176. De Vergiffenis van Schaduw

Kijk, dat is dus een probleem. Zóveel te vertellen hebben dat je niet weet uit welke grabbelton je anecdotes moet peuren. Dat begon al bij het begin van de reis, toen ik na aankomst op Bali ontdekte dat er een defect aan mijn fiets was. De voorvork rammelde, zat los in de stuurkolom. Balhoofd_HDC7217Ik liep alles na waar ik verstand van dacht te hebben maar behoor qua technisch inzicht toch tot de categorie die weet waar bij een auto de benzine, motorolie en ruitenwisservloeistof in moet, verder hoef ik van het mechaniek niets te weten, daar heb je garages voor. Met de fiets is het iets beter gesteld, is ook lekker overzichtelijk, alles aan de buitenkant, behalve die rammelende voorvork. Het defecte onderdeel: de ‘stermoer’, in de kop van de stuurstang. IMG_5026 72 bewerktHad er nooit van gehoord, de fietsenmaker wel. Piepklein ding, zo groot als een euro, kost 50.000 rupiah (€ 3,50) maar zónder kan je niet rijden. Probleem opgelost. Betaalde het dubbele, denkend aan een anecdote die mijn vader ooit vertelde in het kader van arbeidsethos, daar sprak hij met graagte over. Man komt met z’n auto bij de garage, probleem met de motor, klinkt wat vreemd. Monteur luistert, doet motorkap open, draait een schroefje aan. Klaar. Motor spint weer als een tevreden poes. Rekening: 25 gulden. Wat? Je was in twee minuten klaar en daar reken je 25 piek voor? Jazeker, zegt de monteur. Eén piek voor het aandraaien van het schroefje, de rest omdat ik wist welk schroefje het was.

Mijn reis loopt ten einde. Nu de laatste dagen genieten op Bali, warmte en zon, de fiets in ruststand tot vertrek. Straks moet hij gedeeltelijk ontmanteld en vliegklaar gemaakt. Hij staat naast de deur van mijn door geboomte en ander groen omgeven hotelkamer, een kleine bungalow, twee onder een dak. Soms in het voorbijgaan klop ik hem even, als een trouw paard. Bali is wonderschoon, maar of ik dit nog een keer wil, met fiets? Nee, volgende keer een scooter, of kleine motor. Het kost teveel kracht en energie, die steek ik liever in andere zaken. Het eiland beter leren kennen, begrijpen waar ik ben. Niet per se omdat dit stukje wereld ooit tot Nederland behoorde, toen we nog een nietsontziende koloniale grootmacht waren. Maar het maakt het wel een stuk interessanter en dwingender om je in de geschiedenis te verdiepen.

Een van de weinige dingen waaraan je kunt zien dat Nederland hier ooit een aanwezige macht was, is de taal. Een levend organisme, het groeit en dupliceert, vreemde woorden glippen binnen en krijgen een lokale draai. Tijdens het fietsen zie je borden bij garages en motorwerkplaatsen die een plek in het Bahasa Indonesia veroverd hebben en nog steeds herkenbaar zijn. Pompa bensin, oto, ban pres, silinder. Of kleine borden bij woningen, daar houdt dan een notaris kantoor of er is een praktek docter gevestigd. Reclameborden langs de weg adverteren met nieuwbouw voor rekreasi. En deze was wel heel mooi, op Lombok. Geen twijfel aan wat hier verkocht wordt:

IMG_5152

Wonderlijk eiland, dat Lombok. In alles zó anders dan Bali. Het is gortdroog, een paar graden koeler en vooral: islamitisch. Toen Mirjam en ik er in 2003 fietsten ontdekten we al gauw een merkwaardig fenomeen. En dan bedoel ik niet de wonderlijke gewoonte van iedereen om luidkeels Hello Mister! te roepen zogauw ze ons op de fiets zagen, jonge kinderen net zo goed als volwassenen, en enthousiast de weg op te stuiven in een poging ons aan te raken, waarbij jonge kerels zo hard aan de bagagedrager rukken dat je bijna onderuit gaat. Op Bali gebeurt dat nooit, misschien af en toe een hand of glimlach in groet, maar de Lombokkers hanteren andere sociale regels en ze doen het twaalf jaar na dato nog steeds, dat roepen, soms gelardeerd met een bars whereyougo, dat laatste uitsluitend door kerels die vervolgens in bulderend gelach uitbarsten, kijk mij eens leuk zijn tegen die orang susu, die witte man.

En ik bedoel ook niet het fenomeen Benhur: kleine tweewielige karretjes op luchtbanden met een klein paardje tussen de disselbomen. Hoe het kan weet niemand, maar deze paardenwagentjes, uniek voor Lombok, zouden vernoemd zijn naar het bijbelse epos van generaal Lewis Wallace, ‘Ben-Hur, Tale of the Christ’, omdat ze zouden lijken op de strijdwagens die in het oude Rome gebruikt werden. Maar waarom op dit islamitische eiland zo’n ultra-christelijk begrip voet aan de grond heeft gekregen? Een raadsel. Geen onverdeeld genoegen trouwens, die karretjes. We hebben meer dan eens gezien dat zo’n kar zó vol beladen en zwaar was, dat hij achterover kantelde en het paardje pardoes in z’n harnas werd opgetild en met de hoefjes los van de grond kwam. Deze heeft het ook niet makkelijk, al die zware vrouwen en bakken groenten en dat in die verpletterende hitte…

IMG_5136

Nee, het fenomeen waar ik op doel is fondswerving om de bouw van moskeeën te bekostigen. Want hoe klein het gehucht ook, op Lombok willen ze allemaal een eigen masjid, en als ze er een hebben willen ze een tweede. Enzovoort. Ik fietste op een dag door een stadje waar ik zeven (!) moskeeën telde. Sommige lagen wat achteraf en waren kleiner, ik zou ze niet gezien hebben ware het niet dat ze allemaal, en dan ook werkelijk állemaal, tegelijkertijd de azan lieten weerklinken, de oproep tot gebed. Vroeger deden de muezzin dat netjes vanaf de toren, handen als een toeter naast de mond en dan roepen zo hard je kunt. Maar dat gaat al sinds jaar en dag elektronisch versterkt, een krans van luidsprekers siert de minaret en de volumeknop gaat op tien, want stel je voor dat een gelovige zijn gebedsplicht zou verzaken. Een doordringende pokkeherrie, en dat maal zeven. Ik geef het je te doen.

Maar goed, die fondswerving. Hoe ging dat in z’n werk? Kwam je aanfietsen, reed je pardoes een fuik in. Jongemannen met witte petjes en baarden zetten de weg af met touwen zodat iedereen gedwongen werd te stoppen. Auto’s, brommers, fietsen. En dan hielden ze je een bak onder de neus, een mooi bewerkte doos, waar dan geld in moest. Deksel open, zoals vroeger bij ons de koektrommel, bankbiljetten erin en weer dicht. Wij fietsers werden in mijn herinnering netjes doorgelaten, ze legden ons geen strobreed in de weg, maar Mirjam had kennelijk dat beeld van die baarden nog voor zich toen ik begin vorige maand vertrok en drukte me op het hart géén discussies aan te gaan met fanatieke moslims. Was ik ook niet van plan, maar goed, ze kent mijn voorliefde voor een stevige discours en een gewaarschuwd man telt voor twee.

