219. Van het slot, eindelijk.

“What is your country”
Dat was nog in China, de dag dat ik de grens zou oversteken naar Vietnam. Tot drie keer toe werd die vraag me gesteld, en elke keer dook iemand anders in uniform op om zich met de zaak te bemoeien, tot ze met z’n vieren naar mijn paspoort staan te kijken en maar niet begrijpen uit welk land ik kom. Holland? Netherlands? Oh ja? En waar staat dat dan? Gelijk hebben ze. Het Nederlandse paspoort is een raar ding. Europese Unie Koninkrijk der Nederlanden staat op de buitenkant, maar welk lánd is dat dan? Op een Colombiaanse pas staat Colombia, Amerikanen hebben United States of America, maar wij hebben Koninkrijk der Nederlanden, en wie zegt dat iets? De Chinese politie in elk geval niets. Dus gaan ze wat bladeren, alle stempels worden bestudeerd en dan uiteindelijk, met een vriendelijk salueren, ga maar verder. Want ze weten: die gaat naar Vietnam. Als er iets niet klopt, mogen zij het uitzoeken.

Vorige keer zei ik nog blijmoedig: nu ik de grens met Vietnam ben overgestoken is het internet weer volop te gebruiken. Maar nauwelijks in Hanoi, of de zaak ging weer op slot. Hoe het werkt? Geen idee, maar vrije meningsuiting, en daarmee het internet, is het Politbureau onwelgevallig, en dus wordt alles dat op publiceren lijkt monddood gemaakt. Dat blijkt ook uit de veroordeling tot zeven jaar gevangenschap van een 22-jarige blogger eind 2017, die berichtte over de milieuramp die het jaar daarvoor had plaatsgevonden,  toen een in Vietnam gevestigde Taiwanese staalfabriek cyanide en andere giftige stoffen in zee pompte, waardoor over een lengte van 120 kilometer het leven in zee verwoest werd en vissers op slag brodeloos waren. Ik was toen notabene in Vietnam en was er in Saigon getuige van hoe een dappere eenling, en daags erna een grote groep, daartegen openlijk protesteerde, wat uitzonderlijk moedig is, want demonstreren in Vietnam is een betrekkelijk onbekend fenomeen, daar weet de overheid nog niet hoe mee om te gaan (ik schreef er in dit weblog een stuk over: Demonstratie in Vietnam). Ongelofelijk: zeven jaar achter de tralies omdat je schrijft over iets waarvan iedereen weet dat het gebeurd is. De veroordeling bleef niet onopgemerkt, de New York Times deed uitgebreid verslag.

Maar of dit alles te maken heeft met het blokkeren van mijn internetconnectie in Hanoi? Op dit moment ben ik goed honderdvijftig kilometer zuidelijker, en is de blokkade opgeheven.

Over China, dat nu toch alweer meer dan een week achter me ligt, zou veel te vertellen zijn, maar dat werd een te lang verslag. Laat ik daarom volstaan met een paar beelden, die iets van de aparte sfeer kunnen weergeven. Om te beginnen de ongebreidelde bouwhonger die zich van China heeft meester gemaakt. Het was fascinerend, door en langs eindeloze buitenwijken van de stad Kunming te fietsen waar blokken flats in de steigers stonden of al waren opgeleverd. Maar waren ze ook bewoond? En zo ja, wat was dan de infrastructuur die de omgeving leefbaar moesten maken? Geen winkels, niets van dat al, zo te zien. Wat nog het meest in het oog liep waren de kruispunten van Noord-Koreaanse proporties, waar een eenzame scooter de leegte alleen nog maar benadrukte.

