207. Nog even de Balkan

Toen we deze zomer voor ons werk naar Albanië en Kosovo gingen, dacht ik: heet de Balkan, na de verwoestende burgeroorlog van 1991 tot 1999, nog steeds Balkan? Ja dus. Wat niet meer bestaat is Joegoslavië. Als je over tien jaar vraagt wie die oorlog begon, of waardoor ze ontstond, weet niemand het meer. Nu nog wel? Welnee. Zelden was een oorlog zo onduidelijk, ik herinner me dat we destijds op de buitenlandredactie bij de VPRO zaten te puzelen hoe het eigenlijk zat daar, met dat breiwerk van landen en religieus-etnische groeperingen binnen de Joegoslavische Federatie, niemand wist het, wat een gedoe. Nu is dat Joegoslavië weer een lappendeken van individuele landen, met Kosovo als vreemde eend in de bijt: in 2008 weekte het zich los van aartsvijand Servië en riep eenzijdig de onafhankelijkheid uit.

Albanië en Kosovo: we gingen er heen voor een opdracht, moesten fotograferen en schrijven, over traditionele bakkers. Bakkers, ja. En bakkerijen, en brood. Brood! Dat oudste aller voedsels, dat ogenschijnlijk simpele mengsel van meel, zout en water, maar zó divers, zo oud, zo oer. Een heerlijke opdracht, veel reizen en mensen ontmoeten en op schitterende locaties fotograferen. Intussen, as we speak, zijn we nét weer terug uit Oeganda, Iran en Dubai. En dan krijg je weer die rariteit van de tijd, die kreupelt achter de actualiteit aan, we zitten hier en over daar heb ik nauwelijks bericht. Jammer, want het is er zó mooi. Zuid-Italië dus, en Albanië en Kosovo. Om over Oeganda en Iran nog maar te zwijgen. Met zevenmijlslaarzen dan maar, en vooral met beeld. Deze bijvoorbeeld, de houtgestookte oven in een bakkerij in het middeleeuwse Matera in Puglia, in de hak van Italië. Een reusachtige, gloeiendhete oven waar in één klap 250 broden van een kilo kunnen worden gebakken.

Dat stadje Matera is een verhaal apart, ik kan het nu alleen even aanstippen, maar wat ís het bijzonder. De stad is vooral bekend vanwege de Sassi, een wijk die goeddeels bestaat uit grotwoningen. Ooit een welvarende middeleeuwse stad met een bloeiende economie, maar raakte allengs in verval. In 1945 werd de stad aan de vergetelheid ontrukt door Carlo Levi met zijn beroemd geworden boek Christ Stopped at Eboli, waarin hij de mensonterende armoede beschreef waarin Matera’s bevolking leefde. Geen sanitaire voorzieningen of stromend water, een op de twee kinderen stierf aan malaria, ondervoeding en vervuiling. Matera kreeg de bijnaam Schande van Italië, en de bevolking werd gedwongen geëvacueerd. In de jaren zestig werd de stad herontdekt en promoveerde niet alleen tot een geliefd decor voor speelfilms (Il Vangelo secondo Matteo (1964) van Pier Paolo Pasolini, Tre fratelli (1981) van Francesco Rosi en The Passion of the Christ (2004) van Mel Gibson), maar ook tot toeristisch trekpleister van de eerste orde: de verfoeide grotwoningen van weleer zijn grotendeels verbouwd tot luxe appartementen, restaurants en hotels.

Kenden we de hak van Italië? Nee. Lang geleden kwam ik langs de andere kant van de laars, langs de westelijke kust via Sicilië naar Afrika. Nu dwaalden we door het binnenland van Basilicata, gloeiendheet, uitgestrekte landerijen, witte runderen in de schaduw van oud geboomte, reusachtige ronde hooibalen en op een richtingaanwijzer de verouderde aankondiging dat de renners van de honderdste editie van de Giro d’Italia hier zullen langskomen. Jawel, nu weten we dat onze Tom Dumoulin die editie ging winnen, maar die 12e mei in de zinderende middaghitte wist hij nog van niets en opeens sta je in de sportgeschiedenis, hier kwam hij langs, de toekomstige winnaar, op deze stille boerenweg waar Mirjam foto’s maakte van een uitbundig bloeiende berm.

