236. Duniya en Corona

Alleen al die angstaanjagende koppen in de media. ‘Ecuador: wanhopige familieleden laten lichamen achter op straat’ schrijft de Volkskrant, en NRC ‘Spanje meldt hoogste aantal doden in een etmaal: 950’, waarmee de Spaanse teller de tienduizend gepasseerd is. Als bijvangst in NRC: ‘Wimbledon voor het eerst sinds Tweede wereldoorlog afgelast’.

Zojuist checkte ik de website van de WHO, waar de cijfers van wereldwijd geïnfecteerden en doden worden bijgehouden. In mijn vorige column van 23 maart noteerde ik 14.510 doden. Vandaag zijn het er 42.000. Dit zijn barre tijden, vrienden. ‘Alsof je in een film terecht bent gekomen’ hoor je wel eens zeggen, en precies zo is het. Maar dan een film met een krankzinnig script waar geen regisseur of producent zijn vingers aan zou willen branden, zo over the top als het is. En toch is het waarheid. Ongelofelijk, maar waar. Dit is wat het is, en met die beangstigende werkelijkheid moeten we leren leven. Kwestie van aanpassen, en zolang we niet in lockdown zitten geldt voor ons de maatregel zo weinig mogelijk onder de mensen komen, en als je boodschappen moet doen aan die anderhalve meter denken. Vanochtend in de buurtwinkel zag ik dat het prima lukt, het gaat als vanzelf, niemand heeft die strepen op de grond nog nodig.

Maar een grote zorg, en nu spreek ik namens onze Stichting Duniya, is de situatie in India, in de sloppenwijk Nagwa waar, zoals de meesten van jullie weten, wij sinds 1996 onderwijs en elementaire gezondheidszorg bieden. Voor de bewoners van de wijk, en dus ook de kinderen die op onze school gaan, is het uur nul aangebroken. Voor wie het ontgaan is: vorige week kondigde de Indiase premier abrupt een landelijke lockdown aan, waarmee eenvijfde van de wereldbevolking nog dezelfde dag in quarantaine werd gezet. Drie weken lang mogen Indiërs hun huis niet uit. De maatregel van premier Modi is uitermate drastisch, maar ook begrijpelijk. Econoom en epidemioloog Ramanan Laxminarayan betoogde in The New York Times dat er simpelweg geen andere keuze was. Volgens zijn rekenmodel zou het land in juli al 500 miljoen coronabesmettingen kunnen hebben. Enerzijds komt dat door de dichtheid waarop mensen op elkaar wonen, denk aan de sloppenwijken zoals Nagwa, maar anderzijds ook vanwege de slechte gezondheid in India. Miljoenen kinderen zijn ondervoed, waardoor infecties zich relatief makkelijk kunnen verspreiden. Goed, klare taal, en dan lijkt de lockdown een goede oplossing. De kinderen die bij ons naar school gaan zijn niet ondervoed, ze krijgen elke dag een stevige maaltijd. Waarmee ze natuurlijk niet gevrijwaard zijn van ziektes. Maar waarom is er in plaats van de rigoureuze lockdown niet gekozen voor een tussenstap om de boel te vertragen? Geen massabijeenkomsten, geen overvolle bussen, afstand houden van elkaar. Kortom: vertragen, en daarmee de piek afvlakken. Maar het gaat hoe dan ook komen, onherroepelijk, het virus stoppen is onmogelijk. Volgens epidemiologen zal de eerste golf van infecties al 55 procent van de Indiase bevolking raken. En dat in een land waar ruim meer dan de helft van de bevolking onder de armoedegrens leeft.

De eerste week van gedwongen quarantaine in onze wijk Nagwa is nu voorbij, en de berichten zijn slecht. Mensen worden gedwongen binnen te blijven, maar voor veel ouders van de kinderen die naar onze Duniya Foundation school gaan is dit nauwelijks een optie. De meeste hebben een baan als dagloner. Ze scharrelen hun kostje bij elkaar als riksjafietser, straatverkoper, vuilnisman, huishoudster of bouwvakker en een dag niet werken betekent geen inkomen, en geen geld betekent geen eten. De meeste vaders of moeders in Nagwa hebben gemiddeld vijf monden te voeden en na deze eerste week wordt het nijpend. De reserves, zo ze er al waren, raken op en er is nauwelijks of geen overheidshulp. De inwoners van Nagwa hebben niet de luxe van pensioenen, ziekteverlof of welke ziektekostenverzekering dan ook, en van een werkeloosheidsuitkering kunnen ze alleen maar dromen. Kortom: ze staan met de rug tegen de muur. Intussen is het bewonderenswaardig hoe met name de vrouwen van de wijk met de moed der wanhoop de situatie te lijf gaan. Als vanzelf wordt er aan oplossingen gewerkt, het is ontroerend te zien hoe de naaisters van wat ooit het atelier van Duniya Decoration was, uit eigener beweging mondmaskers zijn gaan maken, die ze vervolgens in de wijk uitdeelden. Het zal niet helpen het onzichtbare monster Covid-19 te verbannen maar alle beetjes helpen en iets is beter dan niets.