Opvallend was ook, en ik neem aan dat elke antropoloog of stedenbouwkundige dit zal beamen, dat bij zulke nieuwe woongebieden onmiddellijk een nieuwe sociale orde ontstaat. Of in elk geval zichtbaar wordt, want een sociale onderklasse die opruimt wat de bevoorrechten laten liggen komt natuurlijk niet zomaar uit de lucht vallen. Die is er altijd, in de marge, overal. Ook in ons welvarende Nederland, maar daar heet het eufemistisch kringloop. Want bij ons is dat een modieuze vorm van weggooien: afgedankte troep naar de kringloop brengen, want dan ben je ‘goed bezig’. En de mensen van de kringloop kunnen de afgedankte meuk vervolgens naar de vuilstort brengen. Maar hier, in China? Deze foto zegt genoeg. Ik moest mijn weg zien te vinden in een doolhof van opgebroken wegen en niet aangegeven omleidingen en kwam langs deze geïmproviseerde opslagplaats, waar een echtpaar druk doende was spullen te sorteren. Waar het allemaal vandaan kwam? Opgeraapt, langs de kant van de weg, in greppels gestort, wie weet. Kringloop op z’n Chinees.

Dan een heet hangijzer: het verkeer. Ik word er nu dagelijks mee geconfronteerd, heb als fietser per definitie een ondergeschikte rol, maar juist omdat ik die betrekkelijk kwetsbare positie heb ben ik bevoegd tot oordelen. En laat gezegd: China en Vietnam zijn een wereld van verschil. In het voordeel van China, laat dat duidelijk zijn. In Vietnam is het verkeer tot op zekere hoogte geordend, maar Vietnamese chauffeurs, vooral van vrachtwagens en bussen, veranderen in claxongeile monsters zogauw ze achter het stuur zitten. En als dan achter je zo’n luchtdruktoeter afgaat betekent het: ik kom er aan! ik wals je plat! Terwijl de claxon in China niet alleen minder hard klinkt, maar ook een andere boodschap uitdraagt, juist van vrachtwagens: niet schrikken, ik ga u nu passeren. En dat doen ze dan uiterst hoffelijk, met een zo wijd mogelijke boog, terwijl vooral de bussen in Vietnam je soms rakelings passeren.

Wat dat Chinese verkeer betreft, in Kunming zag ik iets geestigs. Stoppen bij een stoplicht? Heel goed. Maar dan voor de zekerheid tóch maar een ketting er voor. Je weet immers nooit of iemand malle fratsen uithaalt.. Maar dat doen ze niet, die Chinezen. Laten het wel uit hun hoofd. Verkeersboetes, zo vernam ik, zijn hoog en sancties zwaar. Dan blijf je wel achter zo’n ketting, ja.

Dan iets wat ik niet graag gemist had: de rijstterrassen van Yuanyang, sinds 2013 op de Werelderfgoedlijst van UNESCO. Een ontelbaar aantal spectaculaire terrassen die over de hellingen van de berg Aliao naar de oevers van de rivier de Hong lopen. In de afgelopen 1300 jaar hebben de bergbewoners van het Hani-volk een complex systeem van kanalen ontwikkeld om water van de beboste bergtoppen naar de terrassen te brengen. Een adembenemend samengaan van mens en natuur. Een wonder. En de eerste keer deze reis dat ik het betreurde niet mijn Nikon D3 bij me te hebben. Maar ja, het kreng weegt 2,5 kilo.

Wat ik deze reis, althans een deel daarvan, ook betreurd heb is het slechte weer. Veel regen, ook de locals zeggen dat het uitzonderlijk is. Wat Vietnam betreft betwijfel ik dat, juist dit jaargetijde is slecht, herinner me goed hoe Mirjam en ik in december 2014 de tyfoon uit de Filipijnen zagen naderen, in het hotel waar wij logeerden waren mannen op slippers als gekken in regen en storm in de weer met enorme rotsblokken om de kust te beschermen. Ik had het dus kunnen weten, zegt de scherpslijper in mij. Maar toch, fietsen en regen is een slecht huwelijk. In China klom ik tot bijna tweeduizend meter, gevolgd door een afdaling van 40 kilometer, van tweeduizend naar driehonderd meter. Onder normale omstandigheden een verrukking, nu een ramp. Gelukkig kon ik mij op het hoogst van de bergkam kortstondig warmen tot de afdaling begon. Eenmaal beneden, doorweekt en verkleumd, was er gelukkig de warme douche in het hotel.