Met onze vertrouwde Landrover staken we met de nachtboot van Bari over naar Albanië, waar we na een spannende bergrit in het noordelijk gelegen nationaal park Valbonëdal (Parku Kombëtar Lugina e Valbonës) in een twee huizen tellend gehucht een familie fotografeerden die, na jarenlange bittere armoede als bergboeren, nu een aardig inkomen hebben met kamerverhuur en voedzame maaltijden koken voor toeristen die wandeltochten door de Albanese Alpen maakten. Helaas hadden we veel motorpech, hink-stap-sprong gingen we door berg en dal en zochten tevergeefs ons heil bij lokale garages. Pas in Friesland werd het probleem definitief opgelost. Intussen: een reis van heb ik jou daar. Kijk nou toch, dat landschap.

In Kosovo werden we deze reis, zoals ook eerder, opnieuw geconfronteerd met die afschuwelijke geschiedenis die zoveel onschuldige burgers het leven kostte tijdens de Kosovo oorlog (1998-1999). Gjakovë, van oudsher een stad met naar verhouding weinig Servische inwoners, werd geroemd om haar culturele en religieuze tolerantie. Milošević echter zag de stad als broeinest van Albanees nationalistisch verzet en verordonneerde buitensporig harde maatregelen jegens de burgerbevolking. Op 27 april 1999 werden 372 Kosovaarse mannen en jongens uit een vluchtelingenkonvooi op weg naar Albanië standrechtelijk door Servische politie geëxecuteerd. Hun lichamen werden in het eerstbeste weiland gedumpt, waar ze nu begraven liggen. In stille verbijstering hebben we tussen hun graven gewandeld. Zoveel jong levens, weggevaagd, en voor wat?
De haat jegens de Serviërs zit er diep in, bij de Kosovaarse Albanezen. Plaatsnaamborden, traditioneel in twee talen, Albanees en Servisch, zijn er de stille getuigen van.

Ach wat hebben we rondgezworven door dat heerlijke Kosovo. Vooral het zuidelijke Prisren hebben we in ons hart gesloten. Zo vaak al waren we hier, dwaalden door de oude straten, bezochten oude moskeeën en badhuizen, waren te gast bij nieuwe vrienden, sommigen van hen droegen bij aan Mirjams vorige Streetfood boek over Kosovo en werkten ook nu mee bij het zoeken van geschikte locaties voor ons nieuwe Brood-project. En wandelend door de oude stad, her en der geïmproviseerde marktstalletjes, de late middagzon slaat lange schaduwen en zet te wereld in een goudgele gloed. Mooie, dierbare momenten zijn dat.

Tot slot nog ergens in Kroatië, op de terugweg naar huis, steeds weer deze waarschuwingsborden bij tunnels. Prijelaz za divlje zivotinje. Voor nachtelijke voetgangers, oppassen, er zitten beren en wolven in de tunnel? Een raadsel. Uiteindelijk gaf het woordenboek uitsluitsel: een wildwissel. Daaronder: zeleni most. Dat ken ik maar al te goed, Most, van de stari most, de vierhonderd jaar oude brug in Mostar. Opgeblazen in 1993 tijdens confrontaties tussen het Bosnische regeringsleger en de Bosnisch Kroatische milities. Zeleni, zo leer ik nu, betekent groen. Groene brug. Mooi. En niet bedreigend, hoe militant je ook bent. Deze brug zal lang staan, niemand zal zich eraan storen. Denk ik. Hoop ik.

206. Verwarde Consument

Laatste nieuws uit Amerika: de voedsel- en warenautoriteit FDA heeft een bakker gemaand de verpakking van z’n muesli aan te passen. Waarom? Omdat ze behalve haver en noten ook love in hun product stoppen. Want alles wat uit onze bakkerij komt wordt met liefde bereid, zegt de bakker met een knipoog, aldus de Washington Post. Maar de FDA houdt voet bij stuk. Liefde is geen ingrediënt, en dus mag het niet op de verpakking. Liefde! Hét ingrediënt van het menselijk bestaan, onderwerp van gedichten en zo’n beetje elk rock-and-roll liedje, de emotie waar Romeo en Julia voor stierven, mag niet op een pak muesli. De klant zou eens in de war kunnen raken!

Intussen in Nederland… mocht je het nieuws niet gevolgd hebben: de NVWA, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, heeft de Vegetarische Slager op de vingers getikt omdat consumenten misleid zouden worden door de naam van de vleesvervangende producten die het bedrijf aanbiedt. Zoals vegetarische Kipstuckjes, Gehacktbal en Gerookte Speckjes. Jazeker! Een bedrijf dat een schitterend, puur plantaardig alternatief biedt voor vleesconsumptie, waarvan we inmiddels dubbel en dwars weten dat het enorme milieuschade oplevert en waarvan we met grote regelmaat de gruwelijkste berichten lezen over structurele dierenmishandeling, zo’n innoverende onderneming krijgt er van langs omdat het verwarring zou zaaien bij de consument.