Wat blijkt? Geen mannelijke fondswerver op straat gezien, nergens, op heel Lombok niet. Uitsluitend vrouwen! Vrolijke giebelende grietjes die zich kapot vervelen daar midden op straat, de tijd doden met smartphones en als er al eens iemand langskomt ze een plastic emmer onder de neus duwen. En wat een pret als ik mijn iPhone tevoorschijn haal. Geen afzettingen ook, alleen een soort ezel met een bordje hati hati, wees voorzichtig.

Foto iPhone

Foto iPhone

Nog iets kleins. Wat je gaandeweg leert aan improvisatie als je in dit soort temperaturen onderweg bent. De hitte langs de noordkust was zó overweldigend en de route van de dag die ik voor mezelf had uitgestippeld viel wat langer uit dan ik gedacht had. Zweten dus, het lichaam weet niet hoe die hitte af te voeren, het zweet dat het een IMG_5191lieve lust is en houdt elk druppeltje vocht vast waar het kan, de hele dag ga je zonder plassen en pas ‘s avonds, als je onder de douche staat, lijkt het lichaam een signaal te krijgen: vocht in overvloed! Niet dat de sluizen dan opengaan, je drinkt altijd minder dan je aan vocht verliest, de hele dag ben je aan het bijspijkeren, maar het is vechten tegen de bierkaai. Maar wat zag ik aan de noordkust? ATM machines, die hebben airconditioning! ‘n Soort gekoelde telefooncel, en dat staat zomaar langs de weg. Gauw fiets neerzetten en hup naar binnen. Paar minuten het verhitte lijf koelen en dan kan het weer verder.

Een van de talloze baaien aan de noordoostelijke kust van Bali. Op het strand liggen de vissersbootjes, 's nachts gaan ze de zee op, op jacht naar inktvis en tonijn. Op de achtergrond de vulkaan Gunung Agung.

Een van de talloze baaien aan de noordoostelijke kust van Bali. Op het strand liggen de vissersbootjes, ‘s nachts gaan ze de zee op, op jacht naar inktvis en tonijn. Op de achtergrond de vulkaan Gunung Agung.

Nog even terug naar het verleden, onze geschiedenis hier als onderdrukkende macht. Wat zei ik in mijn vorige blog? Ooit was er een tijd dat je misschien beter kon verzwijgen dat je uit Holland kwam, maar dat was dan vooral op Atjeh vrees ik maar niet hier, niet op Bali. Lieve help, wat had ik het mis. Heb me intussen redelijk in de geschiedenis Nederland-Indonesië verdiept, m’n kennis bijgespijkerd, ook over dat wat ik al wist, de pogingen van Nederland om na de Tweede Wereldoorlog het koloniale gezag in Indonesië te herstellen, de Bersiaptijd van 1945 tot 1949. Gruwelijke misdaden begingen de Nederlanders, in onze geschiedenisboeken eufemistisch ‘politionele acties’ genoemd.

Maar een mij onbekende bloedige geschiedenis voltrok zich op 20 juni 1906 hier niet ver vandaan op Bali. Enkele vorstendommen weigerden zich aan de Nederlandse wetten en regels te houden, waarop het Nederlands-Indisch Gouvernement een omvangrijke troepenmacht naar het eiland stuurde. Deze landde bij Sanur, een paar kilometer hier vandaan. De lokale vorst, wetend dat ze geen vuist tegen de Nederlanders konden maken, riep zijn familie en volk op tot de poepoetan, een gebruik dat ik uit het oude Rajasthan ken (Jauhar), maar geen idee had dat het hier ook bestaan heeft: collectieve zelfmoord. Liever dood dan gevangen en vernederd. In een vreedzame optocht trokken de Balinezen de Nederlandse troepen tegemoet, die hen met geweren en kanonnen bestookten. Toen de kruitdampen optrokken lagen 3500 mannen, vrouwen en kinderen dood.

En opeens moest ik aan die uitdrukking van Armando denken: schuldig landschap. Hij hing het op aan de Tweede Wereldoorlog: ergens wordt op grote schaal misdaden tegen de mensheid gepleegd. Barakken worden gebouwd, vernietigingskampen met verbrandingsovens. Maar het landschap heeft zich daar nooit iets van aangetrokken, heeft gezwegen, is zelfs zo schaamteloos geweest om gewoon door te groeien. Kortom: schuldig landschap. Volgens die redenering zou die mooie baai van Sanur, een steenworp hier vandaan, schuldig zijn. Want honderd jaar na dato is alles er nog, de baai en de voetheuvels die alles gezien en gehoord hebben, waar het bloed vloeide en de levens verloren gingen.

Ik heb die term in het verleden als het zo uitkwam ongecensureerd gebruikt, in artikelen en documentaires. Maar nu, deze reis, besef ik dat het een modieuze kreet is. Kletskoek. Landschap is per definitie onschuldig. Het is, verder niets. Landschap is van alles, maar het is vooral wat wij er in zien: autonoom, woekerend, vernietigend, troostend, productief. Maar nooit, nooit schuldig. Aan niets, nog niet eens aan zichzelf.

Ik heb deze reis landschap als bedreigend én beschermend ervaren. Bedreigend in hitte en droogte, beschermend als ik verkoelende schaduw vond onder overhangend geboomte. Een troostende donkere plek op het withete asfalt, een boom waaronder ook hagedissen en geiten hun toevlucht zochten. Dan stapte ik af, zette mijn fiets tegen de stam, spoelde het zweet van mijn gezicht en dronk gulzig uit mijn waterfles. Dan ging ik onder de boom op de grond zitten en langzaam, langzaam voelde ik hoe mijn lichaam tot rust kwam in de vergiffenis van schaduw.

175. Rondje Bali en Lombok

Eigenaardig woord toch: versnelling. Alsof je, in mijn geval dus op de fiets, alleen maar bezig bent met sneller. Niet dus. Ik schakel wat af hier, omlaag vooral, naar kleiner, langzamer, omdat het klimmen geblazen is. Kleiner verzet heet dat in wielertermen, en dat is de spijker op de kop. Verzet! Dat is wat je voelt als je tegen een heuvel op moet van pak ‘m beet 10%. Dat probeer je eerst een stukje in het zadel, maar het is niet bij te trappen, het wordt een soort spinning, normaal ga je er voor naar de sportschool maar hier, met bagage achterop, kijk je wel twee keer uit. Lopen dus. En duwen. Mag ik een voorbeeldje geven wat je hier voor je kiezen kunt krijgen?

