178. De Stad van Steen

In de jaren zeventig heb ik ze verslonden, de boeken van Alan Moorehead over de ontdekkingsreizen naar de bron van de Nijl en de verslagen van de expedities van Livingstone, Stanley, Speke en Burton. En altijd, altijd werd Zanzibar genoemd als de plek vanwaar de avonturen begonnen. Zanzibar: een magische klank, sterker nog dan Timboektoe. Maar nooit kwam het in me op er heen te gaan. Geen idee waarom niet. Hoe moeilijk kon het zijn? Vliegtuig, boot, minder dan een etmaal en je bent er.

‘n Jaar of tien geleden begon Mirjam ook over Zanzibar, we schreven het bij op onze Things To Do lijst, maar die was al zo lang, van alles kreeg voorrang en de jaren verstreken. Nu dan eindelijk is het zo ver, en we dwalen door Stone Town, het oude, negentiende eeuwse deel van Zanzibar Town. Sommige huizen zijn van oudere datum, maar het meerendeel stamt uit de periode toen Zanzibar als belangrijk handelscentrum op het hoogtepunt van haar macht was, en de rijkdom zich vertaalde in de bouw van moskeeën, paleizen en luxueuze woningen. De labyrintische stegen zijn smal en koel. Richard Francis Burton, de Britse ontdekkingsreiziger en oriëntalist, schreef in 1857: The streets are, as they should be under such a sky, deep and winding alleys, hardly twenty feet broad, and travellers compare them to the threads of a tangled skein. Moest ik opzoeken, skein. A wound ball of yarn, zegt Wikipedia. En zo ervaren wij de straten van oud Zanzibar ook. Het enige verschil is dat je in Burtons tijd niet werd lastig gevallen door handelaren in prullaria die je bijkans hun nering binnensleuren.

_HDC0711

Waarom Stone Town heet zoals ze heet? Nergens vind ik een officiële verklaring, maar het ligt voor de hand. Vergelijkbaar met onze oude veenkoloniën waar de dagloners en veenarbeiders in plaggenhutten woonden en de eigenaren van de landbouwbedrijven in hun buitenhuizen. Binnen de stadsmuren van Zanzibar Town huisden welgestelde Arabieren, Indiërs en Europeanen in hun uit steen opgetrokken woningen, buiten de oude stad verrezen de eenvoudige, met palmblad bedekte onderkomens van de armlastige Afrikanen en Swahili’s, kustbewoners die van het continent naar het eiland trokken om werk te vinden. Nog steeds heet het woongebied buiten Stone Town Ng’ambo, ‘de andere kant’, waar je, als je de stad uitrijdt, terloops kunt zien hoe ontwikkelingshulp níet moet: een naargeestige rij verloederde, door moesson zwart uitgeslagen flatgebouwen, in 1963 gefinancierd en gebouwd door de toenmalige DDR in het kader van een internationaal ontwikkelingsplan.

Net als vorige week in Dar es Salaam bezoeken we ook hier de markt. Het is heet, boven de smalle straatjes hangt rood zeildoek om de felle zon te dempen, alles verandert van kleur, het sijpelt het oude marktgebouw binnen, dompelt de wereld in een slaperige roes. Vlees-, groenten- en vismarkt werden begin vorige eeuw door de Britten gebouwd toen Zanzibar onder het Brits protectoraat viel. Er hangt een aangenaam relaxte sfeer, geen geschreeuw, niemand valt je lastig. haai Misschien omdat ze weten dat je als buitenlander hier toch niet hompen geit of vis gaat kopen? Dus is het kijken en genieten. Hooggestapelde kraakverse kruiden en groenten, een vleesafdeling waar we niet veel tijd aan besteden, zoals overal is het tussen de kadavers nét iets teveel van het goede. In de vismarkt loopt de verkoop op z’n eind, hier en daar nog wat tonijn en inktvis, we zien een haai (misschien dezelfde die we ‘s ochtends op het dak van een busje zagen dat ons inhaalde toen we in een dala dala, een publieke taxi, op weg waren naar de stad?) en buiten het marktgebouw blijkt net een vracht pijlstaartroggen te zijn afgeleverd (zie volgende foto). Zeven kanjers wachten op een koper, ze liggen slordig en achteloos neergesmeten op straat, hun machtige vleugels en gevaarlijke staart verworden tot nutteloze attributen.

_HDC0719

_HDC0725

Wij hebben voor de komende weken onderdak gevonden in Bellevue Guesthouse, een dik uur rijden van Stone Town naar de oostkant van het eiland. Een sprookjesachtig strand onder handbereik, fijne kamer en een perfect, klein restaurant waar Mirjam al dikke maatjes is met Yussuf Ali en Khamis Daub, de koks die bij toerbeurt in de keuken de scepter zwaaien. Want laten we niet vergeten waarom we hier zijn: Mirjams nieuwe boek researchen, deel vier in de unieke serie Streetfood: Zanzibar. Dagelijks worden er nieuwe hoofdstukken aan het langzaam groeiende boek toegevoegd: foto’s, verhalen en recepten van lokale bewoners, waar we thuis op bezoek gaan. Of, laat ik eerlijk zijn, het is vooral Mirjam die het doet, soms ga ik mee. Op dit moment, terwijl ik dit schrijf, is ze in het nabije dorpje Bwejuu (Bwejoe) op bezoek bij de kennis van de zuster van iemand die in het guesthouse werkt. Het gaat als een lopend vuurtje, de succesvolle kookboekenschrijfster uit Nederland werkt aan een boek over Zanzibar en iedereen wil meedoen, steentje bijdragen, en als het kan met naam en foto in het boek. Kan niet bij iedereen, maar de familie van Idris en Tum, die bij het krieken van de dag beginnen met chapati’s bakken voor de verkoop, zal zeker in het boek komen. Onderstaande foto maakte Mirjam daar gisterenochtend, om vijf uur werd ze opgehaald om er te fotograferen. Interessant detail: het huisje ontbeert elektriciteit, het vroege ochtendlicht was nét genoeg om dit prachtbeeld te maken. En iedereen in de familie werkt mee om de eindjes aan elkaar te knopen, tot aan het kleine zoontje van nauwelijks drie jaar.

©MirjamLetsch-ZANZIBAR-1250

Morgen gaan we een kijkje nemen bij een vrouwencollectief uit het naburige dorp dat zeewier verbouwt. Een heel bijzonder initiatief, waardoor de vrouwen zelf een bescheiden maar regelmatig inkomen verwerven. En de dagen daarna zijn ook allemaal volgeboekt met afspraken, interviews, fotograferen, schrijven en tussendoor lange strandwandelingen. Ja, het leven is goed.