Verwarring? Kijk eens naar de verpakking. Hoe achterlijk moet je zijn om hierdoor verward te raken? Hoe moeilijk kan het zijn? Dames en heren: als er ‘VEGETARISCH’ op een product staat, zit er géén vlees in.

Een paar jaar geleden was dit ook al een kwestie, kwam zelfs in de Tweede Kamer, een CDA-Kamerlid protesteerde tegen de productnamen van vegetarische schnitzels en hamburgers omdat hij ze misleidend vond. Zijn bezwaren hadden geen effect, maar begin dit jaar dook het onderwerp weer op toen de Duitse minister van Landbouw pleitte voor een verbod op vleesnamen voor vegetarische producten. Meteen werd het ook in Den Haag weer een thema. “Als je iets koopt, moet duidelijk zijn wat het is”, zei Tweede Kamerlid Erik Ziengs (VVD). “Het etiket moet weergeven wat er in een product zit.” De NVWA echter zag toen nog geen reden om in te grijpen. “Dat doen we alleen als er sprake kan zijn van verwarring. Die is er wat ons betreft niet”. Waarom ze nu opeens wél overstag zijn gegaan is een raadsel. De vleeslobby zou er achter zitten, horen we her en der, maar de NVWA spreekt dat tegen. “Het is een reactie op een tip van een consument”, aldus woordvoerder Benno Bruggink. “Wat op de verpakking staat is misleidend en verwarrend, en dat is tegen de wet.”

Oh, werkelijk? Dus er móet op de verpakking staan wat er in zit? Nou, kom maar op. We hadden hier in huize Letsch en De Clercq (en ongetwijfeld in ontelbare huishoudens elders in het land, waar hele families zich op de knieën hebben geslagen van plezier om zoveel grenzeloze stupiditeit van de NVWA) binnen een kwartier een waslijst met producten waarvan de beschrijving NIET overeenkomt met de inhoud en die dús tegen de wet zijn. Pindakaas zonder kaas. Grasboter zonder gras. Zeeuwse bolussen zonder dat er ’n drol in zit. Oude wijvenkoek (huh? waar is Tante Bep gebleven?), pepernoten zonder peper en ook geen noten, vleestomaat zonder vlees, ga maar door. Het bárst er van. Autodrop, bokkenpootjes, slavinken, koetjesreep, kikkererwt, smurfenijs, tijgerbrood, babypoeder, katjesdrop, Arnhemse meisjes, kano’s, koninginnensoep, eekhoorntjesbrood …

Bij wijze van illustratie onderstaand een paar verpakkingen. Zou de NVWA voldoende humor hebben? Ik betwijfel het. En waarom ze opeens de Vegetarische slager aanpakken is intussen een raadsel. Andere producenten van vleesalternatieven, zoals Vivera, Tivall, Valess en SoyGood, lieten ze met rust. Ondernemen ze deze actie om hun geschonden blazoen een beetje op te poetsen? Immers, de Fipronil affaire ligt ons allen vers in het geheugen. De NVWA legde waarschuwingen uit België dat dit giftige product in de kippenhouderij werd gebruikt naast zich neer, en toen ze eindelijk iets deden was het te laat. Bedrijven over de kop, twee en een half miljoen kippen ‘geruimd’, zoals het eufemistisch heet, het leed was niet te overzien. En nu dus even de ‘verwarde consument’ beschermen? Onsterfelijk belachelijk hebben ze zich gemaakt. En het publiek, wij dus, moeten niet nalaten ze dat eens stevig onder de neus te wrijven. Ik roep iedereen op meldingen te doen van producten met misleidende namen: katjesdrop zonder katjes, pindakaas zonder kaas, kruidenthee zonder thee, spekjes van suiker. Of onderstaande voorbeelden. Dat kan via deze link: https://formdesk.minlnv.nl/kcdv/A_Melden_LevensmiddelenV1_Inspect. Vrienden! Burgers! Medelanders! Verzet u tegen de knoet van de NVWA!






205. Dierenleed

Een kip en een ezel? Ja. Er moest nog geschreven over pastorale kwesties, zei ik vorige keer. Onzin natuurlijk, er móet niets, en niemand zit te wachten op wederwaardigheden over kip en ezel, de een met bloedarmoede, de ander nekdiep in de modder. Hoewel? Ik neem het risico. Want geloof me, het zijn geen alledaagse gebeurtenissen.