72_HDC7248_edited2

Voor wie het niet weet: sinds vorige week ben ik in Indonesië. Rondje Bali en Lombok, Mirjam en ik deden het twaalf jaar geleden al eens samen. En het is boeiend te zien hoe selectief het geheugen is, want niet alleen was ik dus vergeten hoe loeizwaar het kan zijn, ik had ook geen helder beeld meer van de verbluffende schoonheid van dit eiland. Vaag was er het clichébeeld van rijstvelden en de lawaaistrip Kuta met winkels en walmende verkeersdrukte, maar de verbluffende schoonheid van het binnenland was ik vergeten. Het was dan ook een feestelijke verrassing, landinwaarts, door dorpen en gehuchten waar oude vrouwen, wachtend op klanten in hun open winkeltje met bananen, afwasmiddel en flesjes frisdrank, enthousiast opveren en beginnen te zwaaien en orang susu roepen. Dat herinner ik me dan weer wél, die kreet. Witte man. Of letterlijk: melk mens. En als ze dan in een soort zelfbedacht Engels roept Where you come from, antwoord ik naar waarheid: Belanda. Ooit was er een tijd dat je misschien beter kon verzwijgen dat je uit Holland kwam, maar dat was dan vooral op Atjeh vrees ik maar niet hier, niet op Bali, hier is alles pais en vree en de lokale Olympus, de machtige vulkaan Gunung Agung, komt met haar hoofd uit de wolken en ziet dat alles goed is.

72_HDC7258

In die dorpen, zo wonderlijk, je ziet nauwelijks het verschil tussen tempels en woonhuizen. Wie lijkt dan op wie? De huizen op tempels denk ik, omdat elk woonhuis een eigen tempel heeft maar de tempels geen woonhuis. Alles is ommuurd, de stenen zwartgroen bemost door tropische regens, en overal stenen beelden. Demonische gedrochten met vervaarlijke slagtanden en boze ogen, IMG_5067 kopie half hond half mens. Vrolijke Ganesha’s, de Hindoegod met het olifantenhoofd, of lieftallige, serene figuren, man noch vrouw, vaak in een zwart-wit geblokt lendendoek. Die krijgen ze niet uit puriteinse overwegingen omgehangen, maar zwart en wit staan op Bali voor goed en slecht en de beelden dragen de doeken om boze geesten te verjagen. Het allervrolijkst was dit olijke kereltje, die ik bij de entree van een woonhuis zag.

Het Hindoe-Boeddhistisch gedomineerde Bali is een uitzondering in het overwegend Islamitische Indonesië, en ik heb geen idee hoe het op de andere eilanden toegaat, of de Islam daar ook steeds minder tolerant wordt zoals elders op de wereld, maar ik schrok van mijn eigen associatie toen ik rechts werd ingehaald (het verkeer rijdt hier links) door een paar jonge kerels op scooters. Ze bestuurden hun voertuig met de rechterhand en in hun vrije linker hielden ze een vervaarlijke klewang, een soort machete. Zwaaiend met die dingen reden ze pal langs me en ik schrok me kapot, wilde me in een reflex in de berm laten vallen, van ze wegduiken. Toen ze uit zicht waren en ik van de schrik bekomen voelde ik me bijna schuldig, want ik besefte met een schok hoezeer mijn gevoel en waarneming beïnvloed zijn geraakt door die afgrijselijke onthoofdingsvideo’s van het moorddadig geboefte van IS. Maar dat had níets te maken met Bali, die jongens wisten van niks, waren op weg naar hun werk in een rijstveld, of bananenplantage. En hun manier van rijden, gereedschap in de hand, was een illustratie van de ontspanning die ik overal op dit eiland proef. En ik dacht: je zou toch wensen dat de islam een relaxte, vrolijke religie kon zijn zoals die hier op Bali geleefd wordt, zo ongecompliceerd en rommelig en toegewijd met die fantastische beelden en torentjes en geblokte rokjes en meisjes die ‘s ochtends in hun mooiste sarong voor het huis met een prevelementje offerandes neerzetten om de goden gunstig te stemmen. Wat kan daar nu fout aan zijn?

Foto iPhone

Foto iPhone

Een andere religie die hier, zoals overal elders in Azië, volop beoefend wordt is die van de fotografie. Die wonderlijke bevestiging van dat je pas ergens geweest bent als het ook met foto bewezen kan worden. Heel vroeger hadden we die standaardgrap over Japanners, op bezoek in Parijs. Ze stormen met z’n allen de Sacré Coeur binnen, camera’s gaan klik-klik-klik en ze stuiven weer naar buiten, de bus in, óp naar de volgende attractie. Vraagt iemand: hoe was de Sacré Coeur? Weet ik niet, dat zie ik thuis als de foto’s ontwikkeld zijn. Iets vergelijkbaars zie je hier op Bali. Bij de tempel van Tanah Lot, een klein 16e eeuws Hindoe-heiligdom op een rots in zee, krioelt het van de dagjesmensen die allemaal, maar dan ook állemaal, op de foto willen. Mét de tempel. Ze gaan er niet echt heen, naar die tempel, ben je gek, zou betekenen dat ze kniediep door de golven moeten met de kans dat je onderuit gaat. Nee, als je een foto kunt laten zien als bewijs dat je er geweest bent is dat hetzelfde als gezien en je houdt droge voeten ook nog.

Tanah Lot_HDC7228_

Wat je zoal hoort en ziet als je fietst. Ergens in een dal in een veld dat vol staat met oogstrijpe rijst, een levende vogelverschrikker. Hij heeft draden over het veld gebonden waaraan plastic zakjes hangen en rukt aan de draden die in een woeste dans boven de rijst fladderen terwijl hij roept en zingt en schreeuwt. Je hoort het vallen van kokosnoten. Een man zit hoog in de boom en hakt er op los met z’n klewang. De enorme noten vallen omlaag, het is alsof ze in een hogere versnelling raken, snelheid krijgen en hun reis omlaag eindigt met een doffe klap. Je hoort het monotone geluid van de gamelan, ergens vanuit een huis, of een tempel, wat is het verschil, huis is hier tempel. En je ziet het magnifieke uitzicht op de Straat van Lombok als je met je fiets een lange afdaling maakt en halverwege even een adempauze neemt om je handen, verkrampt van het remmen, rust te geven. Beneden ligt Padangbai, waar de ferry naar Lombok gaat.

_HDC7263

Hoeveel ferries er tussen de eilanden varen weet ik niet maar het moeten er veel zijn, want het is een overtocht van ruim vier uur en elk uur vertrekt er een, het is een constant heen en weer. Ofschoon er forse vertraging kan ontstaan omdat twee vrachtwagens bij het ontschepen ruzie hebben gekregen wie voorrang heeft, elkaar klemreden en nu aan elkaar vastzitten, bumpers verstrengeld. Broodje-aap verhaal, zeker, maar het wordt met graagte verteld. Als ik op de pier wacht tot ik met m’n fiets aan boord mag moet ik lang wachten tot de vrachtwagens er af zijn. Grommende motoren en gitzwarte uitlaatgassen die lang blijven hangen in de windstille ochtend. Nee, je hoeft je fiets niet vast te binden, zegt de stuwadoor, de zee is kalm vandaag. En dat is ze. Een uitgestrekte diepblauwe heerlijkheid is het, met zelfs hier en daar de zwartglanzende lijven van dolfijnen die boven water komen en met een gladde duik verdwijnen. Ik voel me als in een natuurfilm en hang gelukzalig over de railing naar al dat moois te kijken.