Tot slot nog iets geestigs: reclames van vroeger waarin onze donkere medemens een rol speelt. Ofwel: reclames met guitige negertjes met dikke lippen. Vroeger heel gewoon, elke tijd zijn eigen mores. In Nederland, waar het publieke debat bol stond van Zwarte Piet, word je nu bijkans gelyncht als je die reclames nu nog leuk zou vinden. En hier? Hier vinden ze ze práchtig. Houden wel van een beetje humor. Deze oude reclame van Albert Heijn bijvoorbeeld hangt in Stone Town, in Zanzibar Coffee House. Je denkt toch niet dat ze dat doen als aanklacht tegen het vroegere kolonialisme, of om te laten zien hoe racistisch die verrekte blanken zijn? Welnee joh, gewoon een leuk plaatje, ‘n soort cartoon. Klaar, uit.

FB_HDC0739

177. Hakuna Matata

‘What you doing why?’
Ik draai me om naar waar de barse mannenstem vandaan komt en sta oog in oog met drie soldaten, kalashnikovs in de aanslag. Oei, dat riekt naar narigheid. Naar waarheid zeg ik dat ik het straatnaambord fotografeer, Barack Obama Drive, ‘because in my country, we like Obama very much and it is beautiful to see his name here in Dar es Salaam.’
De woordvoerder van het stel kijkt me aan. Gezicht zonder uitdrukking, kille ogen. Hij wijst naar de hoge muur achter ons.
‘You know what this is?’
Ik zie niets, behalve de hoge muur die me niet eens was opgevallen. Ik zag alleen het naambord en de straat, die hier wel erg breed is, meer een soort plein. Daarachter de zee.
‘This is White Hous. Residence of president Jakaya Kikwete of Tanzania. No photographs!’
Shit. Nu zal je ‘t hebben. Ik denk aan Cees Nooteboom, die ooit in Gambia bijna achter de tralies verdween omdat hij niet van z’n fiets stapte toen de president in colonne langs reed. Ik kijk naar de muur die zo hoog is dat je onmogelijk kunt zien wat daarachter verborgen gaat, laat staan dat je het kunt fotograferen. Krankzinnige vertoning natuurlijk, maar dit is niet het moment voor principiële discussies. De voorste soldaat wijst op m’n iPhone en zegt iets dat ik niet kan verstaan. Pas na de derde keer begrijp ik het.
‘Delete.’
Ik frommel wat aan m’n telefoon, trek een ernstig gezicht en zeg: ‘All deleted.’
‘You sure?’
‘I’m sure.’
Hij wijst naar de andere kant van het plein.
‘You go. You walk there. Not near White House.’
Ik steek het plein over richting de oceaan waar Mirjam staat te wachten waar we liepen toen ik het straatbord zag en besloot het te fotograferen. Ze heeft alles van een afstand gezien, lacht besmuikt, vertelt dat ze de soldaten op me af zag komen maar wat kon ze doen, roepen Pas op achter je! als bij Jan Klaassen en Katrijn in de poppenkast? We lachen het weg en lopen verder. Karibu Tanzania. Welkom in Tanzania.

1. IMG_5483

We zijn op weg naar Kivukoni, de vismarkt van Dar es Salaam. De vorige avond in Tanzania aangekomen, nog een tikje groggy van de lange vlucht en nu de klap van de hitte. Even wennen. Van het hotel naar de vismarkt is niet ver, kilometer of vier, vijf, maar de hitte wordt ons al gauw de baas. Het is vroeg in de middag, overal zoekt men schaduw onder bomen, jongelui in schooluniform maken huiswerk, zittend op de grond, groeten ons als we over het smalle geitenpaadje langs hen lopen. Karibu, habari gani? roepen ze ons toe. Welkom, hoe gaat het? Antwoorden in Swahili kunnen we nog niet, dus zeggen we thank you en iedereen blij. De onzekerheid die er bij de soldaten was ingeslopen lost op als sneeuw voor de zon. Maar op de vismarkt heeft Mirjam even later een rare aanvaring met een opgewonden heerschap, die, terwijl ze fotografeert, in beeld springt en als een razende tegen haar schreeuwt. Hoewel? Tegen haar? Het lijkt alsof hij recht in de lens kijkt, maar het onderwerp van zijn woede blijkt achter Mirjam te liggen, hij stiefelt uit beeld en verdwijnt schreeuwend in de massa.

4. DSC00122

De vismarkt van Dar es Salaam is een verbluffende ervaring. Overal ter wereld waar we komen bezoeken we markten en als het een kustplaats is ook de visafslag, omdat je nergens anders de ongepolijste wereld te zien krijgt zoals daar. Tot nu toe was Nha Trang in Vietnam de opwindendste vismarkt die we zagen. Er werden haaien binnengebracht en reusachtige vissen waarvan we de naam niet kenden, maar Dar es Salaam gaat er met de eerste prijs vandoor. Een fantastische kermis. Dorpsvrouwen zitten opeengepakt schouder aan schouder langs een tafel waar vis geveild wordt door mannen aan de overkant. De vrouwen wijzen op stapeltjes vis, gooien tot een propje verfrommelde bankbiljetten naar de overkant en schuiven er een plastic container achteraan die, gevuld met de vis die ze bemachtigd hebben, teruggeschoven worden. Dan staan ze op, groeten hun buurvrouwen en keren terug naar huis. Hun plaats aan de veilingtafel wordt ingenomen door andere vrouwen en het schreeuwen van vragen en bieden begint opnieuw.

2. _HDC0534

De markt bestaat uit verschillende sectoren. Verse vis wordt aan wal gebracht, verhandeld en verpakt. Verkochte vis wordt schoongemaakt, en als de opdrachtgever wil tegen een geringe meerprijs ter plaatse gefrituurd. Op gloeiende houtgestookte vuren staan reusachtige woks, waarin de olie borrelt. Zwetende mannen, broekspijpen opgerold en op blote voeten, scheppen met schuimspanen de vis in en uit de olie, alles gromt en gloeit, druipt en walmt. Hier, wil je proeven? Ze reiken ons vis aan op een oude krant, visjes zo klein en dun als lucifers, halfwas makreel, een stevige moot rog en zeeduivel. We proeven of slaan dankend af, nee, genoeg, sorry, maar asante sana, dankjewel. En zo proeven we en krijgen gaandeweg het eerste Swahili onder de knie.

3. 72_HDC0558

Beneden in de baai wordt de vis aangevoerd en uitgeladen. De grootste vangst het eerst, ‘s ochtends vroeg, daarna de kleinere vissersbootjes. Aan boord wordt de vis in manden geschept en vervolgens aan land gebracht. Trots laten ze het zien. Een soort spiering, bedekt met een laag zout. Die gaan dadelijk rechtstreeks de olie in, komt geen mes aan te pas, niks schoonmaken. Frituren en huppekee op het bord.

