237. Vrede sluiten met verlies

Zo luidde de kopregel boven een column van Maxim Februari in NRC, alweer een paar weken terug: vrede sluiten met verlies. Of beter, de volledige kopregel was: we zullen vrede moeten sluiten met verlies. Het ging ondermeer over de onvermijdelijke krimp van de economie door de coronacrisis, een hecht doortimmerd stuk zoals we van hem gewend zijn, maar ik bleef hangen op die paar woorden die zich lieten lezen als een dichtregel: vrede sluiten met verlies. Want het dwingende ‘zullen moeten’ bezwaart alweer, en het is al moeilijk genoeg, vrede sluiten.

Over dichtregels gesproken: zijn er gedichten die zo beginnen? Met ‘vrede’ in de aanhef? Als altijd grijp ik terug op de dichtkunst, alsof daarin het antwoord op levensvragen besloten ligt. Is ook zo, voor mij althans. Al te vaak vind ik er troost, maar bovenal de schoonheid van het woord, het beeld dat wordt opgeroepen en uiteindelijk de betekenis die het insluit. Niet voor niets schreef Gerrit Komrij zijn kleinood ‘Poëzie is Geluk’.

Dus, terug naar de vraag: zijn er gedichten die zo beginnen? Waar vrede het thema is? Het enig echte vredesgedicht in de Nederlandse taal dat me te binnen schiet moet dat van Leo Vroman zijn. Wie kent zijn beroemde regels niet? Kom vanavond met verhalen / hoe de oorlog is verdwenen, / en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen. Maar wie van ons weet dat het de slotregels zijn van een lang gedicht uit 1954 dat inderdaad Vrede heet en een wanhopige hartenkreet is, geschreven met bloedend hart door iemand die ternauwernood de gruwel van de 2e wereldoorlog overleefd heeft en machteloos uitschreeuwt: vrede, godverdomme, vrede! En als er dan vrede is, of beter: de afwezigheid van oorlog, heb je dan vrede kunnen sluiten met het onvermijdelijke verlies dat die oorlog heeft veroorzaakt? Of is het zoals Maxim Februari schreef: we zullen er vrede mee moeten sluiten.

Maar nu leid ik mijzelf af met iets dat bekend terrein is, een gedicht, terwijl er zoveel dingen zijn die zich allerwegen aandienen maar ónbekend zijn. Een overweldigende stortvloed van gebeurtenissen die allemaal verlies in zich dragen en waar je vrede mee zult moeten sluiten, domweg omdat er geen andere uitweg is. Om te beginnen de coronacrisis, die ons nu al maanden in zijn greep heeft. Voor mijzelf en Mirjam sprekend: ons werk ligt goeddeels stil. Het planbord in mijn werkkamer hangt er wat verweesd bij, met plannen en contacten voor 2020, maar ik kan het niet over mijn hart verkrijgen het uit te te wissen, het herinnert aan de dagen dat we voor ons wereldwijde Broodproject gedachteloos konden noteren: we vliegen daar en daar heen. De wereld lag open, er waren geen beperkingen. Plannen werden gemaakt, afspraken gemaakt, tickets geboekt, en toen werd alles met één woeste handbeweging van tafel geveegd door iets wat niemand kende. Inmiddels zijn we zes maanden verder, we denken in vanzelfsprekendheden als mondmaskers en de anderhalvemeter economie maar niemand weet hoe lang dit gaat duren en ons project ligt stil. Alle bestemmingen die ik op m’n planbord noteerde zijn no-go areas geworden, overal loert gevaar, om te beginnen in het vliegtuig zelf. Wij hebben daarom besloten voorlopig geen voet aan boord te zetten, maskers of geen maskers. Het is ons te gevaarlijk. Op korte termijn proberen we wel binnen Europa reportages te maken, dan gaan we met de auto. Duurt een stuk langer, maar we komen daardoor minder onder de mensen en lopen dus minder kans op besmetting en als we met een camper gaan hoeven we ook geen hotels te nemen. Er zijn nog landen binnen Europa waar we mooie reportages kunnen maken: Griekenland, Bulgarije, Schotland, Noorwegen, Finland, de Baltische staten… maar van de een op de andere dag kunnen grenzen gesloten worden, dat gebeurde met Griekenland, is er opeens code rood en mag je het land niet in zonder recente doktersverklaring dat je niet besmettelijk bent. En ook al werd dat Griekse gebod twee weken later alweer opgeheven dreigt hetzelfde voor grote delen van Frankrijk, waar de epidemie opnieuw als een razende om zich heen grijpt.