72 _HDC7286

Bij het ontschepen wordt het broodje-aap verhaal bijna werkelijkheid. In het ruim toeteren de vrachtwagenchauffeurs om het hardst dat ze haast hebben en weg willen. Als de laadklep omlaag is schieten er twee naar voren wie het eerst van boord kan en verdomd, ze klappen bumper tegen bumper en komen tot stilstand. De stuwadoor, die opzij was gesprongen, bang dat hij onder de wielen zou komen, staat op de kade en regelt het verkeer als een politieagent. Stop jij. En jij, rijden! Bijna broodje-aap, jazeker.

De eerste veertig kilometer op Lombok zijn een feest, want plat. Vlakke weg! Geen heuvels! Ik peddel gelukzalig tussen rijstvelden en dorpjes, overal moskeeën, we zijn immers op islamitisch Lombok, hoor de muezzin oproepen tot gebed. In de dorpen roepen de kinderen me toe, Hello Mister! Af en toe een vrouwenstem hoog boven alles uit, schreeuwend alsof ze een marsmannetje ziet: tourist! tourist!

Dan komt een scooter langszij. Achter het stuur een jong meisje, achterop een oude vrouw. Het meisje mindert vaart zodat ze met me kan oprijden. Beide kijken ze me vorsend aan. Ik lach, steek mijn hand op en zeg Hello Ladies! De oude vrouw lacht mij met het restant van haar gebit stralend toe en roept: I love you! Dan geeft het meisje gas en ze vliegen voor me uit, gierend als bakvissen.

Zie Waar? (navigatiebalk boven) voor routekaart.

174. Goed Nieuws

Soms overvalt me de behoefte om een verhaal te vertellen rond één woord. Sinds enkele dagen is dat crapaud. Het klinkt goed, bekt lekker en heeft meerdere betekenissen: het Franse woord voor pad, en ook leunstoel, zo’n ding waarin je behaaglijk wegzakt. En waarom zou een verhaal niet met een enkel woord kunnen beginnen? Want hoe beginnen dingen? Van Hitchcock wordt verteld dat hij zijn films soms rond één enkele scène bouwde. Dan had hij een idee, een beeld, en dat moest en zou een film worden. De douche-scène uit Psycho. Het glas melk in Suspicion, waarin hij een lampje verstopte zodat het dreigend oplicht in het donkere trapgat als Cary Grant het naar zijn zieke vrouw brengt. En natuurlijk de achtervolging met het vliegtuigje uit North by Northwest. Eén enkel beeld en er wordt een complete film omheen geboetseerd.

Crapaud dus. Hoe het precies vorm moet krijgen weet ik nog niet, en eigenlijk staat m’n hoofd er niet naar, want het zit vol ellende. We worden overspoeld met zóveel nieuws dat ik nogal bezet ben geraakt. Er is geen ontkomen aan, de wereld bloedt. Een greep uit de kranten van de afgelopen dagen: de oorlog in Oekraïne, de slag om Debaltseve. Wanhopige burgers, waarheen kunnen ze, nergens heen. In de Syrische stad Aleppo, omsingeld door regeringstroepen, worden tienduizenden burgers bedreigd door uithongering. Een interview met de Amerikaan Theo Padnos, twee jaar lang gevangene van de islamitische strijdgroep Al Nusra. Zijn bewakers waren dol op onthoofdingsvideo’s, de meesten hadden de executie van James Foley op hun telefoon. ‘Hé Amerikaan, zou je het leuk vinden als jou dit ook gebeurt’? Padnos had geluk, hij overleefde, werd vrijgelaten. Minder geluk hadden de 21 koptische christenen uit Egypte. Onthoofd op een strand in Libië, de zee kleurde rood. De wrede barbarij van dolgedraaide schorem dat een bloedige apocalyps aankondigt: we staan aan de poorten van Rome. Is angst gerechtvaardigd? Natuurlijk. Denk aan Parijs, aan Kopenhagen.

Wat moeten we met zo’n wereld? Soms heb ik er moeite mee al dat nieuws een plek te geven. Het dendert over je heen en morgen is er weer een dag, begint het van voren af aan. Natuurlijk, je hebt de keuze er geen kennis van te nemen. Geen kranten lezen, geen journaal meer om acht uur. Voorlopig wil ik de wereld alleen nog van haar zonnige kant zien. Geen ellende meer, geen narigheid waar je toch niets aan kunt veranderen behalve dat je je geloof in de mensheid verliest. Goed nieuws wil ik! En zie, ik word op mijn wenken bediend, en onder eigen dak ook nog. Mirjam heeft opnieuw een prijs gekregen voor haar laatste boek Street Food Kosovo. We hadden afgelopen november al in de Kookboek van het Jaar competitie de eerste prijs in de categorie Goede Doelen, nu heeft ze de Gourmand World Cookbook Award Best Charity – Fundraising Cookbook Europe category gekregen, en is daarmee gekwalificeerd voor de ‘Gourmand Best in the World’ competitie. Petje af? Nou, reken maar, en vlag uit. Drie boeken schreef ze en gaven we uit in eigen beheer, en drie prijzen sleepte ze binnen. Ik bedoel maar. Trots? Ja, trots.

10557368_793852910683719_9144552029110362734_n

Ook goed nieuws, en het beeld spreekt voor zichzelf: een van Mirjams meest sprekende foto’s van haar langjarige Rajasthani vriendin Papu Bhopa, die ze al sinds eind vorige eeuw volgt en die al op menig boekomslag heeft gestaan (inclusief onze eigen Rajasthan reisgids uit 2004), siert nu een hele wand in Gypsy Kitchen, een restaurant in Atlanta, Georgia. Moeten we nodig eens zelf naartoe, kijken hoe het er in het echt uit ziet. Voorlopig doen we het met de foto die het architectenbureau die de foto kocht ons toestuurde. Mooi? Ja. Goed nieuws? Ja! En die crapaud, die komt nog wel.

Mirjam Gypsy Kitchen Atlanta Georgia

173. De Boeken van 2014

Ach, boeken… aan het eind van het jaar altijd de ontnuchterende constatering dat ik beduidend minder heb gelezen dan ik zou willen. Jammer, jammer. Toch had ik een paar juweeltjes in handen dit jaar. En over lezen gesproken, wat zei Ronald Giphart onlangs in de Volkskrant? ‘Ik las een onderzoek waaruit blijkt dat de hersenactiviteit tijdens het lezen van een roman hetzelfde is als tijdens complex sociaal contact. Een mooier pleidooi voor het lezen van boeken kan ik me niet voorstellen.’

Bukowski Factotum

Charles Bukowski stierf twintig jaar geleden, goede aanleiding zijn werk te (her)lezen. Ik las twee titels: Post Office (‘Dedicated to nobody’), Bukowski’s eersteling, waarin hij zijn alter-ego Henry Chinaski introduceert, en Factotum, in 2005 verdienstelijk verfilmd met Matt Dillon in de hoofdrol. Momenteel ben ik halverwege het aangrijpende Ham on Rye, waarin hij zijn moeizame jeugd en adolescentie beschrijft (niet zonder ironie opgedragen aan ‘all the fathers’). Een zeldzame stem in het literaire landschap. De wereld is rauw, en Bukowski kiest, zonder een spoor van zelfmedelijden, bewust de zelfkant. Uitzonderlijk proza, dat ondanks de zwaarte bij vlagen onweerstaanbaar grappig is.