China ligt achter me, ben volop in Vietnam, heb enkele dagen in Hanoi doorgebracht waar ik weer een avontuur beleefde met onze goede vriend Dong An, met wie wij jarenlang samenwerkten in de projecten die Stichting Duniya financierde. Daarover straks meer!

_________________________________________________________________________
duniya-website Ik fiets door China, Vietnam, Laos, Cambodja en Thailand een sponsorrit, Miles 4 Meals, om geld in te zamelen om ons voedselproject in India te financieren.

Wil je dit initiatief sponsoren? Graag! De spelregels vind je op de sponsorpagina van Stichting Duniya. Dank!
_________________________________________________________________________

218. Opnieuw Miles4Meals!

Eind december vertrok ik naar China voor een fietstocht die vanuit China naar Vietnam en vervolgens naar Laos, Cambodja en Thailand zal gaan. Eindpunt: Bangkok. Geschatte kilometers: 3.000. En net als drie jaar geleden rij ik een sponsorrit, Miles 4 Meals, om geld in te zamelen voor het voedselproject van onze Stichting Duniya in India.

Onze stichting bestaat binnenkort 23 jaar (!), maar de donaties lopen terug, reserves raken op, en we willen zó graag ons werk voortzetten. Dagelijks eten ruim 100 kinderen een gezonde vegetarische maaltijd op onze school in Varanasi. Niets is zo belangrijk als goed eten: met een gevulde maag kun je de wereld aan.  Dat geldt voor ons net zo goed als voor de kinderen op de school van Duniya. Daarnaast krijgen 14 alleenstaande ouderen op zaterdag een maaltijd en delen we gemiddeld 15 noodvoedselpakketten uit aan families die om uiteenlopende redenen ernstig in de problemen zijn geraakt. Deze maaltijden worden mede gefinancierd door de verkoop van de Street Food boeken van Mirjam, maar dat is niet voldoende.  Dus ga ik proberen weer geld bij elkaar te fietsen. In 2016 reed ik ruim 3.800 kilometer door Thailand, Laos, Cambodja en Vietnam. Het werd een succes: er kwam ruim tienduizend euro binnen.

Nu ben ik dus opnieuw op pad. Drieduizend kilometer, vanuit het Zuid-Chinese hoogland langs de Rode Rivier naar Vietnam, van daar over de bergen naar Laos en via Cambodja naar Thailand. Een rit die opnieuw per kilometer gesponsord kan worden. Of we opnieuw de tienduizend euro zullen halen? Meer misschien? Ik hoop het van harte.

Waarom nu pas dit bericht, als ik al een tijdje onderweg ben? Ik wist dat internetverkeer in China beperkt is, veel wordt geblokkeerd, maar hoopte dat WordPress, het programma waaronder mijn weblog draait, wel zou lukken. Niet dus. Pas nu ik de grens met Vietnam ben overgestoken is het internet weer volop te gebruiken. Na deze oproep om sponsoren te werven ga ik dan ook uitgebreid verslag doen van de reis, in woord én beeld.

Wil je mijn rit, en dus ons voedselproject, steunen? Ga dan naar het M4M formulier op de website van Stichting Duniya om aan te geven voor welk bedrag je je garant stelt. Eén cent per kilometer? Twee cent, ’n dubbeltje, of misschien zelfs een euro? Op basis van jullie toezeggingen kunnen we laten zien wat het totale bedrag zal zijn als Bangkok bereikt wordt. Ik op mijn beurt garandeer dat het totaal aan kilometers nooit meer zal zijn dan 3.000, en afrekenen doen we pas als de rit volbracht is. Rij ik minder kilometers, stellen we de toegezegde bedragen vanzelfsprekend naar beneden bij.