Maar er is een ander probleem. Hoe gaat het in India met de handhaving van wettelijke maatregelen, zoals in dit geval het verbod de straat op te gaan? De machtsverhoudingen in het dagelijkse leven in India gaan langs zichtbare én onzichtbare lijnen. Sociale hiërarchie, kastenverschil, het bestaat nog steeds en in een situatie als deze kan het bar en boos zijn als het om handhaving gaat. Onderstaande foto, die ik op internet vond, laat zien welke uitwassen tot de normaalste zaak van de wereld horen in India. Op de foto zien we met stokken bewapende ordetroepen van de Civil Defence die burgers, die zich kennelijk niet aan de lockdown hielden, publiekelijk bestraffen. In dit geval moeten de onfortuinlijke kerels als kleine kinderen bij wijze van straf kniebuigingen maken, waarbij ze hun oren moeten vasthouden. Wat voor of na het maken van deze foto gebeurd is, wie zal het zeggen? Kans is groot dat ze een ongenadig pak slaag hebben gekregen, de lathi, waarmee de ordebewaarders gewapend zijn, is een gevreesd wapen. Mirjam en ik hebben meermaals in Varanasi gezien hoe politieagenten genadeloos optraden tegen burgers die in hun ogen iets verkeerd deden. Met schuim op de mond rammen ze er meedogenloos op los, soms drie, vier volwassen kerels die in blinde razernij inslaan op een man die zich niet verdedigen kan, het is te gruwelijk voor woorden, en in éen geval stond het slachtoffer niet meer op. Murw gebeukt lag hij levenloos op straat en werd afgevoerd in een ambulance.

Wij maken ons dus grote zorgen hoe het de bewoners van Nagwa zal vergaan. Die arme drommels die de straat niet op mogen vanwege de lockdown, en als ze deze pummels van de Civil Defence tegenkomen, dan is hun kostje gekocht.

Wat nu met de mensen die in onze wijk wonen? De kinderen die niet naar school kunnen, geen dagelijkse maaltijd krijgen, wat te doen? Hoewel het coronavirus een ramp is die de hele wereld treft, hebben we besloten om te proberen voor ‘onze mensen’ in Nagwa een noodfonds in het leven te roepen, een financiële buffer om de families te ondersteunen van de kinderen die bij ons naar school gaan en voor de ouderen die elke zaterdag bij ons komen. In totaal proberen we de komende weken (maanden?) 127 gezinnen te ondersteunen. Op dit moment is het nog steeds onzeker hoe we kunnen helpen: we zoeken uit of we voedselpakketten mogen verdelen. Of misschien onze school gebruiken als distributiecentrum. We hebben dagelijks contact met onze medewerkers in Varanasi en zullen ondertussen dit noodfonds opbouwen. We zijn gedwongen binnen de door de Indiase overheid opgestelde regels te opereren en die zijn heel streng en op sommige punten nog onduidelijk.

Voorlopig zetten we in op basispakketten voor 127 gezinnen. In zo’n pakket zitten: rijst, linzen, meel, olie, mondkapjes, zeep, een anti-muggen middel, vitamine C, aardappels, ui, thee en suiker. Dit komt neer op circa € 43 per gezin per maand (circa € 5.500 voor 127 gezinnen). We beginnen met een noodfonds voor 2 maanden: € 11.000.

We realiseren ons heel goed dat voor velen van ons de toekomst onzeker is. We zijn met z’n allen in een krankzinnig en angstig verhaal terecht gekomen en proberen er het beste van te maken. Misschien zit je nu thuis zonder werk of heb je een ziek familielid te verzorgen. Misschien kun je je eigen ouders niet bezoeken of heb je je zaak moeten sluiten. We zijn ons de situatie terdege bewust en toch hopen we dat je ons wilt helpen om dit Nagwa Noodfonds op te bouwen. Het gaat hier om gezinnen die letterlijk niets hebben om op terug te vallen. Voor wie een lockdown niet betekent dat je een avond Netflix gaat kijken, maar voor wie dit de realiteit is: met bloedhete temperaturen, zonder airconditioning of stromend water in een krakkemikkig huisje zitten, zonder koelkast of goede medische zorg, zonder eten of sociaal vangnet zien te overleven. Het coronavirus is voor ons allemaal een angstaanjagende realiteit waar we mee moeten dealen. Maar voor deze gezinnen, de families van de kinderen die al jaren bij ons naar school komen, is dit een drama waar ‘social distancing’ geen optie is zonder onze hulp.

Hier is de link naar de website van Stichting Duniya waar je kunt doneren. Het is ambitieus, om elfduizend euro (!) bij elkaar te schrapen, maar als we daarmee de families van onze schoolkinderen kunnen ondersteunen, dan gaan we het in elk geval proberen. De actie is sinds gisteren in de lucht en we hebben op dit moment bijna € 2.500 euro toegezegd gekregen. Doe je mee?