2. Faulkner, As I Lay Dying

Altijd een groot liefhebber geweest van Faulkner, maar dat was lang geleden en gebaseerd op slechts enkele titels, waaronder het magistrale Light in August en The Sound and the Fury. Toen onlangs de verfilming van As I Lay Dying uitkwam, besefte ik dat ik deze misschien wel beroemdste roman van Faulkner niet kende. Nu wel. De film overigens niet, daar ben ik na tien minuten afgehaakt, werd gek van de split-screen techniek. Maar het boek? Een tour de force, maar magistraal. Het verhaal heeft 59 hoofdstukken nodig, vanuit het perspectief van 15 verschillende personen. Soms ben je het spoor bijster, moet je terugbladeren, hoe zat het ook weer, maar eenmaal aan het eind? Oei, wat een belevenis.

3. Kempowski, Heile Welt

Ik kan niet meer objectief oordelen over Walter Kempowski (1929-2007), chroniqueur van (na)oorlogs Duitsland. Ik ben in de jaren verslingerd geraakt aan zijn toon. Zo ook dit boek, ofschoon het soms misschien nét iets te beschrijvend werd, iets te Voskuilerig. Maar mooi! Kort: Matthias Jaenicke, leraar, aanvaardt een betrekking op een dorpsschool. Aanvankelijk lijkt hem het leven tussen eenvoudige, hardwerkende lieden hem een idylle die hem doet geloven in een perfecte wereld. In een Heile Welt. Maar schijn bedriegt.

6. Nescio

Dichtertje, Titaantjes, de Uitvreter: Nescio moet je om de twee, drie jaar herlezen en nooit kom je onder de bekoring uit. Al is het maar om die ene, onsterfelijke zin uit De Uitvreter: Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende boeken zou kunnen opschrijven. En dat te lezen in een 2e druk uit 1933 maakt het alleen nog maar fijner.

Coetzee Dierenleven

Coetzee, o.a. bekend om zijn ontregelende Disgrace (dat zeer verdienstelijk verfilmd werd met John Malkovich in de hoofdrol), definieert in dit boek via het verhaal over een vegetarische schrijfster die een lezing houdt over de mens en zijn omgang met het dier, de plaats van de mens in de schepping en stelt vragen over vegetarisme, over racisme, over de verhouding mens-natuur en mens-dier. En is vegetarisme een vorm van morele superioriteit? Een ontluisterende, verhelderende novelle.

172. De Films van 2014

Jaar voorbij, tijd voor lijstjes. Dit jaar film en boeken elk een eigen overzicht. Let op: van 2014 is niet hetzelfde als gemaakt in 2014. Waarom steeds het nieuwste, als er al zoveel moois is? Ook: belangrijke films van het afgelopen jaar, zoals het bejubelde Boyhood van Richard Linklater, Winter Sleep van Nuri Bilge Ceylan en Birdman van Iñárritu heb ik nog niet gezien. Komt nog wel, er is altijd de last van het teveel.

Dit zijn de betere (misschien zelfs de beste) films die ik het afgelopen jaar (her)zag.

Matterhorn, Diederik Ebbinge
Matterhorn (Diederik Ebbinge, 2013). Warmbloedige tragikomedie over een eenzame weduwnaar die een zwerver in huis neemt. Glansrollen voor Ton Kas en René van ‘t Hof. Een parel in de kroon van de Nederlandse cinema.

A Man Escaped, Robert Bresson
A Man Escaped (Robert Bresson, 1956). Door de Nazi’s gevangen verzetsstrijder beraamt ontsnapping. Minimalistische film die in alles de hand van een grootmeester verraadt. Honderd minuten ademloos kijken.

A Separation, Asghar Farhadi
A Separation (Asghar Farhadi, 2011) Vlekkeloos geregisseerd en geacteerd Iraans drama waarin twee stellen elkaar naar het leven staan. Zij wil emigreren, voor de toekomst van hun dochter. Hij wil blijven, vanwege zijn werk en om zijn met Alzheimer kampende vader te verzorgen. Scheiding volgt, de man huurt een hulp in de huishouding in om de zorg voor zijn vader te dragen, zelf is hij daarvoor overdag te druk. De vrouw heeft het salaris hard nodig, maar is niet opgeleid voor zulke verzorgende taken en worstelt met haar geloofsvoorschriften – mag ze een vreemde man wel verschonen? De zaak loopt danig uit de hand. Confrontatie tussen seculiere middenklasse en gelovige onderklasse, en scherpe analyse van Iraanse samenleving.

IDA, Pawel Pawlikowski 2013
Ida (Pawel Pawlikowski,2013). Polen, 1962. In sober zwart-wit (en klassiek 4:3) gedraaide film over een jonge novice die, voor ze haar gelofte aflegt, met haar enige familielid, een vereenzaamde, aan drank en alcohol verslingerde tante, op zoek gaat naar haar (Joodse) familieverleden. Wat volgt is een uitzonderlijke road movie, die gaandeweg inzicht geeft in het katholieke, antisemitische Polen van na de oorlog. Veel close ups in Vermeer-achtig zijlicht en prachtige, soms gewaagde kadrering, waarbij de personages bijna aan de onderkant uit beeld vallen, als om aan te geven dat het woelen van de wereld hen teveel en te zwaar is. Wonderbaarlijke film.

Le salaire de la peur, Henri-Georges Clouzot
Le salaire de la peur (Henri-Georges Clouzot, 1953) Beter bekend onder de Amerikaanse titel Wages of Fear. Hoewel, bekend? Hoeveel filmliefhebbers zullen dit meesterwerk kennen? Yves Montand als vrachtwagenchauffeur in een stoffig Zuid-Amerikaans stadje die in een convooi over een slechte bergweg een lading nitroglycerine moet vervoeren. Levensgevaarlijk. Eén verkeerd manoeuvre en de zaak ontploft. Knappe, spannende film, old school.

Philomena, Stephen Frears
Philomena (Stephen Frears, 2013). Gebaseerd op het boek The Lost Child of Philomena Lee van Martin Sixsmith. Net als The Magdalene Sisters (Peter Mullan, 2002) slaat Philomena een van de zwartste bladzijden open over het Ierse katholicisme: de inmiddels bejaarde Philomena verbreekt na vijftig jaar het stilzwijgen en vertelt dat ze als tiener een kind kreeg. Ze moest — het waren de jaren ’50 — haar baby afstaan aan de Sisters of the Sacred Heart. ‘Gevallen meisjes’ als Philomena moesten werken voor de nonnen en bidden; hun kinderen belandden bij adoptieouders. De film vertelt het verhaal van de zoektocht naar haar zoon. Hoe eenvoudig deze film ook lijkt, Stephen Frears schakelt knap tussen aanklacht, drama en komedie. Schitterende rollen van Steve Coogan en Judi Dench.