5. _HDC0599

Bij de inktvis is het een ander verhaal, daar kan je niet zonder mes. Leuke job? Nee, denk het niet. Zwijgend zit de man achter een glibberige berg en snijdt ogen en maag weg. Zijn bewegingen zijn ritmisch, niets komt er tussen, het doet denken aan Chaplins Modern Times, steeds dezelfde beweging, dezelfde handeling, hoelang hou je dit vol? Misschien mag hij straks iets anders, villen of hakken, of ruilen met een van de collega’s die zwetend achter de ronkende vuren staan. Of misschien is hij gedoemd tot altijd hetzelfde, altijd inktvis, een leven met squid?

6. _HDC0606

Intussen hebben we de oversteek naar Zanzibar gemaakt. We hadden het vliegtuig kunnen nemen, een sprongetje van 20 minuten, maar een eiland moet over water. Twee uur op een snelle veerboot, dek en cabine volgepropt, passagiers slapen of kijken naar een Chinese vechtfilm. Het is bijna avond als we ons in de chaos van haven en douane storten. De smalle havenstraat van middeleeuws Zanzibar Town is verstopt met taxi’s, maar na verloop van tijd lost het op en koersen we in duisternis naar de oostkust, waar we voor de komende weken onderdak hebben gevonden en van waaruit we ons werk gaan doen: Mirjams volgende boek researchen. En een beetje vakantie houden. Dat begint meteen al de volgende ochtend als we een lange strandwandeling maken. Het strand is wonderschoon en doodstil, behalve af en toe een Masai die ons met Hakuna Matata begroet en na een korte babbel handel probeert te verkopen. Hakuna Matata? Hé, dat ken ik. Ooit, bijna in een vorig leven, zat ik met mijn zoons in de bioscoop en zag de tekenfilm Lion King, waarin dat gezongen werd. Hakuna Matata: geen probleem. Geen zorgen. Take it easy.

Later blijkt dat het niets met Zanzibar te maken heeft, het is Swahili uit Kenia, geïmporteerd om de toeristen te behagen die het van die film herkennen. We wimpelen de handel van de Masai af, die op zijn fiets over het strand zijn weg vervolgt, en wandelen verder langs de schitterende Indische Oceaan. En ik moet toegeven: eigenlijk niet zo gek, dat Hakuna Matata. Zo mag het zijn, de komende weken. Geen zorgen. Take it easy.

FB IMG_5541

176. Vergiffenis van Schaduw

Kijk, dat is dus een probleem. Zóveel te vertellen hebben dat je niet weet uit welke grabbelton je anecdotes moet peuren. Dat begon al bij het begin van de reis, toen ik na aankomst op Bali ontdekte dat er een defect aan mijn fiets was. De voorvork rammelde, zat los in de stuurkolom. Balhoofd_HDC7217Ik liep alles na waar ik verstand van dacht te hebben maar behoor qua technisch inzicht toch tot de categorie die weet waar bij een auto de benzine, motorolie en ruitenwisservloeistof in moet, verder hoef ik van het mechaniek niets te weten, daar heb je garages voor. Met de fiets is het iets beter gesteld, is ook lekker overzichtelijk, alles aan de buitenkant, behalve die rammelende voorvork. Het defecte onderdeel: de ‘stermoer’, in de kop van de stuurstang. IMG_5026 72 bewerktHad er nooit van gehoord, de fietsenmaker wel. Piepklein ding, zo groot als een euro, kost 50.000 rupiah (€ 3,50) maar zónder kan je niet rijden. Probleem opgelost. Betaalde het dubbele, denkend aan een anecdote die mijn vader ooit vertelde in het kader van arbeidsethos, daar sprak hij met graagte over. Man komt met z’n auto bij de garage, probleem met de motor, klinkt wat vreemd. Monteur luistert, doet motorkap open, draait een schroefje aan. Klaar. Motor spint weer als een tevreden poes. Rekening: 25 gulden. Wat? Je was in twee minuten klaar en daar reken je 25 piek voor? Jazeker, zegt de monteur. Eén piek voor het aandraaien van het schroefje, de rest omdat ik wist welk schroefje het was.

Mijn reis loopt ten einde. Nu de laatste dagen genieten op Bali, warmte en zon, de fiets in ruststand tot vertrek. Straks moet hij gedeeltelijk ontmanteld en vliegklaar gemaakt. Hij staat naast de deur van mijn door geboomte en ander groen omgeven hotelkamer, een kleine bungalow, twee onder een dak. Soms in het voorbijgaan klop ik hem even, als een trouw paard. Bali is wonderschoon, maar of ik dit nog een keer wil, met fiets? Nee, volgende keer een scooter, of kleine motor. Het kost teveel kracht en energie, die steek ik liever in andere zaken. Het eiland beter leren kennen, begrijpen waar ik ben. Niet per se omdat dit stukje wereld ooit tot Nederland behoorde, toen we nog een nietsontziende koloniale grootmacht waren. Maar het maakt het wel een stuk interessanter en dwingender om je in de geschiedenis te verdiepen.

Een van de weinige dingen waaraan je kunt zien dat Nederland hier ooit een aanwezige macht was, is de taal. Een levend organisme, het groeit en dupliceert, vreemde woorden glippen binnen en krijgen een lokale draai. Tijdens het fietsen zie je borden bij garages en motorwerkplaatsen die een plek in het Bahasa Indonesia veroverd hebben en nog steeds herkenbaar zijn. Pompa bensin, oto, ban pres, silinder. Of kleine borden bij woningen, daar houdt dan een notaris kantoor of er is een praktek docter gevestigd. Reclameborden langs de weg adverteren met nieuwbouw voor rekreasi. En deze was wel heel mooi, op Lombok. Geen twijfel aan wat hier verkocht wordt:

IMG_5152

Wonderlijk eiland, dat Lombok. In alles zó anders dan Bali. Het is gortdroog, een paar graden koeler en vooral: islamitisch. Toen Mirjam en ik er in 2003 fietsten ontdekten we al gauw een merkwaardig fenomeen. En dan bedoel ik niet de wonderlijke gewoonte van iedereen om luidkeels Hello Mister! te roepen zogauw ze ons op de fiets zagen, jonge kinderen net zo goed als volwassenen, en enthousiast de weg op te stuiven in een poging ons aan te raken, waarbij jonge kerels zo hard aan de bagagedrager rukken dat je bijna onderuit gaat. Op Bali gebeurt dat nooit, misschien af en toe een hand of glimlach in groet, maar de Lombokkers hanteren andere sociale regels en ze doen het twaalf jaar na dato nog steeds, dat roepen, soms gelardeerd met een bars whereyougo, dat laatste uitsluitend door kerels die vervolgens in bulderend gelach uitbarsten, kijk mij eens leuk zijn tegen die orang susu, die witte man.