Kunnen we vrede hebben met dit verlies? Ja, dat kunnen we. Domweg omdat er geen andere keuze is, de voors en tegens zijn glashelder. Natuurlijk, we leiden materieel verlies, verdiensten liggen zo goed als stil, maar er wordt niet gemarchandeerd met gezondheid.

Maar er is een andere vorm van verlies waar je geen vrede mee kunt hebben… zoals de verwoestende explosie in Beiroet, vandaag alweer een maand geleden, 4 augustus. Een dinsdag was het. Toen we de eerste beelden op het nieuws zagen, de restanten van de haven, de opengescheurde graansilo’s en de door de drukgolf kromgetrokken hijskranen, herkenden we de plek meteen: een paar honderd meter daarvandaan logeerden wij vorig jaar, in een tweekamerappartementje in de wijk Mar Mikhael, pal achter de haven. Als je net in zo’n stad geweest bent kijk je toch heel anders naar de beelden dan de gemiddelde tv-kijker. Je denkt in de ravage iets bekends te zien, een straat, in de brokstukken herken je iets, die winkel met de okerkleurige gevel, is dat niet Gouraud Street in Gemmayze, de wijk die volgens de berichtgeving het zwaarst getroffen is? En je denkt aan de bakkers die we geïnterviewd en gefotografeerd hebben. Een van hen, de van oorsprong Palestijnse Rani Baraka, had notabene zijn nering in diezelfde straat, een ander had zijn bakkerij een paar honderd meter verderop. En Rima Massoud, die weliswaar in een dorpje buiten Beirut woont maar regelmatig op de traditionele markt staat waar ze beroemd is om haar versgebakken saj en manoushe. Al deze mensen die we ontmoet hadden, hadden ze de explosie overleefd? Mirjam plaatste direct een oproep op Instagram. Niet lang daarna kregen we via via het geruststellende bericht dat in elk geval Rani Baraka nog in leven was. En toen we Rima Massoud op haar mobiele telefoon belden nam ze zelf op, en zei dat ze ongedeerd was. Van de anderen tot op heden geen nieuws.

© Barbara Massaad

Rima vertelde dat ze van plan was om dagelijks grote hoeveelheden manoushe te bakken, die vervolgens zouden worden uitgedeeld aan de vele vrijwilligers die tot op de dag van vandaag dag en nacht aan het werk zijn om te helpen en puin te ruimen. Vlak na de ramp belden we een in Beiroet wonende collega, de Amerikaans-Libanese fotografe Barbara Massaad, vertelden haar dat we in Nederland een inzamelingsactie wilden starten en spraken met haar af dat wij, omdat Rima geen bankrekening had, de opbrengst van onze actie naar haar konden sturen en zij het vervolgens cash aan Rima kon geven. De actie, die Mirjam de volgende dag op touw zette, bracht tot nog toe ruim € 2.500 op, en loopt nog steeds.

Vrede sluiten met verlies. Kunnen de inwoners van het gehavende Beiroet dat? Met hun door en door corrupte regering, de stad die nog steeds de sporen droeg van de burgeroorlog, en nu deze onvoorstelbare ramp? Ze zullen wel moeten. Maar echte vrede, nee.

En dan is er het allergrootste verlies waarmee de mens moet zien vrede te sluiten: als iemand uit je directe omgeving sterft. Met de onherroepelijkheid van de dood zal niemand ooit vrede kunnen hebben. En het hoeft niet eens een geliefd familielid te zijn, zoals zowel Mirjam als mijzelf al overkwam. Zo verloren wij onlangs ook onze steun en toeverlaat Eric, de man die de afgelopen 17 jaar alle klussen in en rond ons huis deed, de man die alles kon, op wie we blind konden vertrouwen en die door de jaren heen een vriend werd. Altijd stond hij paraat, ‘even Eric bellen’ was de reddende mantra in ons soms wat onbeholpen huishouden, want vaak waren er klussen die we eenvoudigweg zelf niet konden. Een houten terras bouwen, compleet met fundering. Het dak van de schuur vernieuwen nadat het door een woedende storm beschadigd was. Een nieuwe badkamer, een volledig nieuwe slaapkamer inclusief doorbreken van muren en opnieuw metselen van een rookkanaal. Onze vriend Eric deed alles. Ook klussen die we niet durfden omdat het te hoog was, zoals het het schilderen van huis en schuur. Eric draaide er zijn hand niet voor om. Bouwde stellages en deed zijn werk op duizelingwekkende hoogte met dezelfde flair alsof hij op de begane grond stond.