ONCE UPON A TIME IN ANATOLIA Nuri Bilge Ceylan
Once Upon a Time in Anatolia (Nuri Bilge Ceylan, 2011). Over een zoektocht naar het lichaam van een vermoorde man, maar dat moeilijk te vinden is omdat de dader niet meer precies waar hij het slachtoffer begraven heeft. Een langzame film, met veel nachtelijke shots die lang blijven staan. Hypnotiserende vertelling over verlies en gemiste kansen, zoals er zoveel zijn in het leven.

Like Father, Like Son Kore-Eda Hirozaku
Like Father, Like Son. (Hirokazu Koreeda, 2013). Twee ouderparen ontdekken dat hun inmiddels zes jaar oude kinderen in het ziekenhuis verwisseld werden. Het dilemma waar ze voor staan is de vraag of ze de jongens moeten ruilen. Wie beschouwen ze als hun echte zoon? Die met dezelfde genen of degene die ze hebben opgevoed? Het aloude vraagstuk rond nurture vs nature. Grote emoties klein zichtbaar gemaakt. Een juweeltje.

grand_budapest_hotel_ver2_xxlg
The Grand Budapest Hotel (Wes Anderson, 2014). Opnieuw een proeve van meesterschap van de regisseur die grossiert in vervreemdende komedies. Een in strakke kaders (grotendeels in het ouderwetse 4:3) gefilmde klucht die goeddeels een flashback is van de piccolo van het hotel, die de protégé wordt van mijnheer Gustave, het charmante middelpunt van de film. Gustave erft een duur schilderij van zijn bejaarde geliefde maar wordt tegelijkertijd de hoofdverdachte rond haar mysterieuze dood. Samen met zijn piccolo slaat hij op de vlucht en probeert intussen te ontrafelen wie de daadwerkelijke schuldige is. Een film als een kijkdoos waar je niet op uitgekeken raakt.

DerHimmelUeberBerlin
Der Himmel über Berlin (Wim Wenders, 1987). Op lokatie in Berlijn gedraaid twee jaar voor de val van de Muur. Door de ogen van twee engelen (Bruno Ganz en Otto Sander), die zijn neergestreken in Berlijn en daar de gedachten van mensen kunnen lezen zonder zelf gezien te worden, krijgen we in losse flarden een beeld van het aardse leven. Twijfels, verliefdheden, fantasieën. Prachtig, prachtig. Alleen al de moeite waard om de eerste minuten waarin Bruno Ganz het gedicht Lied vom Kindsein van Peter Handke voorleest: Als das Kind Kind war, wußte es nicht, daß es Kind war, alles war ihm beseelt, und alle Seelen waren eins.

Story of film
The Story of Film: An Odyssey (Mark Cousins, U.K., 2011). Tot slot wil ik een pleidooi houden voor de 15 uur durende documentaire over het ontstaan van het medium cinema. Een fascinerende reis, samengesteld en gepresenteerd door de Ierse filmcriticus en -auteur Mark Cousins die zijn commentaar op aangenaam zangerige, meeslepende toon inspreekt. De serie is voor de geschoolde filmliefhebber een feest van herkenning én een ontdekkingstocht. En wie Pirates of the Caribbean en Lord of the Rings als referentiekader heeft komt er dankzij deze documentairereeks achter wat de voorlopers waren, en hoe de cinema zich heeft ontwikkeld tot de beeldtaal zoals wij die vandaag de dag zien.

171. Selfie met Boeddha

Alweer enige tijd thuis, maar toch nog even terugkijken op die laatste dagen na Vietnam toen we, min of meer op het moment dat we van Hanoi naar Bangkok zouden vliegen, van de KLM pardoes te horen kregen dat onze vlucht Bangkok-Amsterdam geannuleerd was. Rare verwikkelingen, je planning loopt in de soep, je krijgt vervangende vluchten aangeboden via Frankfurt of Stockholm die anderhalf keer zo lang duren en waar we niet de gereserveerde extra beenruimte krijgen waar we fors voor betaald hebben. Ja, maar u krijgt een refund! zeggen ze onbekommerd aan de andere kant van de chat, alsof daarmee het probleem opgelost is. KLM is berucht om z’n benarde zitcomfort, dus zeggen we: we wíllen geen refund, we willen de beenruimte waar we voor betaald hebben! Uiteindelijk lukt het, achtenveertig uur later.

Wat was er eigenlijk met dat vliegtuig? We hebben contact met KLM via verschillende kanalen en die zijn het nadrukkelijk met elkaar oneens. Technisch mankement! zegt de een. Slecht weer op Schiphol, volgens de ander. Alsof we mogen kiezen aan welk ongemak we de voorkeur geven.

Maar eerst Bangkok. Aanvankelijk hadden we één dag ingepland, maar dat werden er door het malheur met de KLM drie, waarvan ik twee met ziedende koorts onder de dekens. Bizar, zoals je dat plots kan beetpakken. Maar die eerste dag, toen er nog geen koorts was en niets dan zin in weerzien met Bangkok, was goed raak. De uit de kluiten gewassen metropool met veertien miljoen inwoners, te beginnen met het openbaar vervoer – bijna anderhalf uur ben je onderweg van het vliegveld, waar we ons hotel hadden, naar de binnenstad. Eerst de trein, die langs eindeloze flatgebouwen scheert met overal piepkleine balkons, nét groot genoeg om een airconditioner op kwijt te kunnen, dan de metro naar het centrum, efficient en snel. Trouwens leuk raadselplaatje in de trein. Wie mag hier zitten?

Priority seat _HDC0465

Talloze dingen zijn er te doen in Bangkok, waarbij je je om te beginnen moet beperken tot het oude centrum Rattanakosin. Niet vanwege de paleizen, als je die eenmaal gezien hebt weet je het wel, hoeveel overdadig goud en frills kan een mens verdragen. Nee, het belangrijkste is de rivier, Mae nam Chao Phraya. In het dagelijks gebruik heet hij Menam, een Nederlandse benaming, ontstaan in de tijd dat de VOC in Thailand een handelspost had. Het Thaise woord voor rivier is Mae Nam. De Nederlanders echter dachten dat het de naam van de rivier was…

Heerlijk, een uurtje op het water. En dan niet, zoals veel toeristen gebeurt, je door slimme bootboeven een kaartje laten aansmeren voor 1.400 Baht, zo’n 35 euro, waarbij je dan zogenaamd privé in een ‘longtail’ motorboot een uurtje op de rivier wordt rondgevaren. Nee, gewoon de riviertaxi, een grote platte schuit met stoelen en een afdak tegen de zon, die net als een stadsbus op gezette tijden langskomt. Voor 15 Baht, nog geen vier dubbeltjes, kan je zo ver je wilt meevaren. Heerlijk, die brede rivier, woest golvend, het geruststellende geplof van een zware diesel en koele wind om je kop.