En ik bedoel ook niet het fenomeen Benhur: kleine tweewielige karretjes op luchtbanden met een klein paardje tussen de disselbomen. Hoe het kan weet niemand, maar deze paardenwagentjes, uniek voor Lombok, zouden vernoemd zijn naar het bijbelse epos van generaal Lewis Wallace, ‘Ben-Hur, Tale of the Christ’, omdat ze zouden lijken op de strijdwagens die in het oude Rome gebruikt werden. Maar waarom op dit islamitische eiland zo’n ultra-christelijk begrip voet aan de grond heeft gekregen? Een raadsel. Geen onverdeeld genoegen trouwens, die karretjes. We hebben meer dan eens gezien dat zo’n kar zó vol beladen en zwaar was, dat hij achterover kantelde en het paardje pardoes in z’n harnas werd opgetild en met de hoefjes los van de grond kwam. Deze heeft het ook niet makkelijk, al die zware vrouwen en bakken groenten en dat in die verpletterende hitte…

IMG_5136

Nee, het fenomeen waar ik op doel is fondswerving om de bouw van moskeeën te bekostigen. Want hoe klein het gehucht ook, op Lombok willen ze allemaal een eigen masjid, en als ze er een hebben willen ze een tweede. Enzovoort. Ik fietste op een dag door een stadje waar ik zeven (!) moskeeën telde. Sommige lagen wat achteraf en waren kleiner, ik zou ze niet gezien hebben ware het niet dat ze allemaal, en dan ook werkelijk állemaal, tegelijkertijd de azan lieten weerklinken, de oproep tot gebed. Vroeger deden de muezzin dat netjes vanaf de toren, handen als een toeter naast de mond en dan roepen zo hard je kunt. Maar dat gaat al sinds jaar en dag elektronisch versterkt, een krans van luidsprekers siert de minaret en de volumeknop gaat op tien, want stel je voor dat een gelovige zijn gebedsplicht zou verzaken. Een doordringende pokkeherrie, en dat maal zeven. Ik geef het je te doen.

Maar goed, die fondswerving. Hoe ging dat in z’n werk? Kwam je aanfietsen, reed je pardoes een fuik in. Jongemannen met witte petjes en baarden zetten de weg af met touwen zodat iedereen gedwongen werd te stoppen. Auto’s, brommers, fietsen. En dan hielden ze je een bak onder de neus, een mooi bewerkte doos, waar dan geld in moest. Deksel open, zoals vroeger bij ons de koektrommel, bankbiljetten erin en weer dicht. Wij fietsers werden in mijn herinnering netjes doorgelaten, ze legden ons geen strobreed in de weg, maar Mirjam had kennelijk dat beeld van die baarden nog voor zich toen ik begin vorige maand vertrok en drukte me op het hart géén discussies aan te gaan met fanatieke moslims. Was ik ook niet van plan, maar goed, ze kent mijn voorliefde voor een stevige discours en een gewaarschuwd man telt voor twee.

Wat blijkt? Geen mannelijke fondswerver op straat gezien, nergens, op heel Lombok niet. Uitsluitend vrouwen! Vrolijke giebelende grietjes die zich kapot vervelen daar midden op straat, de tijd doden met smartphones en als er al eens iemand langskomt ze een plastic emmer onder de neus duwen. En wat een pret als ik mijn iPhone tevoorschijn haal. Geen afzettingen ook, alleen een soort ezel met een bordje hati hati, wees voorzichtig.

Foto iPhone

Foto iPhone

Nog iets kleins. Wat je gaandeweg leert aan improvisatie als je in dit soort temperaturen onderweg bent. De hitte langs de noordkust was zó overweldigend en de route van de dag die ik voor mezelf had uitgestippeld viel wat langer uit dan ik gedacht had. Zweten dus, het lichaam weet niet hoe die hitte af te voeren, het zweet dat het een IMG_5191lieve lust is en houdt elk druppeltje vocht vast waar het kan, de hele dag ga je zonder plassen en pas ‘s avonds, als je onder de douche staat, lijkt het lichaam een signaal te krijgen: vocht in overvloed! Niet dat de sluizen dan opengaan, je drinkt altijd minder dan je aan vocht verliest, de hele dag ben je aan het bijspijkeren, maar het is vechten tegen de bierkaai. Maar wat zag ik aan de noordkust? ATM machines, die hebben airconditioning! ‘n Soort gekoelde telefooncel, en dat staat zomaar langs de weg. Gauw fiets neerzetten en hup naar binnen. Paar minuten het verhitte lijf koelen en dan kan het weer verder.

Een van de talloze baaien aan de noordoostelijke kust van Bali. Op het strand liggen de vissersbootjes, 's nachts gaan ze de zee op, op jacht naar inktvis en tonijn. Op de achtergrond de vulkaan Gunung Agung.

Een van de talloze baaien aan de noordoostelijke kust van Bali. Op het strand liggen de vissersbootjes, ‘s nachts gaan ze de zee op, op jacht naar inktvis en tonijn. Op de achtergrond de vulkaan Gunung Agung.

Nog even terug naar het verleden, onze geschiedenis hier als onderdrukkende macht. Wat zei ik in mijn vorige blog? Ooit was er een tijd dat je misschien beter kon verzwijgen dat je uit Holland kwam, maar dat was dan vooral op Atjeh vrees ik maar niet hier, niet op Bali. Lieve help, wat had ik het mis. Heb me intussen redelijk in de geschiedenis Nederland-Indonesië verdiept, m’n kennis bijgespijkerd, ook over dat wat ik al wist, de pogingen van Nederland om na de Tweede Wereldoorlog het koloniale gezag in Indonesië te herstellen, de Bersiaptijd van 1945 tot 1949. Gruwelijke misdaden begingen de Nederlanders, in onze geschiedenisboeken eufemistisch ‘politionele acties’ genoemd.

Maar een mij onbekende bloedige geschiedenis voltrok zich op 20 juni 1906 hier niet ver vandaan op Bali. Enkele vorstendommen weigerden zich aan de Nederlandse wetten en regels te houden, waarop het Nederlands-Indisch Gouvernement een omvangrijke troepenmacht naar het eiland stuurde. Deze landde bij Sanur, een paar kilometer hier vandaan. De lokale vorst, wetend dat ze geen vuist tegen de Nederlanders konden maken, riep zijn familie en volk op tot de poepoetan, een gebruik dat ik uit het oude Rajasthan ken (Jauhar), maar geen idee had dat het hier ook bestaan heeft: collectieve zelfmoord. Liever dood dan gevangen en vernederd. In een vreedzame optocht trokken de Balinezen de Nederlandse troepen tegemoet, die hen met geweren en kanonnen bestookten. Toen de kruitdampen optrokken lagen 3500 mannen, vrouwen en kinderen dood.

En opeens moest ik aan die uitdrukking van Armando denken: schuldig landschap. Hij hing het op aan de Tweede Wereldoorlog: ergens wordt op grote schaal misdaden tegen de mensheid gepleegd. Barakken worden gebouwd, vernietigingskampen met verbrandingsovens. Maar het landschap heeft zich daar nooit iets van aangetrokken, heeft gezwegen, is zelfs zo schaamteloos geweest om gewoon door te groeien. Kortom: schuldig landschap. Volgens die redenering zou die mooie baai van Sanur, een steenworp hier vandaan, schuldig zijn. Want honderd jaar na dato is alles er nog, de baai en de voetheuvels die alles gezien en gehoord hebben, waar het bloed vloeide en de levens verloren gingen.