Op onze Facebookpagina en natuurlijk dit weblog zal ik verslag doen van mijn reis. En als je wilt weten waar ik op dit moment ben, klik hierboven op de pagina  En waar is hij?

Dank bij voorbaat als je meedoet. En bedenk: alle kleine beetjes helpen (maar grote beetjes helpen meer!)

Dit was vorige week in China, op een hoogte van bijna tweeduizend meter. Koud! De wollen muts en handschoenen zijn nu in Vietnam niet meer nodig, maar daar kwamen regenjack en paraplu voor in de plaats: het heeft de afgelopen dagen onafgebroken geregend. Noodgedwongen heb ik een pauze moeten inlassen. Maar het lijkt op te klaren, en ik heb goede hoop dat het morgen weer verder kan.

217. Op Herhaling

Vorig jaar ben ik er met open ogen ingetrapt: een vuistdik boek met de wervende titel 1000 plekken die je écht gezien moet hebben. Vooral dat accent op echt deed het ‘m, het kietelde dat onbestemde verlangen naar verder en mooier, zelfs bij een doorgewinterde reiziger als ik. Toegegeven, het lag bij de Witte Boekhandel, zo’n inloopzaak met loeiende verwarming boven de wijd openstaande deur. Alleen dat al zou een reden moeten zijn zo’n tent te boycotten, die hersenloze verspilling van kostbare energie. Bovendien verkopen ze tamelijk suspecte artikelen. Veel dvd’s over de Tweede Wereldoorlog met een grimmig kijkende Hitler op de hoes, kookboeken van het genre dertien in een dozijn en jaarkalenders met babies of honden. Maar in ieder van ons schuilt een Rupsje Nooitgenoeg, ik wilde per se weten wat ik dreigde te missen als ik dat boek niet kocht en even later stond ik op straat met een joekel van bijna twee kilo onder de arm.

Bij thuiskomst weggelegd en nooit ingekeken. Tot een paar dagen geleden. Blijkt een vertaling te zijn, oorspronkelijke titel: 1,000 Places To See Before You Die. Vroeger voldeed Napels om te zien alvorens te sterven, nu hebben we een Duizend Dingen Doel. Welaan, bladeren maar. En wat doe je in zo’n geval? Eerst kijken of er plekken bij zijn die je al kent. Die kan je dus overslaan en, belangrijker nog, je kunt meteen een fact check doen. Hoe onmisbaar zijn die plekken nu werkelijk? Niet dus. Volgens het boek behoren de Vietnamese steden Dalat, Na Thrang en Sapa tot het selectieve clubje van de duizend onmisbaren, maar ik adviseer dringend ze links te laten liggen. Dalat bestaat uit niets dan hotels, alle oorspronkelijke gebouwen zijn platgegooid en vervangen door foeilelijke hoogbouw. Na Thrang is tegenwoordig de Russische versie van de Spaanse costa’s, dagelijks landen er tien charters uit Moskou, waar je ook kijkt zie je vierkante karpatenkoppen en gouden halskettingen. En Sapa? Het boek noemt het ‘het meest pittoreske stadje van het land’, en misschien was het dat, ooit, toen het nog als hill resort voor de Fransen diende, met chique villa’s en thee drinken met uitzicht op de vallei. Maar nu? Alles ademt toerisme en bedelende etnische minderheden uit de omringende bergdorpen gaan tegen betaling op de foto. En wat moet de reiziger in Nederland bezoeken alvorens hij de laatste adem uitblaast? Amsterdam, Delft, Kröller-Müller, het Mauritshuis en de TEFAF, de jaarlijkse kunstbeurs in Maastricht. Tja…