Bangkok rivier_HDC0475

Op- en afstappen doe je bij genummerde aanlegplaatsen. Wij verlaten de riviertaxi bij nummer acht, Tha Thien pier. Niet alleen omdat hier twee markten zijn die we willen bezoeken (de een gespecialiseerd in gedroogde vis, en iets verderop de grootste overdekte kruiden- en bloemenmarkt van Bangkok), maar ook om een kijkje te nemen bij de Reclining Buddha in Wat Pho. Jaren geleden waren we hier al eens, en nu we toch in de buurt zijn wippen we weer even binnen. Ik herinnerde het mij als relatief rustig, maar die tijden zijn voorbij. Het krioelt er van de toeristen die zich bij de tempel moeizaam van hun schoeisel ontdoen en, als ze te korte broeken of rokken dragen, de verplichte heupdoek of lange broek aantrekken die de te blote lichaamsdelen bedekken. En dan mogen ze naar binnen, waar iedereen als een gek aan het fotograferen slaat. Maar hoe doe je dat, een beeld van 46 meter lang en 15 hoog? Zie ze worstelen, met hun iPhones en Androids om een goed kader te vinden. Het allermooist is natuurlijk als je samen met die Boeddha in beeld komt, zoals deze dame probeert. Want hoe krijg je het passend? Ach, als je er maar vrolijk op staat. Klik. Selfie met Boeddha.

Selfie met Boeddha

De bloemenhandelaren op de markt doen intussen goede zaken. Nog nooit zagen we zo’n grote bloemenmarkt, niet alleen in het overdekte deel maar ook uitdijend op straat, winkeltjes, stalletjes, overal bloemen en opvallend weinig toeristen. Denk ter vergelijk aan het Singel in Amsterdam. Wat een drukte om die paar bloemenboten, waar de toeristen zich verdringen voor peperdure bloembollen en rare snuisterijen. Nee, dan hier, in Bangkok. Losse bloemen in alle kleuren en geuren, bloemstukken en bloemslingers, alles is er te koop. En kijk hoe goedgemutst de handelaar is. Goeie zaken? Nou, reken maar.

Bloemen Bangkok_HDC0498 kopie

En dan blijkt dat er intussen bij ons thuis in Friesland wordt ingebroken. Vrijdagavond de 19e december, vlak voordat wij uit Hanoi naar Bangkok zouden vliegen en dat gezeur kregen met de KLM. Ondanks alle voorzorgsmaatregelen (binnenverlichting met tijdklok, buitenverlichting, en elke dag iemand in huis want we lieten tijdens onze Vietnamreis de badkamer renoveren) toch inbrekers. Eerst geprobeerd met een breekijzer een raam te forceren en toen dat niet goed lukte smeten ze een stenen sculptuur die op het terras stond dwars door de serredeur.
De volgende ochtend vindt onze aannemer de ravage. Alles, maar dan ook álles over de vloer, zoals je in films ziet. Kussens uit de banken, alsof daar geld onder verstopt kon zitten. Bedden overhoop, kleding uit de kasten, zelfs opgerolde sokken uit elkaar geplukt op zoek naar waardevol spul. Met een breekijzer een boekenkast uit z’n voegen gerukt om te kijken of er wat achter zat, op een andere plek een gat in de muur geslagen. Lades leeggekiept, boeken over de vloer. Maar, behalve de aanzienlijke rotzooi en schade (gebroken glas in houten vloer getrapt en enorme butsen van de stenen sculptuur die naar binnen werd gekeild) ontbreekt er niet zo gek veel. Dure cameraspullen en een laptop, dat wel. Verder wat horloges die relatief weinig waarde vertegenwoordigen en sieraden van Mirjam, die beduidend meer emotionele dan geldelijke waarde hadden.

En dan zie je wie je vrienden zijn. Eric en Madeleine, Chris en Alie, Renske en haar moeder. Ze regelen het met de politie, ruimen de ergste rotzooi op en besluiten na rijp overleg ons niet te bellen, want wat moeten we met dat nieuws, ginds in Hanoi? Pas als Chris en Alie ons op Schiphol afhalen krijgen we het te horen. Dat is schrikken. We hebben een lange autorit om er over te praten. En eenmaal thuis branden er kaarsen en staat er een kleine kerstboom met warm gloeiende welkomstlichtjes. Zo bijzonder.

Intussen zijn we alweer wat verder in de tijd. Het leven gaat door, de sporen van de inbraak zijn zo goed het gaat weggepoetst, nieuw dubbel glas in bestelling, er is aangifte gedaan en de verzekering is ingelicht. We hebben nu zo’n beetje alle vormen van diefstal wel gehad: beroofd in St. Petersburg, gerold in Barcelona en nu ingebroken en bestolen. Dat gaat nog even duren tot we dat kwijt zijn, dat gevoel, vreemdelingen in je huis die met hun poten aan je spul hebben gezeten. Gadverdamme. Maar wat zijn we dankbaar voor de zorg die we kregen. Hoe gaat de uitdrukking ook weer? Beter een goede buur dan een verre vriend. Precies zo is het. Dank, jullie allen.

170. Vietnam in twintig foto’s (en wat woorden)

De reis loopt langzaam op z’n eind. Dinsdag vliegen we terug naar Hanoi waar we nog wat zakelijke dingen te regelen hebben, zaterdag naar Bangkok, zondag weer thuis.

Niet iedereen die dit blog leest volgt Facebook, waar we tussendoor foto’s en kleine anecdotes plaatsen. Daarom, en omdat men zegt dat een foto meer zegt dan duizend woorden, dit laatste bericht uit Vietnam in 20 foto’s (en toch wat woorden).

(Klik op de foto’s voor grote weergave! Opent in apart venster.)

Om te beginnen terug naar 28 november, toen we in Lai Chau door de vice-president van het Volkscommitee een oorkonde overhandigd kregen als erkenning voor het werk dat Stichting Duniya sinds 2007 in Vietnam gedaan heeft. Een bijna letterlijk adembenemende ceremonie met toespraken en het voorlezen van notulen (waarna in goed communistische traditie iedereen in applaus uitbrak), uitwisselen van beleefdheden, handenschudden en poseren voor de verzamelde pers, die uit respect voor de hoge heren zó ver op afstand bleef dat we als miniatuurtjes in de verte zichtbaar waren. Gelukkig hadden we onze eigen apparatuur bij ons, Mirjam maakte het overzichtsshot van de ontvangstruimte (de lege stoel naast de vice-president is de hare – als voorzitter van Duniya had ze een ereplaats, ze voelde zich als in de Ridderzaal tijdens de troonrede) en de statiefoto maakte de dochter van de vice-president, die wél dichtbij durfde te komen.

1-72_HDC0124

2-72_HDC0128

Hier verlaten we het gebouw van het Volkscommitee. Aan de overkant de kantoren van DOLISA (het departement waarmee we samenwerken) en andere onderdelen van de Communistische Partij van Vietnam (Đảng Cộng Sản Việt Nam). Bijna onvoorstelbaar dat toen we hier voor het eerst kwamen deze enorme gebouwen er nog niet waren. De stad wordt letterlijk uit de grond gestampt, elke keer als we terugkomen zijn er nieuwe overheidsgebouwen en brede boulevards waar op hoogtijdagen gemarcheerd wordt.