Ik heb die term in het verleden als het zo uitkwam ongecensureerd gebruikt, in artikelen en documentaires. Maar nu, deze reis, besef ik dat het een modieuze kreet is. Kletskoek. Landschap is per definitie onschuldig. Het is, verder niets. Landschap is van alles, maar het is vooral wat wij er in zien: autonoom, woekerend, vernietigend, troostend, productief. Maar nooit, nooit schuldig. Aan niets, nog niet eens aan zichzelf.

Ik heb deze reis landschap als bedreigend én beschermend ervaren. Bedreigend in hitte en droogte, beschermend als ik verkoelende schaduw vond onder overhangend geboomte. Een troostende donkere plek op het withete asfalt, een boom waaronder ook hagedissen en geiten hun toevlucht zochten. Dan stapte ik af, zette mijn fiets tegen de stam, spoelde het zweet van mijn gezicht en dronk gulzig uit mijn waterfles. Dan ging ik onder de boom op de grond zitten en langzaam, langzaam voelde ik hoe mijn lichaam tot rust kwam in de vergiffenis van schaduw.

175. Rondje Bali en Lombok

Eigenaardig woord toch: versnelling. Alsof je, in mijn geval dus op de fiets, alleen maar bezig bent met sneller. Niet dus. Ik schakel wat af hier, omlaag vooral, naar kleiner, langzamer, omdat het klimmen geblazen is. Kleiner verzet heet dat in wielertermen, en dat is de spijker op de kop. Verzet! Dat is wat je voelt als je tegen een heuvel op moet van pak ‘m beet 10%. Dat probeer je eerst een stukje in het zadel, maar het is niet bij te trappen, het wordt een soort spinning, normaal ga je er voor naar de sportschool maar hier, met bagage achterop, kijk je wel twee keer uit. Lopen dus. En duwen. Mag ik een voorbeeldje geven wat je hier voor je kiezen kunt krijgen?

72_HDC7248_edited2

Voor wie het niet weet: sinds vorige week ben ik in Indonesië. Rondje Bali en Lombok, Mirjam en ik deden het twaalf jaar geleden al eens samen. En het is boeiend te zien hoe selectief het geheugen is, want niet alleen was ik dus vergeten hoe loeizwaar het kan zijn, ik had ook geen helder beeld meer van de verbluffende schoonheid van dit eiland. Vaag was er het clichébeeld van rijstvelden en de lawaaistrip Kuta met winkels en walmende verkeersdrukte, maar de verbluffende schoonheid van het binnenland was ik vergeten. Het was dan ook een feestelijke verrassing, landinwaarts, door dorpen en gehuchten waar oude vrouwen, wachtend op klanten in hun open winkeltje met bananen, afwasmiddel en flesjes frisdrank, enthousiast opveren en beginnen te zwaaien en orang susu roepen. Dat herinner ik me dan weer wél, die kreet. Witte man. Of letterlijk: melk mens. En als ze dan in een soort zelfbedacht Engels roept Where you come from, antwoord ik naar waarheid: Belanda. Ooit was er een tijd dat je misschien beter kon verzwijgen dat je uit Holland kwam, maar dat was dan vooral op Atjeh vrees ik maar niet hier, niet op Bali, hier is alles pais en vree en de lokale Olympus, de machtige vulkaan Gunung Agung, komt met haar hoofd uit de wolken en ziet dat alles goed is.

72_HDC7258

In die dorpen, zo wonderlijk, je ziet nauwelijks het verschil tussen tempels en woonhuizen. Wie lijkt dan op wie? De huizen op tempels denk ik, omdat elk woonhuis een eigen tempel heeft maar de tempels geen woonhuis. Alles is ommuurd, de stenen zwartgroen bemost door tropische regens, en overal stenen beelden. Demonische gedrochten met vervaarlijke slagtanden en boze ogen, IMG_5067 kopie half hond half mens. Vrolijke Ganesha’s, de Hindoegod met het olifantenhoofd, of lieftallige, serene figuren, man noch vrouw, vaak in een zwart-wit geblokt lendendoek. Die krijgen ze niet uit puriteinse overwegingen omgehangen, maar zwart en wit staan op Bali voor goed en slecht en de beelden dragen de doeken om boze geesten te verjagen. Het allervrolijkst was dit olijke kereltje, die ik bij de entree van een woonhuis zag.

Het Hindoe-Boeddhistisch gedomineerde Bali is een uitzondering in het overwegend Islamitische Indonesië, en ik heb geen idee hoe het op de andere eilanden toegaat, of de Islam daar ook steeds minder tolerant wordt zoals elders op de wereld, maar ik schrok van mijn eigen associatie toen ik rechts werd ingehaald (het verkeer rijdt hier links) door een paar jonge kerels op scooters. Ze bestuurden hun voertuig met de rechterhand en in hun vrije linker hielden ze een vervaarlijke klewang, een soort machete. Zwaaiend met die dingen reden ze pal langs me en ik schrok me kapot, wilde me in een reflex in de berm laten vallen, van ze wegduiken. Toen ze uit zicht waren en ik van de schrik bekomen voelde ik me bijna schuldig, want ik besefte met een schok hoezeer mijn gevoel en waarneming beïnvloed zijn geraakt door die afgrijselijke onthoofdingsvideo’s van het moorddadig geboefte van IS. Maar dat had níets te maken met Bali, die jongens wisten van niks, waren op weg naar hun werk in een rijstveld, of bananenplantage. En hun manier van rijden, gereedschap in de hand, was een illustratie van de ontspanning die ik overal op dit eiland proef. En ik dacht: je zou toch wensen dat de islam een relaxte, vrolijke religie kon zijn zoals die hier op Bali geleefd wordt, zo ongecompliceerd en rommelig en toegewijd met die fantastische beelden en torentjes en geblokte rokjes en meisjes die ‘s ochtends in hun mooiste sarong voor het huis met een prevelementje offerandes neerzetten om de goden gunstig te stemmen. Wat kan daar nu fout aan zijn?