Ik zat met dat boek en vroeg me af: waarom moeten het duizend bestemmingen zijn? Waarom geen lijstje van tien, vijftien? En dan, hoe subjectief ook, het állermooist denkbare? Maar dat werkt niet. Tien, vijftien is niets. Het moet véel. We leven in een tijd van grenzeloos consumentisme en, zo mogelijk nog erger, een overdaad aan prikkels. Er is van alle kanten een bombardement aan indrukken, meningen, alles moet gedeeld en wel zo snel mogelijk. Je kunt een NOS-alert op je telefoon installeren zodat je elk moment van de dag weet wat volgens de redactie het weten waard is. Meisje vermoord. Belgische regering afgetreden. Kromowidjojo zwemt een gouden plak. Maar willen we dat weten? Hebben we die eindeloze stroom informatie nodig om ons, ja, wat eigenlijk, om ons beter te voelen? Geïnformeerder? Meer deel uitmaken van de maatschappij? Een mening hebben?

Aan mijn prikbord hangt sinds maanden een column van de voormalige NRC-columniste Lamyae Aharouay. ‘Ik hoef niet meer zo nodig iets te vinden’ luidt de kop, en helemaal los van haar betoog, het ging mij om die stellingname: ik hoef niet meer zo nodig iets te vinden. En ik wist: dit geldt ook voor mij. Ik wil wel geïnformeerd blijven, wil het niet doen zonder de columns van Tommy Wieringa, de duidingen over het Midden-Oosten van Carolien Roelandts of de artikelen over Afrika van Koert Lindijer in NRC. Maar een méning ergens over hebben en die vervolgens vlammend uitdragen in gesprekken of debatten of desnoods dit blog, daar heb ik geen zin meer in. Mijn jaren als journalist liggen ver achter mij en dat is maar goed ook, want ik weet werkelijk niet hoe ik mij staande zou moeten houden in deze moderne tijd waarin iedere jan doedel een mening heeft en die ongecensureerd op deze of gene ‘sociale media’ kwakt. Nee, ik hoef niet meer zo nodig een mening te hebben. Liever wil ik gewoon weten. En verder wil ik rust in mijn kop.

Groot was dan ook mijn genoegen toen ik in Volkskrant Magazine dit stukje las van een mij onbekende heer Mijksenaar. Ging het warempel over diezelfde duizend plekken, en de man hield een pleidooi voor minder tot je nemen, minder van alles, maar wél intenser. Films, reizen, boeken…

Die laatste alinea, dat het veel leuker is om boeken die je al kent te herlezen dan op jacht te gaan naar nieuwe boeken, was me uit het hart gegrepen. Maandag moest ik in Den Haag zijn en op de terugweg naar de parkeergarage wandelde ik een boekhandel binnen. Stapels, stápels. Een gevoel van machteloosheid overviel me. De verleiding is groot, hoe vaak al kwam ik thuis met drie, vier nieuwe titels? En nog steeds liggen ze ongelezen, geen tijd, teveel anders, reizen, werk. Daarom nam ik ter plaatse de beslissing dat er in het komende nieuwe jaar geen boeken meer worden gekocht. Liever ga ik op herhaling, herlees ik wat ik ken en wat me beroerde. In de woorden van Hans Lodeizen: ‘Al het schrijven wat niet op de een of andere manier helpt te leven, is vergeefs.’ Daarom wil ik herlezen. Om te beginnen Narziss und Goldmund, mijn beduimelde editie van ruim veertig jaar geleden die mij in herinnering zo dierbaar is.

Betekent dit dat ik nu stilletjes thuis achter de boeken verdwijn? Niets daarvan. In tegendeel, over een paar dagen vertrek ik weer naar Azië voor een lange fietsreis, vanochtend bracht ik mijn trouwe Santos al naar Schiphol, hij staat ingepakt in het bagagedepot op me te wachten. Drieduizend kilometer, van Zuid-China via Vietnam, Laos en Cambodja naar Bangkok. Het wordt wederom, net als drie jaar geleden, een sponsorrit voor onze Stichting Duniya. Later meer!