235. Op de tast, door de mist

Als ik dit schrijf zijn we al een tijdje onderweg met de nieuwe Corona-realiteit. En om meteen maar met de deur in huis te vallen: nee, het lijkt niet alsof het oorlog is, en nee, sociale distantie en vrijwillige quarantaine is niet alsof je in het Achterhuis zit. Ik bedenk deze twee opmerkingen niet, maar hoorde ze in een van die straatinterviews waarmee de publieke omroep z’n berichtgeving lardeert. Op afroep krijg je dan zo’n ontevreden Nederlander die politici zakkenvullers noemt en bij wie het ‘ik maak zelf wel uit wat ik doe’ in de mond bestorven ligt. En dus de huidige crisis ‘oorlog’ noemt en het advies om waar mogelijk afzondering in acht te nemen om daarmee de kans op besmetting voor jezelf én anderen te verkleinen ‘overheidsbemoeienis’ vinden, ze gaan toch niet de hele dag thuis zitten? Lijkt wel het Achterhuis!

Toegegeven, social distancing is niet niets, en als dat om welke reden dan ook niet kan of als je per se naar de bouwmarkt wilt of wc-papier kopen probeer dan in elk geval onderling anderhalve meter afstand te bewaren. Hoe moeilijk kan het zijn? Maar ook dat is voor veel landgenoten een brug te ver. ‘Dat bepaal ik zelf wel’ was het snerende commentaar van een 82-jarige televisiekijker toen hij Rutte hoorde zeggen dat er maatregelen genomen moesten worden om de risico’s van besmetting zo klein mogelijk te maken. Ik zag hem gisterenavond in Zondag met Lübach. Uitzending gemist? Kijk hier het fragment terug. Het is niet alleen geestig, het laat ook zien hoe lógisch het is om onderling anderhalve meter afstand te bewaren. En hoe makkelijk.

Anderhalve meter afstand… wij hebben het voordeel dat we al in afzondering leven in ons boerderijtje in Friesland, dus social distancing is voor ons een dagelijkse werkelijkheid ook zonder Covid-19. Maar die enkele keer dat we ons onder de mensen begeven als we naar de Spar gaan in het verderop gelegen Echtenerbrug, want aan hamsteren hebben we natúúrlijk niet gedaan, dan houden we netjes rekening met eventuele andere klanten. Winkelier Egbert maakt het ons heel makkelijk met de mantra anderhalve meter afstand:

Serieus nu. Ja, nog serieuzer, want laten we wel wezen, het zijn natuurlijk barre tijden. Dit is een realiteit waar niemand ervaring mee heeft, er hangt de sfeer van onvermijdelijk onheil, op de tast moeten we onze weg zien te vinden, als schippers in de mist. Wat we op de televisie zien tijdens het journaal, staat ons dat ook te wachten? Legervoertuigen in de Italiaanse stad Bergamo die in het holst van de nacht lijkkisten met gestorven coronapatiënten ophalen omdat de overvolle crematoria het niet meer aankunnen. Met honderden per dag sterven ze, in Italië en Spanje. Wie had dat tien, zes, of zelfs maar twee weken geleden kunnen denken? Ik niet. Ik zat nog in Thailand, las de engelstalige dagbladen, waar doemverhalen de voorpagina sierden. ‘Chiang Mai is a ghost town’ kopte de Bangkok Post, met daaronder een verhaal hoe de Noord-Thaise stad, die qua toerisme goeddeels afhankelijk was van Chinese groepsreizen, uitgestorven leek nu de Chinezen thuis bleven.

Chiang Mai was toevallig de stad waar mijn tocht was begonnen en ook zou eindigen. Ik had, toen ik eind december aankwam, de Chinezen gezien, met mondkapjes scharrelend langs de eetstalletjes van de avondmarkt. Die mondkapjes hadden niets met het coronavirus te maken, dat dragen Chinezen altijd, volgens mij slapen ze met zo’n ding. Het was 27 december, de wereld wist nog van niets, het zou nog vier dagen duren tot de eerste meldingen van een ongebruikelijk felle longontsteking in de Chinese stad Wuhan aan de WHO gemeld werd. Aanvankelijk werd aan SARS gedacht, een paar dagen later bleek het een onbekend virus, dat op 11 januari zijn eerste slachtoffer eiste. Krap tien weken later staat de teller wereldwijd op 14.510 doden en meer dan 332.935 geïnfecteerden (bron: WHO). Nee, dat wisten we niet, tien, zes of zelfs maar twee weken geleden. Want toen ik begin maart in Chiang Mai mijn tocht beëindigde was het, wat de kranten ook mochten schrijven, alles behalve een ghost town. Toegegeven, geen enkele Chinees. In plaats daarvan westerlingen, de avondmarkt krioelde er van, en geen mondkapje te bekennen.

Op vier maart in het vliegtuig naar Hong Kong was het al heel wat grimmiger. Niet alleen Aziatische passagiers maar ook heel wat westerlingen droegen mondbescherming. Ik dus ook. Van onderlinge afstand was geen sprake, social distancing moest nog worden uitgevonden. Verbeelde ik het mij, of namen mijn buren in het vliegtuig toch een beetje afstand? Kon ook aan hun genegenheid liggen, de hele vlucht naar Hong Kong zaten ze over een iPad gebogen, keken gezellig samen een film.