Foto iPhone

Foto iPhone

Een andere religie die hier, zoals overal elders in Azië, volop beoefend wordt is die van de fotografie. Die wonderlijke bevestiging van dat je pas ergens geweest bent als het ook met foto bewezen kan worden. Heel vroeger hadden we die standaardgrap over Japanners, op bezoek in Parijs. Ze stormen met z’n allen de Sacré Coeur binnen, camera’s gaan klik-klik-klik en ze stuiven weer naar buiten, de bus in, óp naar de volgende attractie. Vraagt iemand: hoe was de Sacré Coeur? Weet ik niet, dat zie ik thuis als de foto’s ontwikkeld zijn. Iets vergelijkbaars zie je hier op Bali. Bij de tempel van Tanah Lot, een klein 16e eeuws Hindoe-heiligdom op een rots in zee, krioelt het van de dagjesmensen die allemaal, maar dan ook állemaal, op de foto willen. Mét de tempel. Ze gaan er niet echt heen, naar die tempel, ben je gek, zou betekenen dat ze kniediep door de golven moeten met de kans dat je onderuit gaat. Nee, als je een foto kunt laten zien als bewijs dat je er geweest bent is dat hetzelfde als gezien en je houdt droge voeten ook nog.

Tanah Lot_HDC7228_

Wat je zoal hoort en ziet als je fietst. Ergens in een dal in een veld dat vol staat met oogstrijpe rijst, een levende vogelverschrikker. Hij heeft draden over het veld gebonden waaraan plastic zakjes hangen en rukt aan de draden die in een woeste dans boven de rijst fladderen terwijl hij roept en zingt en schreeuwt. Je hoort het vallen van kokosnoten. Een man zit hoog in de boom en hakt er op los met z’n klewang. De enorme noten vallen omlaag, het is alsof ze in een hogere versnelling raken, snelheid krijgen en hun reis omlaag eindigt met een doffe klap. Je hoort het monotone geluid van de gamelan, ergens vanuit een huis, of een tempel, wat is het verschil, huis is hier tempel. En je ziet het magnifieke uitzicht op de Straat van Lombok als je met je fiets een lange afdaling maakt en halverwege even een adempauze neemt om je handen, verkrampt van het remmen, rust te geven. Beneden ligt Padangbai, waar de ferry naar Lombok gaat.

_HDC7263

Hoeveel ferries er tussen de eilanden varen weet ik niet maar het moeten er veel zijn, want het is een overtocht van ruim vier uur en elk uur vertrekt er een, het is een constant heen en weer. Ofschoon er forse vertraging kan ontstaan omdat twee vrachtwagens bij het ontschepen ruzie hebben gekregen wie voorrang heeft, elkaar klemreden en nu aan elkaar vastzitten, bumpers verstrengeld. Broodje-aap verhaal, zeker, maar het wordt met graagte verteld. Als ik op de pier wacht tot ik met m’n fiets aan boord mag moet ik lang wachten tot de vrachtwagens er af zijn. Grommende motoren en gitzwarte uitlaatgassen die lang blijven hangen in de windstille ochtend. Nee, je hoeft je fiets niet vast te binden, zegt de stuwadoor, de zee is kalm vandaag. En dat is ze. Een uitgestrekte diepblauwe heerlijkheid is het, met zelfs hier en daar de zwartglanzende lijven van dolfijnen die boven water komen en met een gladde duik verdwijnen. Ik voel me als in een natuurfilm en hang gelukzalig over de railing naar al dat moois te kijken.

72 _HDC7286

Bij het ontschepen wordt het broodje-aap verhaal bijna werkelijkheid. In het ruim toeteren de vrachtwagenchauffeurs om het hardst dat ze haast hebben en weg willen. Als de laadklep omlaag is schieten er twee naar voren wie het eerst van boord kan en verdomd, ze klappen bumper tegen bumper en komen tot stilstand. De stuwadoor, die opzij was gesprongen, bang dat hij onder de wielen zou komen, staat op de kade en regelt het verkeer als een politieagent. Stop jij. En jij, rijden! Bijna broodje-aap, jazeker.

De eerste veertig kilometer op Lombok zijn een feest, want plat. Vlakke weg! Geen heuvels! Ik peddel gelukzalig tussen rijstvelden en dorpjes, overal moskeeën, we zijn immers op islamitisch Lombok, hoor de muezzin oproepen tot gebed. In de dorpen roepen de kinderen me toe, Hello Mister! Af en toe een vrouwenstem hoog boven alles uit, schreeuwend alsof ze een marsmannetje ziet: tourist! tourist!

Dan komt een scooter langszij. Achter het stuur een jong meisje, achterop een oude vrouw. Het meisje mindert vaart zodat ze met me kan oprijden. Beide kijken ze me vorsend aan. Ik lach, steek mijn hand op en zeg Hello Ladies! De oude vrouw lacht mij met het restant van haar gebit stralend toe en roept: I love you! Dan geeft het meisje gas en ze vliegen voor me uit, gierend als bakvissen.

Zie Waar? (navigatiebalk boven) voor routekaart.

174. Goed Nieuws

Soms overvalt me de behoefte om een verhaal te vertellen rond één woord. Sinds enkele dagen is dat crapaud. Het klinkt goed, bekt lekker en heeft meerdere betekenissen: het Franse woord voor pad, en ook leunstoel, zo’n ding waarin je behaaglijk wegzakt. En waarom zou een verhaal niet met een enkel woord kunnen beginnen? Want hoe beginnen dingen? Van Hitchcock wordt verteld dat hij zijn films soms rond één enkele scène bouwde. Dan had hij een idee, een beeld, en dat moest en zou een film worden. De douche-scène uit Psycho. Het glas melk in Suspicion, waarin hij een lampje verstopte zodat het dreigend oplicht in het donkere trapgat als Cary Grant het naar zijn zieke vrouw brengt. En natuurlijk de achtervolging met het vliegtuigje uit North by Northwest. Eén enkel beeld en er wordt een complete film omheen geboetseerd.

Crapaud dus. Hoe het precies vorm moet krijgen weet ik nog niet, en eigenlijk staat m’n hoofd er niet naar, want het zit vol ellende. We worden overspoeld met zóveel nieuws dat ik nogal bezet ben geraakt. Er is geen ontkomen aan, de wereld bloedt. Een greep uit de kranten van de afgelopen dagen: de oorlog in Oekraïne, de slag om Debaltseve. Wanhopige burgers, waarheen kunnen ze, nergens heen. In de Syrische stad Aleppo, omsingeld door regeringstroepen, worden tienduizenden burgers bedreigd door uithongering. Een interview met de Amerikaan Theo Padnos, twee jaar lang gevangene van de islamitische strijdgroep Al Nusra. Zijn bewakers waren dol op onthoofdingsvideo’s, de meesten hadden de executie van James Foley op hun telefoon. ‘Hé Amerikaan, zou je het leuk vinden als jou dit ook gebeurt’? Padnos had geluk, hij overleefde, werd vrijgelaten. Minder geluk hadden de 21 koptische christenen uit Egypte. Onthoofd op een strand in Libië, de zee kleurde rood. De wrede barbarij van dolgedraaide schorem dat een bloedige apocalyps aankondigt: we staan aan de poorten van Rome. Is angst gerechtvaardigd? Natuurlijk. Denk aan Parijs, aan Kopenhagen.