Begin 2018 bleek hij een zeldzame vorm van alvleesklierkanker te hebben, die al was uitgezaaid naar de lever. Onderzoek in het AVL, behandelingen in UMC Groningen, hij bleef vertrouwen houden in een goede afloop, vaak leken de scans en bloedwaarden daar ook reden toe te geven, en voorzover hij daartoe de kracht had bleef hij hier en daar klusjes aannemen. En toen opeens was het op. Hij vermagerde zienderogen, werd zwakker en zwakker tot hij niet meer uit bed kwam en daar op 18 juli overleed. In november zou hij 62 zijn geworden.

Vrede sluiten met verlies. Kunnen we dat? Uiteindelijk wel, maar niet van harte. Het is en blijft een gewapende vrede. Want we kunnen niet anders. We moeten wel.

236. Duniya en Corona

Alleen al die angstaanjagende koppen in de media. ‘Ecuador: wanhopige familieleden laten lichamen achter op straat’ schrijft de Volkskrant, en NRC ‘Spanje meldt hoogste aantal doden in een etmaal: 950’, waarmee de Spaanse teller de tienduizend gepasseerd is. Als bijvangst in NRC: ‘Wimbledon voor het eerst sinds Tweede wereldoorlog afgelast’.

Zojuist checkte ik de website van de WHO, waar de cijfers van wereldwijd geïnfecteerden en doden worden bijgehouden. In mijn vorige column van 23 maart noteerde ik 14.510 doden. Vandaag zijn het er 42.000. Dit zijn barre tijden, vrienden. ‘Alsof je in een film terecht bent gekomen’ hoor je wel eens zeggen, en precies zo is het. Maar dan een film met een krankzinnig script waar geen regisseur of producent zijn vingers aan zou willen branden, zo over the top als het is. En toch is het waarheid. Ongelofelijk, maar waar. Dit is wat het is, en met die beangstigende werkelijkheid moeten we leren leven. Kwestie van aanpassen, en zolang we niet in lockdown zitten geldt voor ons de maatregel zo weinig mogelijk onder de mensen komen, en als je boodschappen moet doen aan die anderhalve meter denken. Vanochtend in de buurtwinkel zag ik dat het prima lukt, het gaat als vanzelf, niemand heeft die strepen op de grond nog nodig.

Maar een grote zorg, en nu spreek ik namens onze Stichting Duniya, is de situatie in India, in de sloppenwijk Nagwa waar, zoals de meesten van jullie weten, wij sinds 1996 onderwijs en elementaire gezondheidszorg bieden. Voor de bewoners van de wijk, en dus ook de kinderen die op onze school gaan, is het uur nul aangebroken. Voor wie het ontgaan is: vorige week kondigde de Indiase premier abrupt een landelijke lockdown aan, waarmee eenvijfde van de wereldbevolking nog dezelfde dag in quarantaine werd gezet. Drie weken lang mogen Indiërs hun huis niet uit. De maatregel van premier Modi is uitermate drastisch, maar ook begrijpelijk. Econoom en epidemioloog Ramanan Laxminarayan betoogde in The New York Times dat er simpelweg geen andere keuze was. Volgens zijn rekenmodel zou het land in juli al 500 miljoen coronabesmettingen kunnen hebben. Enerzijds komt dat door de dichtheid waarop mensen op elkaar wonen, denk aan de sloppenwijken zoals Nagwa, maar anderzijds ook vanwege de slechte gezondheid in India. Miljoenen kinderen zijn ondervoed, waardoor infecties zich relatief makkelijk kunnen verspreiden. Goed, klare taal, en dan lijkt de lockdown een goede oplossing. De kinderen die bij ons naar school gaan zijn niet ondervoed, ze krijgen elke dag een stevige maaltijd. Waarmee ze natuurlijk niet gevrijwaard zijn van ziektes. Maar waarom is er in plaats van de rigoureuze lockdown niet gekozen voor een tussenstap om de boel te vertragen? Geen massabijeenkomsten, geen overvolle bussen, afstand houden van elkaar. Kortom: vertragen, en daarmee de piek afvlakken. Maar het gaat hoe dan ook komen, onherroepelijk, het virus stoppen is onmogelijk. Volgens epidemiologen zal de eerste golf van infecties al 55 procent van de Indiase bevolking raken. En dat in een land waar ruim meer dan de helft van de bevolking onder de armoedegrens leeft.