Het is nu maandag 23 maart, vroeg in de avond. De gebeurtenissen volgen elkaar op in razend tempo, en laat gezegd: de omvang van de corona-epidemie is onbevattelijk, en heeft onze levens volledig op de kop gezet. Een week geleden werd plotsklaps de oekaze uitgevaardigd dat alles waar groepen mensen samen konden zijn, gesloten moest worden. Restaurants, café’s, bioscopen, theaters, de hele bliksemse boel moest dicht, en wel meteen. Om half zes kwam het op televisie in een ingelaste nieuwsuitzending, om zes uur moest alles dicht. Wij dachten meteen aan Jan en Sjoerd, de eigenaren van eetcafé Dikke Tut in het dorp. Wat een klap moest dat zijn voor ze, wat eens schrik. Geen inkomsten en toch personeel doorbetalen? Mirjam en ik waren al wel een beetje gewend aan het wegvallen van werk, afspraken in het buitenland moesten we afzeggen, het begon met Israel, waar we begin april heen zouden voor ons BROOD-project. Daar ging opeens de grens dicht, iedereen die het land in wilde moest eerst 14 dagen in quarantaine. Streep door de rekening, per e-mail alle afspraken afzeggen. Daarna ging het snel, andere landen volgden, we leerden een nieuw begrip, lockdown. Hoewel, helemaal nieuw was het niet, na nine-eleven werd een driedaagse lockdown van het Amerikaanse luchtruim ingesteld. Nu trof het ons, Europa. Maar waarom deden niet alle landen van de Europese Unie hetzelfde? Waar was de eenheid? De een deed zus, de ander zo. Misschien moeten we niet proberen alles te begrijpen, er zijn al zoveel vragen en er zal ook in alle parlementen van de lidstaten over gediscussieerd worden, hoe ver kunnen ze gaan met het inperken van burgerrechten? Taiwan, Zuid Korea en Hong Kong lieten zien dat een stevige aanpak resultaat biedt. Doortastend en streng moeten regeringen zijn als de bevolking zelfs de simpelste adviezen zoals een anderhalve meter afstand niet opvolgt. En Nederland staat pas aan het begin. Eind deze week wordt een omslagpunt verwacht, dan worden we overspoeld met zieken die twee weken geleden besmet raakten en komen we IC-bedden tekort. En dan, en dan… een columniste in NRC schreef: ‘Straks rijden ook hier de lijkwagens door de straten, gaan er dagelijks honderden doden vallen. Er is geen ontkomen aan, er zijn niet genoeg spullen, niet genoeg mensen.’

Update, 20:45 uur: leden van het kabinet hebben eerder vanavond een persconferentie gegeven over verdergaande maatregelen. Ja, het wordt strenger. Nog geen lockdown, maar Rutte dreigde: als deze maatregelen niet worden opgevolgd, gaat de zaak op slot. Wat gaat gebeuren? Samenkomsten van meer dan drie personen worden verboden tot 1 juni. Burgemeesters krijgen via een noodverordening mogelijkheden om beter handhaven, zoals sluiting van stranden en campings. Er komen forse boetes op groepsvorming en andere overtreding van de regels, waaronder het niet in acht nemen van de anderhalve meter afstand onderling (!). Ook de thuisisolatie wordt aangescherpt: wanneer één persoon in een huishouden koorts heeft, moet iedereen thuisblijven. Wel mag één persoon boodschappen doen. Alleen voor mensen met cruciale beroepen wordt een uitzondering gemaakt.

Is het acceptabel dat een overheid zijn burgers zo beknot? Als rechtgeaarde sociaal-democraat ben ik geneigd te zeggen: nee. Maar nood breekt wet, letterlijk. We leven in onbevattelijke tijden, er is nu geen tijd voor tegenstribbelen of dwarsliggen. Samen de schouders er onder, en doen wat we afspreken.

In tijd van nood grijpt men naar literatuur, dan wordt bevestiging gezocht in wat was en beschreven werd. Mij roept het De Stad der Blinden van de Portugese schrijver José Saramago in herinnering, het beklemmende relaas van een plotselinge ziekte die Lissabon in zijn greep krijgt: mensen worden om onverklaarbare reden plotseling blind. Wat volgt is een reeks verbijsterende gebeurtenissen die al gauw apocalyptische vormen aannemen. De blindheid is besmettelijk, na korte tijd ziet een groot deel van de bevolking van Lissabon niets meer. De blinden worden in een ziekenhuis geïsoleerd, waar zich al gauw vreselijke taferelen afspelen. De machtsstrijd zowel binnen als buiten het ziekenhuis stelt de vraag naar goed en kwaad, naar de grenzen van de (on)menselijkheid. Een verbluffend boek, ik las het in 1998, misschien is dit het moment het te herlezen?