Wat moeten we met zo’n wereld? Soms heb ik er moeite mee al dat nieuws een plek te geven. Het dendert over je heen en morgen is er weer een dag, begint het van voren af aan. Natuurlijk, je hebt de keuze er geen kennis van te nemen. Geen kranten lezen, geen journaal meer om acht uur. Voorlopig wil ik de wereld alleen nog van haar zonnige kant zien. Geen ellende meer, geen narigheid waar je toch niets aan kunt veranderen behalve dat je je geloof in de mensheid verliest. Goed nieuws wil ik! En zie, ik word op mijn wenken bediend, en onder eigen dak ook nog. Mirjam heeft opnieuw een prijs gekregen voor haar laatste boek Street Food Kosovo. We hadden afgelopen november al in de Kookboek van het Jaar competitie de eerste prijs in de categorie Goede Doelen, nu heeft ze de Gourmand World Cookbook Award Best Charity – Fundraising Cookbook Europe category gekregen, en is daarmee gekwalificeerd voor de ‘Gourmand Best in the World’ competitie. Petje af? Nou, reken maar, en vlag uit. Drie boeken schreef ze en gaven we uit in eigen beheer, en drie prijzen sleepte ze binnen. Ik bedoel maar. Trots? Ja, trots.

10557368_793852910683719_9144552029110362734_n

Ook goed nieuws, en het beeld spreekt voor zichzelf: een van Mirjams meest sprekende foto’s van haar langjarige Rajasthani vriendin Papu Bhopa, die ze al sinds eind vorige eeuw volgt en die al op menig boekomslag heeft gestaan (inclusief onze eigen Rajasthan reisgids uit 2004), siert nu een hele wand in Gypsy Kitchen, een restaurant in Atlanta, Georgia. Moeten we nodig eens zelf naartoe, kijken hoe het er in het echt uit ziet. Voorlopig doen we het met de foto die het architectenbureau die de foto kocht ons toestuurde. Mooi? Ja. Goed nieuws? Ja! En die crapaud, die komt nog wel.

Mirjam Gypsy Kitchen Atlanta Georgia

173. De Boeken van 2014

Ach, boeken… aan het eind van het jaar altijd de ontnuchterende constatering dat ik beduidend minder heb gelezen dan ik zou willen. Jammer, jammer. Toch had ik een paar juweeltjes in handen dit jaar. En over lezen gesproken, wat zei Ronald Giphart onlangs in de Volkskrant? ‘Ik las een onderzoek waaruit blijkt dat de hersenactiviteit tijdens het lezen van een roman hetzelfde is als tijdens complex sociaal contact. Een mooier pleidooi voor het lezen van boeken kan ik me niet voorstellen.’

Bukowski Factotum

Charles Bukowski stierf twintig jaar geleden, goede aanleiding zijn werk te (her)lezen. Ik las twee titels: Post Office (‘Dedicated to nobody’), Bukowski’s eersteling, waarin hij zijn alter-ego Henry Chinaski introduceert, en Factotum, in 2005 verdienstelijk verfilmd met Matt Dillon in de hoofdrol. Momenteel ben ik halverwege het aangrijpende Ham on Rye, waarin hij zijn moeizame jeugd en adolescentie beschrijft (niet zonder ironie opgedragen aan ‘all the fathers’). Een zeldzame stem in het literaire landschap. De wereld is rauw, en Bukowski kiest, zonder een spoor van zelfmedelijden, bewust de zelfkant. Uitzonderlijk proza, dat ondanks de zwaarte bij vlagen onweerstaanbaar grappig is.

2. Faulkner, As I Lay Dying

Altijd een groot liefhebber geweest van Faulkner, maar dat was lang geleden en gebaseerd op slechts enkele titels, waaronder het magistrale Light in August en The Sound and the Fury. Toen onlangs de verfilming van As I Lay Dying uitkwam, besefte ik dat ik deze misschien wel beroemdste roman van Faulkner niet kende. Nu wel. De film overigens niet, daar ben ik na tien minuten afgehaakt, werd gek van de split-screen techniek. Maar het boek? Een tour de force, maar magistraal. Het verhaal heeft 59 hoofdstukken nodig, vanuit het perspectief van 15 verschillende personen. Soms ben je het spoor bijster, moet je terugbladeren, hoe zat het ook weer, maar eenmaal aan het eind? Oei, wat een belevenis.

3. Kempowski, Heile Welt

Ik kan niet meer objectief oordelen over Walter Kempowski (1929-2007), chroniqueur van (na)oorlogs Duitsland. Ik ben in de jaren verslingerd geraakt aan zijn toon. Zo ook dit boek, ofschoon het soms misschien nét iets te beschrijvend werd, iets te Voskuilerig. Maar mooi! Kort: Matthias Jaenicke, leraar, aanvaardt een betrekking op een dorpsschool. Aanvankelijk lijkt hem het leven tussen eenvoudige, hardwerkende lieden hem een idylle die hem doet geloven in een perfecte wereld. In een Heile Welt. Maar schijn bedriegt.

6. Nescio

Dichtertje, Titaantjes, de Uitvreter: Nescio moet je om de twee, drie jaar herlezen en nooit kom je onder de bekoring uit. Al is het maar om die ene, onsterfelijke zin uit De Uitvreter: Iedere dag is 24 uur, en ieder uur gaat er meer door de hoofden van al die tobbende menschen dan je in duizende boeken zou kunnen opschrijven. En dat te lezen in een 2e druk uit 1933 maakt het alleen nog maar fijner.

Coetzee Dierenleven

Coetzee, o.a. bekend om zijn ontregelende Disgrace (dat zeer verdienstelijk verfilmd werd met John Malkovich in de hoofdrol), definieert in dit boek via het verhaal over een vegetarische schrijfster die een lezing houdt over de mens en zijn omgang met het dier, de plaats van de mens in de schepping en stelt vragen over vegetarisme, over racisme, over de verhouding mens-natuur en mens-dier. En is vegetarisme een vorm van morele superioriteit? Een ontluisterende, verhelderende novelle.

172. De Films van 2014

Jaar voorbij, tijd voor lijstjes. Dit jaar film en boeken elk een eigen overzicht. Let op: van 2014 is niet hetzelfde als gemaakt in 2014. Waarom steeds het nieuwste, als er al zoveel moois is? Ook: belangrijke films van het afgelopen jaar, zoals het bejubelde Boyhood van Richard Linklater, Winter Sleep van Nuri Bilge Ceylan en Birdman van Iñárritu heb ik nog niet gezien. Komt nog wel, er is altijd de last van het teveel.

Dit zijn de betere (misschien zelfs de beste) films die ik het afgelopen jaar (her)zag.

Matterhorn, Diederik Ebbinge
Matterhorn (Diederik Ebbinge, 2013). Warmbloedige tragikomedie over een eenzame weduwnaar die een zwerver in huis neemt. Glansrollen voor Ton Kas en René van ‘t Hof. Een parel in de kroon van de Nederlandse cinema.