De eerste week van gedwongen quarantaine in onze wijk Nagwa is nu voorbij, en de berichten zijn slecht. Mensen worden gedwongen binnen te blijven, maar voor veel ouders van de kinderen die naar onze Duniya Foundation school gaan is dit nauwelijks een optie. De meeste hebben een baan als dagloner. Ze scharrelen hun kostje bij elkaar als riksjafietser, straatverkoper, vuilnisman, huishoudster of bouwvakker en een dag niet werken betekent geen inkomen, en geen geld betekent geen eten. De meeste vaders of moeders in Nagwa hebben gemiddeld vijf monden te voeden en na deze eerste week wordt het nijpend. De reserves, zo ze er al waren, raken op en er is nauwelijks of geen overheidshulp. De inwoners van Nagwa hebben niet de luxe van pensioenen, ziekteverlof of welke ziektekostenverzekering dan ook, en van een werkeloosheidsuitkering kunnen ze alleen maar dromen. Kortom: ze staan met de rug tegen de muur. Intussen is het bewonderenswaardig hoe met name de vrouwen van de wijk met de moed der wanhoop de situatie te lijf gaan. Als vanzelf wordt er aan oplossingen gewerkt, het is ontroerend te zien hoe de naaisters van wat ooit het atelier van Duniya Decoration was, uit eigener beweging mondmaskers zijn gaan maken, die ze vervolgens in de wijk uitdeelden. Het zal niet helpen het onzichtbare monster Covid-19 te verbannen maar alle beetjes helpen en iets is beter dan niets.

Maar er is een ander probleem. Hoe gaat het in India met de handhaving van wettelijke maatregelen, zoals in dit geval het verbod de straat op te gaan? De machtsverhoudingen in het dagelijkse leven in India gaan langs zichtbare én onzichtbare lijnen. Sociale hiërarchie, kastenverschil, het bestaat nog steeds en in een situatie als deze kan het bar en boos zijn als het om handhaving gaat. Onderstaande foto, die ik op internet vond, laat zien welke uitwassen tot de normaalste zaak van de wereld horen in India. Op de foto zien we met stokken bewapende ordetroepen van de Civil Defence die burgers, die zich kennelijk niet aan de lockdown hielden, publiekelijk bestraffen. In dit geval moeten de onfortuinlijke kerels als kleine kinderen bij wijze van straf kniebuigingen maken, waarbij ze hun oren moeten vasthouden. Wat voor of na het maken van deze foto gebeurd is, wie zal het zeggen? Kans is groot dat ze een ongenadig pak slaag hebben gekregen, de lathi, waarmee de ordebewaarders gewapend zijn, is een gevreesd wapen. Mirjam en ik hebben meermaals in Varanasi gezien hoe politieagenten genadeloos optraden tegen burgers die in hun ogen iets verkeerd deden. Met schuim op de mond rammen ze er meedogenloos op los, soms drie, vier volwassen kerels die in blinde razernij inslaan op een man die zich niet verdedigen kan, het is te gruwelijk voor woorden, en in éen geval stond het slachtoffer niet meer op. Murw gebeukt lag hij levenloos op straat en werd afgevoerd in een ambulance.

Wij maken ons dus grote zorgen hoe het de bewoners van Nagwa zal vergaan. Die arme drommels die de straat niet op mogen vanwege de lockdown, en als ze deze pummels van de Civil Defence tegenkomen, dan is hun kostje gekocht.