Ook opeens breeduit in de aandacht: De Pest, van Albert Camus. De man die de absurditeit van het leven tot leidraad van zijn werk maakte, maar desondanks zei dat we het leven moeten ingaan en de wanhoop geen kans geven, want uiteindelijk is het leven wel de moeite waard. Zei de man die op 17-jarige leeftijd open tbc kreeg en werd opgegeven door zijn artsen. Maar zie, hij genas en leefde vanaf dat moment in wat hij noemde geleende tijd. Misschien daarom dat de rode draad in zijn werk de absurditeit van het leven was? Ik vond in mijn bibliotheek een beduimelde uitgave van La Peste, een Livre de Poche van uitgeverij Gallimard uit 1961. Geen idee hoe ik er aan ben gekomen, en ik weet zeker dat ik het niet gelezen heb, mijn Frans is verre van toereikend. Ook heb ik een Nederlandse uitgave, mijn naam staat er in, gekocht in 1979. Gelezen? Heb er geen herinnering aan. Ik weet dat het boek in 1947 werd uitgegeven, Camus schreef het tijdens en kort na de oorlog, naar ik begrijp moet het gelezen worden als een reële weergave van wat een samenleving gebeurt als de pest uitbreekt, maar het is ook allegorisch, verwijzend naar de Duitse bezetting. Misschien is het verstandiger het als een meer universele allegorie van het kwaad te lezen. Of toch gewoon over de pest? Een verschrikking die ons, net als het coronavirus nu, overvalt zonder dat we begrijpen wat er aan de hand is, en als we eenmaal begrijpen wat ons gebeurt kan het te laat zijn. In die zin is de laatste alinea beklemmend omdat ze rechtstreeks verwijst naar wat ons nu overkomt en moeten we het als onverholen waarschuwing lezen:

Want hij wist (…) dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht een dag zal komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een gelukkige stad.

234. Een Hond vol Tanden

Nu dit waarschijnlijk mijn laatste grote fietstocht door Zuidoost-Azië is, wilde ik een stuk schrijven over de Mekong. Hoogste tijd voor een eerbetoon aan en afscheid van de rivier wiens mythische klank mij sinds mijn dromerige jeugdjaren gefascineerd heeft en misschien, onbewust, de reden is geweest dat ik zo graag door dit deel van de wereld reisde. Laos, Thailand, Cambodja, Vietnam… overal kwam ik haar tegen, zat aan haar oever, keek hoe ze loom en breed stroomde of zich als een ontketende furie over rotsen stortte en een waterval creëerde mooier nog dan de Zambezi bij Victoria Falls. Nee, onzin, die heb ik gezien en niets kan die vergelijking doorstaan, maar in her own right is Mae Khong een onweerstaanbare rivier, en ze verdient een apart verhaal. Maar nu nog niet. Eerst moet ik meer research doen, niet zozeer haar geschiedenis, ik ken prachtige anecdotes en verhalen waarin ze de hoofdrol speelt, maar over de invloed van China, de reeks stuwdammen die deze onstuitbare grootmacht in de Mekong bouwt en wie daarvan profiteert. En belangrijker: wat de gevolgen daarvan zijn voor de bewoners van het gebied stroomafwaarts. Desastreus, zoveel is nu al duidelijk.

Tot dan, als eerbetoon aan die onvoorspelbare, verrukkelijke dame Mae Khong, een foto die ik onlangs van haar maakte in Laos. Hoe breed en schitterend ze is, met al die eilandjes en rotsen. Haar te bevaren vereist stuurmanskunst, maar echt overwonnen heeft niemand haar ooit. Dat gaan de Chinezen nu doen, met grof geweld. Helaas.

De reis zit er bijna op, nog ’n dag of twee, drie te gaan en ik ben waar ik eind december begon: Chiang Mai. Dan is de cirkel compleet. Hoewel, cirkel… ‘volmaakt ronde, gesloten lijn’ zegt het verklarend woordenboek, en daar is bij mij wel wat op af te dingen. Grillig, vol butsen en deuken en nog onderbroken ook, want tot twee keer toe nam ik een boot, waarvan één keer over diezelfde Mekong, waar ze de grens vormt tussen Thailand en Laos. Heerlijk, fiets en spullen in de boot sjouwen, vastsjorren, je weet immers nooit of er onderweg stroomversnellingen zijn, en trossen los. Puriteinse lange afstandsfietsers vinden dat zoiets niet kan, een fietser moet fietsen en daar past geen bootje bij. Zo heb je ook van die fietsers die vinden dat je onder alle omstandigheden in het zadel moet blijven en trappen als je tegen een steile heuvel op moet. Niks afstappen en duwen, maar trappen in het kleinste verzet net zolang tot je boven bent. Onzin natuurlijk, en (voor mij althans) fysiek onmogelijk. Lange benen betekent lange spieren en die kunnen dat soort krachtsexplosies niet aan. En leeftijd, tja, dat speelt zo langzamerhand ook een rol. En reken maar dat ik wat heuvels en bergen bedwongen heb in de loop der jaren, of dat nou trappend of duwend was. Raar woord trouwens, lange afstandsfietser. Lange hoort bij afstand, niet bij fietser, dan gaat het over lichaamslengte, terwijl het over afstand gaat. Of zit het hem in de ‘s’ van afstandsfietser, dat lange bij afstand hoort? Hmm, zal wel een antwoord op komen denk ik.