Neem die kip. Ik zag al een tijdje hoe ze lustelozer werd, wilde niet eten, zat afgezonderd, kop tussen de schouders, nauwelijks reagerend op stem of aanraking. Ook, en dat is een veeg teken, verdween de felrode kleur uit haar kam, dat flapje op de kop. Bleek werd het, en ik wist: bloedarmoede. Enfin, kip grondig onderzocht, bleek dat ze ónder de luizen zat. Kleine grijsbruine friemeltjes, en, veel erger, ook rode. Bloedluis! Hetzelfde ongedierte dat op dat moment volop in het nieuws was, althans, het verboden verdelgingsmiddel Fipronil waarmee op grote schaal kippenstallen ontsmet waren, met alle gevolgen van dien. Twee en een half miljoen kippen afgemaakt, weg ermee, duizelingwekkende aantallen, je kunt je er geen voorstelling van maken.

Bij ons is het kleinschalig en overzichtelijk met onze tien kippen, waarvan één wordt leeggezogen door bloeddorstig ongedierte. Wat te doen? Naar de drogist, luizenshampoo kopen. Thuis een emmer lauw water, flinke dot shampoo erin en dan de kip te water. Ze is te verzwakt om zich te verzetten, misschien vindt ze het ook gewoon lekker, dat warme water en de handen die haar masseren, voorzichtig wrijven tussen de veren, onder de vleugels, overal waar het ongedierte zit. Soms doezelt ze weg in het warme water, dan weer kijkt ze om zich heen, grote ogen, wat gebeurt er met me. (Je zou er filosofisch van worden. Kan een kip denken?) Na een kwartier is het genoeg, in de keuken goed afspoelen met lauwe water, schoon is ze, nergens een luis te bekennen, later zie ik het ongedierte, drijvend in het sop. Tot slot een kleine verwennerij voor de drijfnatte zielenpoot. Ze mag niet kou vatten, verzwakt als ze is, dus onder de warme föhn. Ogen dicht, ze valt er staande bij in slaap.

En dan onze ezel Bob. Eigenlijk heet ze Priscilla, maar we noemen haar Bob. Zes maanden was ze toen ze bij ons kwam, september 1996, zo klein als een grote hond. Nu is ze een statige dame van 21 jaar die maar één wereld kent: die aan de Schoterdijk in Bantega. Zou je denken dat ze elke vierkante centimeter van haar territorium kent, dachten wij ook, maar toch ging het mis op het bruggetje naar het aangrenzende weiland waar we onze dieren af en toe laten grazen. Een onhandig manoeuvre? Of per vergissing door Lodewijk, onze andere ezel, groter en sterker dan Bob, opzij geduwd? Hoe dan ook, daar lag ze, in de prut. Ik zag het niet gebeuren, maar Chris, onze steun en toeverlaat die achter bij de stal bezig was wel. Niet gezien, maar gehoord. Plons. Paniek!

Wat te doen? Met vereende krachten geprobeerd het onfortuinlijke dier uit haar benarde positie te bevrijden, maar aanvankelijk tevergeefs. Muurvast zat ze, de modderige bodem zoog zich aan haar vast, soms probeerde ze zich met haar voorbenen omhoog te duwen maar met die smalle hoefjes in de modder, lukt niet. Een drijfzandsituatie. Door bewegen raak je verder verstrikt, maar zónder bewegen blijf je waar je bent. Ik de sloot in, voelen wat zij voelt, de zuigende kracht van modder, een onzichtbare hand die je klemvast heeft. Ik voel haar voorbenen, ze ligt op haar knieën. Probeer door eraan te trekken haar benen los te krijgen, stukje bij beetje kruipt ze richting wallenkant, maar steeds moeten we uitrusten, zo zwaar is het.

Ik klim terug op de wal, samen trekken we voorzichtig aan het halster, ezel Lodewijk kijkt verbluft toe. Bob zucht en kreunt, elke beweging valt haar zwaar, het lijkt alsof ze ook moeilijker ademt, de modder drukt op haar borstkas. En dan komt ze opeens los, ze rukt en spartelt en met al haar krachten klautert ze naar droge grond.

En dan? Wat te doen met een van ontreddering bibberende, modderige ezel? Onder de douche. Kijk nou toch hoe klein ze is, ons gevlekte meisje. Nog steeds net een uit de kluiten gewassen grote hond. Een gemiddelde ezel kan vijfendertig worden. Bob is eenentwintig, en in al die jaren één keer een onvrijwillige duik in de sloot. Statistisch gezien is de kans dat ze nog een keer zo’n uitglijer maakt klein. Daar hopen we dan maar op. En dat we thuis zijn, mocht het nog een keer gebeuren.