuren wel dingen, Paterson ontmoet mensen, kijkt naar ze, luistert naar ze, en Paterson heeft voor alles op zijn rustige manier aandacht en respect. Een juweel van en film. Nogmaals de Volkskrant: ‘Wie gelukkig wil zijn moet de wereld bekijken met een liefdevolle blik. Een film die dat voor elkaar krijgt is er een om te koesteren.’

_________________________________________________________________________

The Meyerowitz Stories (Noah Baumbach, 2016).
Baumbach heeft een beetje dezelfde thematiek als de vroege Woody Allen: getroebleerde familierelaties in een joods intellectueel New Yorks milieu. En deze film, een Netflix-productie en daarom niet echt onder de aandacht van een groter publiek gekomen, is een meesterproef in messcherpe observaties en vinnige ping-pong dialogen met Dustin Hoffman als de egocentrische, zich miskend voelende beeldhouwer Harold Meyerowitz, zijn alcoholistische derde echtgenote (Emma Thompson), zoon Danny, een geflopte musicus (Adam Sandler), halfzuster Jean, het intens ongelukkige lelijke eendje van de familie (Elizabeth Marvel) en halfbroer Matthew (Ben Stiller), als enige in de familie rijk en succesvol. Niet als kunstenaar, maar als financieel adviseur van de sterren in Los Angeles, en dat vindt de artistieke vader maar niets. De film beslaat een reeks hoofdstukken die soms verrassend plompverloren beginnen of eindigen, met als apotheose de hersenbloeding die vader Harold krijgt en de familie, niet zonder kleerscheuren, een beetje tot elkaar brengt. Een puntgave acteursfilm die lekker blijft nazoemen en onwillekeurig dat gedicht van Philip Larkin in herinnering roept met die pijnlijke eerste regels:
They fuck you up, your mum and dad.
They may not mean to, but they do.
They fill you with the faults they had
And add some extra, just for you

_________________________________________________________________________