Elke dag dat je onderweg bent maak je van alles mee. Hoeft niet wereldschokkend te zijn, maar er zijn tientallen dingen die het vermelden waard zouden zijn, omdat de wereld hier toch aanzienlijk verschilt van wat we van thuis kennen. En, terugkoppelend naar waar ik het in mijn vorige bericht over had, als fietser zie je sowieso meer, en al die indrukken die je binnen krijgt zijn aan het eind van de dag alweer deels vergeten, want een normaal mens kan zo’n stapel indrukken niet onthouden. In je hoofd is het een soort lasagne, steeds een nieuwe laag, en op het laatst ben je wat onderop zit vergeten. Tenzij je er een foto van maakt. Dat is voor mij ook het criterium. Is iets de moeite waard om af te stappen en een foto te maken? En dan niet per se omdat wat je ziet mooi is, maar wel kenmerkend voor waar je bent. Ik zal er een paar uitpikken.

Voor de hier volgende foto hoefde ik niet af te stappen, het was pal tegenover het guesthouse waar ik sliep, ’s nachts wakker geworden door hartverscheurend gekrijs van varkens, waarop meteen van overal blaffende honden bijvielen. Een gordijn van lawaai, moest vlakbij zijn. Ik stond op, ging naar het raam, maar niets te zien. Ik schat dat het tien minuten geduurd heeft, toen vielen de varkens stil en zwegen ook de honden. De volgende ochtend zag ik bij de overbuurman wie het rumoer veroorzaakt had.

In Laos kom ik op een ochtend langs een klein dorp. ’n Paar huizen links, rechts is geen bebouwing mogelijk, daar stroomt in de diepte de Nam Beng rivier, die verder oostwaarts in de Mekong opgaat. Hoewel, stromen is een groot woord, de rivier staat bijna droog. Later zal ik de eerste van meerdere door China gebouwde waterkrachtcentrales zien. Maar nu is er dat dorp. Tientallen jonge kerels zijn met vereende krachten bezig een houten huis te verplaatsen, ze hebben hun schouders onder de draagbalken gezet en gesterkt door hun gezamenlijke schreeuwen tillen ze het gevaarte op en zetten het een halve meter verder op nieuwe steunpalen. Een fascinerend beeld, het doet me denken aan de fameuze barn raising scene uit de film Witness, waar de mannelijke leden van een groep Amish in één dag een houten schuur bouwen. Hier gebeurt iets dergelijks, en de vrouwen van het dorp staan er omheen en roepen de mannen toe alsof ze met hun stem kracht geven. Behalve éen vrouw. Zij staat, aan haar pijpje lurkend, zwijgend toe te kijken met een blik van ‘ik heb alles al gezien’. Misschien is dat ook zo. Als ik een foto van haar maak kijkt ze vriendelijk in mijn lens. Een mooi moment, die prachtige oude vrouw met haar vredige blik, haar hele leven hier gewoond, gezien hoe de wereld verandert, de rivier valt droog, niets aan te doen, berusting.

Opnieuw Laos, diep in het centrale bergland langs provinciale weg 13 die het land van noord naar zuid doorsnijdt. Het dorp ligt op bijna 1400 meter, de ochtenden zijn koud. De kinderen zitten langs de kant van de weg, iemand draagt een dikke jas met capuchon. Krakkemikkige huisjes, gebouwd op de smalle strook tussen asfalt en afgrond. Onbegrijpelijk hoe ze hier kunnen leven. Misschien ergens een akkertje waar ze wat kunnen verbouwen, verder ademt alles armoede en afzien. Een leven zonder perspectief. Als je hier geboren bent heb je een slechte kaart getrokken. Zo zie je maar weer dat landelijke scenes fotogeniek kunnen zijn maar de werkelijkheid is weerbarstig en stroef.

Dit is een heerlijke foto. Het verhaal ligt open en bloot klaar om gelezen te worden. Probeer je voor te stellen hoe deze jonge ondernemer op een dag besloot HAIRDRESSER op de buitenmuur van zijn kapperswinkeltje te verven. Vol goede moed ging hij van start, maar bij HAIRDE wist hij dat er iets fout ging. Pakte hij de witkwast, hup alles weg, fout hersteld? Welnee. Gewoon laten staan en goedgemutst opnieuw, lettergreep na lettergreep, en toen het klaar was wist hij dat er nog steeds iets fout was. Maar wat? Hij wist het niet en liet het zoals het was. De boodschap was duidelijk, klanten komen toch wel. Zo lief.