A Man Escaped, Robert Bresson
A Man Escaped (Robert Bresson, 1956). Door de Nazi’s gevangen verzetsstrijder beraamt ontsnapping. Minimalistische film die in alles de hand van een grootmeester verraadt. Honderd minuten ademloos kijken.

A Separation, Asghar Farhadi
A Separation (Asghar Farhadi, 2011) Vlekkeloos geregisseerd en geacteerd Iraans drama waarin twee stellen elkaar naar het leven staan. Zij wil emigreren, voor de toekomst van hun dochter. Hij wil blijven, vanwege zijn werk en om zijn met Alzheimer kampende vader te verzorgen. Scheiding volgt, de man huurt een hulp in de huishouding in om de zorg voor zijn vader te dragen, zelf is hij daarvoor overdag te druk. De vrouw heeft het salaris hard nodig, maar is niet opgeleid voor zulke verzorgende taken en worstelt met haar geloofsvoorschriften – mag ze een vreemde man wel verschonen? De zaak loopt danig uit de hand. Confrontatie tussen seculiere middenklasse en gelovige onderklasse, en scherpe analyse van Iraanse samenleving.

IDA, Pawel Pawlikowski 2013
Ida (Pawel Pawlikowski,2013). Polen, 1962. In sober zwart-wit (en klassiek 4:3) gedraaide film over een jonge novice die, voor ze haar gelofte aflegt, met haar enige familielid, een vereenzaamde, aan drank en alcohol verslingerde tante, op zoek gaat naar haar (Joodse) familieverleden. Wat volgt is een uitzonderlijke road movie, die gaandeweg inzicht geeft in het katholieke, antisemitische Polen van na de oorlog. Veel close ups in Vermeer-achtig zijlicht en prachtige, soms gewaagde kadrering, waarbij de personages bijna aan de onderkant uit beeld vallen, als om aan te geven dat het woelen van de wereld hen teveel en te zwaar is. Wonderbaarlijke film.

Le salaire de la peur, Henri-Georges Clouzot
Le salaire de la peur (Henri-Georges Clouzot, 1953) Beter bekend onder de Amerikaanse titel Wages of Fear. Hoewel, bekend? Hoeveel filmliefhebbers zullen dit meesterwerk kennen? Yves Montand als vrachtwagenchauffeur in een stoffig Zuid-Amerikaans stadje die in een convooi over een slechte bergweg een lading nitroglycerine moet vervoeren. Levensgevaarlijk. Eén verkeerd manoeuvre en de zaak ontploft. Knappe, spannende film, old school.

Philomena, Stephen Frears
Philomena (Stephen Frears, 2013). Gebaseerd op het boek The Lost Child of Philomena Lee van Martin Sixsmith. Net als The Magdalene Sisters (Peter Mullan, 2002) slaat Philomena een van de zwartste bladzijden open over het Ierse katholicisme: de inmiddels bejaarde Philomena verbreekt na vijftig jaar het stilzwijgen en vertelt dat ze als tiener een kind kreeg. Ze moest — het waren de jaren ’50 — haar baby afstaan aan de Sisters of the Sacred Heart. ‘Gevallen meisjes’ als Philomena moesten werken voor de nonnen en bidden; hun kinderen belandden bij adoptieouders. De film vertelt het verhaal van de zoektocht naar haar zoon. Hoe eenvoudig deze film ook lijkt, Stephen Frears schakelt knap tussen aanklacht, drama en komedie. Schitterende rollen van Steve Coogan en Judi Dench.

ONCE UPON A TIME IN ANATOLIA Nuri Bilge Ceylan
Once Upon a Time in Anatolia (Nuri Bilge Ceylan, 2011). Over een zoektocht naar het lichaam van een vermoorde man, maar dat moeilijk te vinden is omdat de dader niet meer precies waar hij het slachtoffer begraven heeft. Een langzame film, met veel nachtelijke shots die lang blijven staan. Hypnotiserende vertelling over verlies en gemiste kansen, zoals er zoveel zijn in het leven.

Like Father, Like Son Kore-Eda Hirozaku
Like Father, Like Son. (Hirokazu Koreeda, 2013). Twee ouderparen ontdekken dat hun inmiddels zes jaar oude kinderen in het ziekenhuis verwisseld werden. Het dilemma waar ze voor staan is de vraag of ze de jongens moeten ruilen. Wie beschouwen ze als hun echte zoon? Die met dezelfde genen of degene die ze hebben opgevoed? Het aloude vraagstuk rond nurture vs nature. Grote emoties klein zichtbaar gemaakt. Een juweeltje.

grand_budapest_hotel_ver2_xxlg
The Grand Budapest Hotel (Wes Anderson, 2014). Opnieuw een proeve van meesterschap van de regisseur die grossiert in vervreemdende komedies. Een in strakke kaders (grotendeels in het ouderwetse 4:3) gefilmde klucht die goeddeels een flashback is van de piccolo van het hotel, die de protégé wordt van mijnheer Gustave, het charmante middelpunt van de film. Gustave erft een duur schilderij van zijn bejaarde geliefde maar wordt tegelijkertijd de hoofdverdachte rond haar mysterieuze dood. Samen met zijn piccolo slaat hij op de vlucht en probeert intussen te ontrafelen wie de daadwerkelijke schuldige is. Een film als een kijkdoos waar je niet op uitgekeken raakt.

DerHimmelUeberBerlin
Der Himmel über Berlin (Wim Wenders, 1987). Op lokatie in Berlijn gedraaid twee jaar voor de val van de Muur. Door de ogen van twee engelen (Bruno Ganz en Otto Sander), die zijn neergestreken in Berlijn en daar de gedachten van mensen kunnen lezen zonder zelf gezien te worden, krijgen we in losse flarden een beeld van het aardse leven. Twijfels, verliefdheden, fantasieën. Prachtig, prachtig. Alleen al de moeite waard om de eerste minuten waarin Bruno Ganz het gedicht Lied vom Kindsein van Peter Handke voorleest: Als das Kind Kind war, wußte es nicht, daß es Kind war, alles war ihm beseelt, und alle Seelen waren eins.

Story of film
The Story of Film: An Odyssey (Mark Cousins, U.K., 2011). Tot slot wil ik een pleidooi houden voor de 15 uur durende documentaire over het ontstaan van het medium cinema. Een fascinerende reis, samengesteld en gepresenteerd door de Ierse filmcriticus en -auteur Mark Cousins die zijn commentaar op aangenaam zangerige, meeslepende toon inspreekt. De serie is voor de geschoolde filmliefhebber een feest van herkenning én een ontdekkingstocht. En wie Pirates of the Caribbean en Lord of the Rings als referentiekader heeft komt er dankzij deze documentairereeks achter wat de voorlopers waren, en hoe de cinema zich heeft ontwikkeld tot de beeldtaal zoals wij die vandaag de dag zien.