3-72_HDC0130

Tijdens de tocht die we langs dorpen in het noorden ondernamen kwamen we in een gebied waar veel kaneel verbouwd wordt. Het is dat Mirjam het uitgebreid in haar boek Street Food Vietnam heeft beschreven, anders had ik niet geweten dat er verschillende soorten cinnamon bestaan (uit Vietnam, Sri Lanka en China). En al helemaal niet dat het van die enorme stukken zijn, zoals we hier aantroffen bij een familie die leeft van de oogst. Overal in en rond hun woning lag het spul te drogen, elders lag het klaar voor transport. Ze verdienen er geen dikke boterham mee, die arme zwoegers: 50.000 Vietnamese Dong voor een kilo gedroogde kaneelbast. Twee euro. Wie de winst opstrijkt? De tussenhandel en de top brass. Het oude liedje, overal ter wereld, dus ook hier. Om razend van te worden.

4-72 _IND9972

Soms komen we op plaatsen waar geen toeristen komen. Niet omdat ze niet zouden willen, maar omdat het niet mag. Te dicht bij de grens met China. Wij wel, door ons werk en onze relatie met de Partij. Waarom je er als gewone reiziger niet zou mogen komen is me een raadsel, wat kan het voor kwaad, maar de borden spreken voor zich. Dit is het randje van Vietnam, aan de andere kant van de heuvel ligt China. Schitterende omgeving hier. Rijstvelden, slingerende bergwegen en kleine gehuchten waar honden grommen en de winkelier sprakeloos verstijft als blanke vreemdelingen z’n winkeltje binnenkomen.

6-72 _HDC0060

7-72_HDC0062

In andere dorpjes zijn ze ons gewend, we komen er vaker, er wonen patiëntjes die ooit geopereerd werden in een operatiekamp van Stichting Duniya, en soms komen we een kijkje nemen hoe het ze gaat. Hier woont het meisje aan wie we het hondje gaven dat we vrijkochten (zie hoofdstuk Lucky Dog). De auto hebben we achtergelaten, hier moet je lopen, soms wadend door beekjes en riviertjes, dan weer een smal verhard pad tussen de rijstvelden en over fraaie hangbruggen die zwiepen als je oversteekt. De kinderen lachen en juichen, maar als je onverwacht een stap te dichtbij komt vliegen ze gierend alle kanten uit. De buffels intussen grazen ongestoord verder, en de hemel blijft azuurblauw. Soms is de wereld zo mooi dat het bijna pijn doet.

5-72_IND9995

9-2_IND0033

In een paalwoning, waar onder de vloerplanken de buffels en varkens knorren, stromen de vrouwen van het dorp samen om de foto’s te bekijken die Mirjam tijdens eerdere bezoeken maakte en nu voor hen meebracht. Sommige foto’s zijn zes, zeven jaar oud, het kind op de foto is nu een jonge vrouw die zelf een kind op de arm draagt, en nauwelijks kan ze geloven dat zij het is die ze ziet. Er wórdt wat afgelachen, en aan het eind van het bezoek nog een keer allemaal op de foto. En als we over een paar jaar terugkomen zullen de jongens mannen zijn en lachen om wie ze toen waren.

8-2_IND0009

9-72 _IND0023

Als we het dorp verlaten en over de brug lopen die de rivier overspant, dit tafereel. Een jonge vrouw die de was doet en even opkijkt van haar zware werk. We kijken naar elkaar, zien elkaar. En heel even delen we tijd, en daardoor elkaars bestaan. Meteen daarna is het afgelopen. Ships passing in the night. Zoiets.

10-72_IND0035

Terug naar Hanoi. We lopen wat af in die mooie, drukke stad die we inmiddels zo goed kennen. Maar nog steeds niet goed genoeg, altijd weer ontdekken we nieuwe straten en stegen, en soms, als we na een jaar terugkomen, zoals nu, zien we veranderingen. Gebouwen blijken weg, nieuwe kwamen er voor in de plaats, je snapt niet hoe ze het zo snel kunnen doen. En elke keer is de stad lawaaiiger dan voorheen, steeds meer scooters en motoren, stilte wordt steeds moeilijker te vinden. Maar niet voor deze vrouw. Ze is voddenraapster, elke dag komen we haar wel ergens tegen, zeulend met stukken karton en een zak vol lege plastic flessen. Of als ze een tukje doet. Ze weet de stilte altijd weer te vinden. Gewoon gaan zitten, hoofd op je armen en slapen.

11-72_IND9863_edited-1 FB

Dan zomaar opeens een glimp uit het koloniale verleden van Vietnam: de Citroen Traction Avant. Een van de allermooiste Europese auto’s ooit ontworpen. Volgens mij dan. Met de Peugeot 203 op een goede 2e plaats.

12-Traction Avant_HDC0167

En als je je afvraagt wat in Vietnam een favoriete straatsport is: hier heb je het antwoord.

13-72_IND9982

Nog een beeld uit dat Vietnamees-Chinese grensgebied. Zwiepend en zwaaiend kwamen ze de berg af met hun topzware lading en moesten even aan de kant op ruimte te maken voor twee auto’s, waaronder de onze. Altijd weer onder de indruk hoe geïmproviseerd het leven hier geleefd wordt. Overal is een oplossing voor te vinden.

14_HDC0103

En dan, als het werk er zo’n beetje op zit en we een week ‘op vakantie’ gaan naar de oude kustplaats Hoi An, is er niets dan storm en regen. De tyfoon Hagupit nadert en stuwt een lagedrukgebied richting Vietnam, de zee kolkt en spookt en het regent en het regent. Maar dat zijn ze hier gewend, de helft van het jaar zitten ze hier in de regen, en het leven gaat door. De economie moet blijven draaien, marktvrouwen stoken een vuurtje op om warm te blijven en als er geen klanten komen doen ze een dutje.

15-Eetzicht 091214 Hoi An iPhone blog IMG_4149

16-72FB_HDC0307_edited-2

17-72FB_HDC0309_edited-

Twee halve dagen hadden we het droog, waaronder vandaag. In de stad werd lichtjesfeest gevierd, kleine handgevouwen kartonnen bakjes met een kaarsje, je kunt ze kopen en in de rivier zetten om geluk af te roepen, of een wens in vervulling te doen gaan.

72FB_HDC0334_edited

Tot slot. Een beeld waar je geen genoeg van kunt krijgen: de elegantie van vrouwen met een juk. Een klein wonder van efficiëntie. De vrachten die ze kunnen dragen zijn verbluffend, dan is het moeizaam in evenwicht blijven en kleine pasjes maken met een zwiepende last, razend moeilijk moet het zijn en je schouders, die druk, oei… Deze drie hebben het makkelijk. Een paar trossen bananen, wat zal dat wegen, zo goed als niets.

En daar gaan ze, in ritselende regencapes. Zo prachtig. Alleen daarom is het al de moeite waard Vietnam te bezoeken. Kan je nagaan, met al die andere wonderbaarlijke dingen en mensen en belevenissen…

18-72FB_HDC4704_edited-1