Dit beeld in Thailand heeft me verbaasd. Ik fietste op een dag door een gebied waar veel tuinbouw was en hier en daar een veldje bloemen, van die halve struiken die, als je ze thuis in een vaas zet, niet kapot te krijgen zijn. De wegen tussen die tuinbouwpercelen waren smalle hoge dijkjes en soms stond alles vol auto’s, konden niet voor- af achteruit, iedereen wilde een wankel plekje op de rand van dat dijkje en dan togen ze naar zo’n bloemenveld en maakten onophoudelijk foto’s en selfies. Vol verbazing heb ik hier een tijdje staan kijken, het ene na het andere stel klom op dat podiumpje en maakte foto’s. Doen Aziaten sowieso, een foto is pas een foto als je er zelf op staat, en ik probeer me voor te stellen hoe dat thuis in een album terecht komt, of misschien wel vergroot aan de muur?

Een dorpje in centraal Thailand waar de bewoners lang geleden ontdekten dat vlakbij hun nederzetting een ondergrondse zoute rivier stroomde. En dat in een gebied ver van de zee. Kassa! Ze groeven schachten, haalden het water met emmers naar boven en generaties later wordt het tot de dag van vandaag op dezelfde manier verwerkt: in grote pannen gekookt tot het water verdampt is en kristalzuiver zout overblijft dat aan de lucht gedroogd wordt en ter plaatse verkocht. Een mirakel.

In het Thaise grensdorpje Ban Pak Huai kon ik voor een habbekrats een huisje huren voor de nacht. Drie bij vier meter, net groot genoeg voor bed en douche, veertien euro per nacht, perfect. En wat een welkom! Alsof de eigenaar wist dat je zou komen, bloemen geplukt en met gulle hand uitgestrooid. Niet dus. Natuurlijk wist niemand dat ik zou komen. Blijkt dat het de Gele Katoenboom is (Cochlospermum regium) die in de hitte zijn bloemen laat vallen. Vreemde snuiter, die boom. Nauwelijks blad, alle kracht gaat in die dikke gele bloemen zitten en dan laat hij ze zomaar vallen. ’s Avonds worden ze bij elkaar geveegd en weggegooid en de volgende dag begint het strooien weer van voren af aan. Een welkom voor iemand die nu nog weet dat hij daar vanavond zal zijn.

Wonderlijke ontmoeting. In een dorp aan de oever van de rivier Mae Ping zie ik deze vrouwen in de weer met stapels varkenshuid. Ze verwijderen restanten spekvet en snijden de huid tot flinterdunne strips. Wordt gefrituurd, een Thaise versnapering. Ik heb het ooit geprobeerd. Afgrijselijk. (Lees zojuist dat we het in Nederland ook kennen: knabbelspek. Gewoon te koop bij de supermarkt. Maar dat zal niet zo vettig smaken als hier in Thailand.) Een van de vrouwen, die rechts met de bril, zegt steeds Nederlandse woordjes als ze probeert Engels te praten. Blijkt dat ze jarenlang in Sliedrecht woonde met haar Nederlandse man, die niet lang geleden gestorven is. Nu is ze voor een korte vakantie terug naar haar oude dorp, zit met de vrouwen en voelt zich niet zo eenzaam. En vindt het heerlijk dat ze een Nederlander ontmoet die ze over haar gestorven man kan vertellen. Als ik afscheid neem en verder fiets hoor ik de vrouwen opgetogen lachen en snateren. Die hebben voldoende stof voor de komende dagen, weet je nog, toen die lange farang hier was met z’n fiets…

Elke dag dat je onderweg bent is het afwachten waar je een voedzame lunch kunt krijgen. Eetstalletjes genoeg, behalve in de allerkleinste dorpjes. Maar hoe bepaal je waar je afstapt? Geluk hebben, en afgaan op je eerste indruk. Ziet het er proper uit, zijn er andere klanten, zien de vrouwen in de keuken er een beetje netjes uit. Als je netjes bent op je uiterlijk ben je het ook op je eten. Bijna altijd gaat het goed, in al die jaren heb ik één keer pech gehad, verkeerd gegokt, twee dagen misère. En dat was niet eens in Thailand maar in Vietnam. Dit plekje hier was voorbeeldig. Kraakhelder, lekker in de schaduw, heerlijke noedelsoep en als toegift een gezellige kalender met een foto van koning aap.

Rubberbomen. De Hevea brasiliensis. In onze jeugd hadden we wel van Heveadorp gehoord, een woonkern voor arbeiders bij de Heveafabriek in Gelderland. Laarzen en rubberbanden werden er gemaakt. Wisten we veel dat het om een boom ging. Toch altijd weer een klein wondertje, zo’n boom die sap geeft, en daarbij is het tussen rubberbomen goed uitblazen als je moe en verhit bent van het fietsen, veel ruimte tussen de stammen en een schaduwrijk bladerdek. De Aziatische variant op ons beukenbos, wat dat betreft. Maar dan, die kerf waar dat sap uit druppelt en dat litteken in de bast, de opeenstapeling van eerdere verwondingen, want dat is natuurlijk wat het is, de boom moet bloeden. Ik stond hier in de plantage en dacht opeens: stel je hebt kleine kinderen, ze zien die bomen, wit bloed in bakjes en dat ze dan vragen: doet het de boom pijn? Was hij bang toen in hem werd gesneden? Geef daar maar eens antwoord op.

Toen Mirjam en ik voor het eerst op Lombok kwamen met de fiets, was het vooral wennen aan de kinderen. Niet alleen riepen ze allemaal Hello mister!, wat op de buureilanden Bali en Sumbawa niet gebeurde (waardoor je toch een soort Galapagos gevoel kreeg, dat op dit specifieke eiland een unieke menselijke soort leefde), maar ze stormden achter je aan, grepen je bagagedrager en rukten er aan, zodat je een gemene smak kon maken. Dat gevoel, iemand die aan je fiets rukt, had ik onlangs weer. Maar niet door een kwajongen, maar een grommende hond die zich in mijn fietstas vastbeet. Honderden honden moet ik gezien hebben deze reis, meestal languit midden op straat liggend, suffend in de schaduw. Geen enkel probleem, je rijdt er met een boogje omheen en ze slapen rustig verder. Maar dit was een andere soort. Een met een slecht humeur, die magere kuiten zag en dacht: die pak ik. Grommend en blaffend zette hij de achtervolging in, maar in plaats van mijn kuiten zette hij zijn tanden in een van mijn inmiddels twintig jaar oude Ortlieb tassen en bleef een paar meter hangen, tot hij losliet. Eenmaal op veilige afstand kon ik de schade opnemen: twee flinke gaten en een winkelhaak. En een paar dagen extra adrenaline en alert zijn op honden die, in tegenstelling tot het spreekwoord, wel degelijk blaffen én bijten.

Laos was bij vlagen loodzwaar. Hellingen van 10%, de hoogste berg (heuvel?) was 1.420 meter en soms deed ik zeven uur over krap 60 kilometer. Uitgeput kwam ik dan in een dorpje aan waar ik op zoek moest naar een slaapplaats, en dat is wonderbaarlijk genoeg elke keer gelukt. In die hoger gelegen dorpen waren de logies primitief en groezelig, maar er was geen alternatief, als ze maar een douche hadden en slapen doe je toch wel. Maar Laos was verrukkelijk mooi. Ik ben er nu vier of vijf keer geweest en elke keer is het weer raak. Meermaals ben ik afgestapt, fiets op de standaard en dan alleen maar kijken. En het besef: kijk nou waar je bent! Alsof je het zelf niet weet en je die aansporing nodig hebt, man, kijk nou, wees dankbaar dat je dit kunt doen! En dan lig je ’s avonds in je slaapzak in een beduimeld guesthouse en denkt: dit heb je toch maar mooi meegemaakt in je leven. En straks, later, als de herinnering begint te vervagen, dan heb je altijd nog de foto’s.

Hetzelfde geldt overigens voor die weergaloos mooie ruïnes van reeds lang verdwenen koninkrijken, en ik had me voorgenomen de drie belangrijkste historical parcs nogmaals te bezoeken. Tijdens vorige reizen was ik er al eens geweest, had er zulke bijzondere herinneringen aan en wetend dat dit de laatste keer was wilde ik ze nog een keer zien. En wat een feest was het, te dwalen tussen de restanten van die schitterende 13e eeuwse bouwwerken, zoals hier in Si Satchanalai, satellietstad van het grotere koninkrijk Sukhothai, sterk beïnvloed door het hindoe-boeddhistische Khmer en boeddhistisch Sri Lanka. Natuurlijk, er is van alles op af te dingen, gebouwd door megalomane heersers die het volk onder de knoet hadden, maar zo is het ook met die fantastische forten en paleizen in Rajasthan, het is geschiedenis, je bent op historische grond en kijk nou toch wat de mens vermag, deze bouwwerken, deze pracht. En geloof me: Si Satchanalai hoort hoog op de lijst van plekken die je gezien moet hebben. Daar kan geen Notre Dame of Sagrada Família tegenop.

Tot slot. Deze zonsondergang. Gisteren, in het stadje Hod in centraal Thailand, twee dagen fietsen van mijn eindpunt Chiang Mai. Vond bij toeval een schitterend guesthouse, doodstil, al wat je hoort zijn vogels en insecten, met uitzicht op eigen rijstpaddies en een heerlijke kamer waar ik een dagje extra ben gebleven om dit blog te schrijven. Gisterenavond deze zonsondergang, waar ik ontroerd naar gekeken heb, zo mooi en verstild. Zoals ze zich spiegelde in het water en langzaam achter de heuvels verdween. En ik dacht aan mijn geliefde Mirjam waar ik gauw weer naar terug ga, en de ellende met het coronavirus dat ons natuurlijk erg bezighoudt, Thailand is ook getroffen, we lezen over hoe het misgaat in Italië en hoe het zich als een olievlek uitbreidt en wereldwijd angst heerst dat er een pandemie zal uitbreken. Ik vlieg via Hong Kong terug met Cathay Pacific, de dagelijkse vlucht naar Amsterdam. Masker op in het vliegtuig? Helpt toch niet. Handen goed schoonhouden, uit de buurt van mensenmassa’s blijven (lastig in een vliegtuig) en als ik thuis ben een soort 14-daagse quarantaine in acht nemen, voor de zekerheid. Maar hoe dan ook naar huis. Naar Mirjam.