Wat nu met de mensen die in onze wijk wonen? De kinderen die niet naar school kunnen, geen dagelijkse maaltijd krijgen, wat te doen? Hoewel het coronavirus een ramp is die de hele wereld treft, hebben we besloten om te proberen voor ‘onze mensen’ in Nagwa een noodfonds in het leven te roepen, een financiële buffer om de families te ondersteunen van de kinderen die bij ons naar school gaan en voor de ouderen die elke zaterdag bij ons komen. In totaal proberen we de komende weken (maanden?) 127 gezinnen te ondersteunen. Op dit moment is het nog steeds onzeker hoe we kunnen helpen: we zoeken uit of we voedselpakketten mogen verdelen. Of misschien onze school gebruiken als distributiecentrum. We hebben dagelijks contact met onze medewerkers in Varanasi en zullen ondertussen dit noodfonds opbouwen. We zijn gedwongen binnen de door de Indiase overheid opgestelde regels te opereren en die zijn heel streng en op sommige punten nog onduidelijk.

Voorlopig zetten we in op basispakketten voor 127 gezinnen. In zo’n pakket zitten: rijst, linzen, meel, olie, mondkapjes, zeep, een anti-muggen middel, vitamine C, aardappels, ui, thee en suiker. Dit komt neer op circa € 43 per gezin per maand (circa € 5.500 voor 127 gezinnen). We beginnen met een noodfonds voor 2 maanden: € 11.000.

We realiseren ons heel goed dat voor velen van ons de toekomst onzeker is. We zijn met z’n allen in een krankzinnig en angstig verhaal terecht gekomen en proberen er het beste van te maken. Misschien zit je nu thuis zonder werk of heb je een ziek familielid te verzorgen. Misschien kun je je eigen ouders niet bezoeken of heb je je zaak moeten sluiten. We zijn ons de situatie terdege bewust en toch hopen we dat je ons wilt helpen om dit Nagwa Noodfonds op te bouwen. Het gaat hier om gezinnen die letterlijk niets hebben om op terug te vallen. Voor wie een lockdown niet betekent dat je een avond Netflix gaat kijken, maar voor wie dit de realiteit is: met bloedhete temperaturen, zonder airconditioning of stromend water in een krakkemikkig huisje zitten, zonder koelkast of goede medische zorg, zonder eten of sociaal vangnet zien te overleven. Het coronavirus is voor ons allemaal een angstaanjagende realiteit waar we mee moeten dealen. Maar voor deze gezinnen, de families van de kinderen die al jaren bij ons naar school komen, is dit een drama waar ‘social distancing’ geen optie is zonder onze hulp.

Hier is de link naar de website van Stichting Duniya waar je kunt doneren. Het is ambitieus, om elfduizend euro (!) bij elkaar te schrapen, maar als we daarmee de families van onze schoolkinderen kunnen ondersteunen, dan gaan we het in elk geval proberen. De actie is sinds gisteren in de lucht en we hebben op dit moment bijna € 2.500 euro toegezegd gekregen. Doe je mee?

235. Op de tast, door de mist

Als ik dit schrijf zijn we al een tijdje onderweg met de nieuwe Corona-realiteit. En om meteen maar met de deur in huis te vallen: nee, het lijkt niet alsof het oorlog is, en nee, sociale distantie en vrijwillige quarantaine is niet alsof je in het Achterhuis zit. Ik bedenk deze twee opmerkingen niet, maar hoorde ze in een van die straatinterviews waarmee de publieke omroep z’n berichtgeving lardeert. Op afroep krijg je dan zo’n ontevreden Nederlander die politici zakkenvullers noemt en bij wie het ‘ik maak zelf wel uit wat ik doe’ in de mond bestorven ligt. En dus de huidige crisis ‘oorlog’ noemt en het advies om waar mogelijk afzondering in acht te nemen om daarmee de kans op besmetting voor jezelf én anderen te verkleinen ‘overheidsbemoeienis’ vinden, ze gaan toch niet de hele dag thuis zitten? Lijkt wel het Achterhuis!

Toegegeven, social distancing is niet niets, en als dat om welke reden dan ook niet kan of als je per se naar de bouwmarkt wilt of wc-papier kopen probeer dan in elk geval onderling anderhalve meter afstand te bewaren. Hoe moeilijk kan het zijn? Maar ook dat is voor veel landgenoten een brug te ver. ‘Dat bepaal ik zelf wel’ was het snerende commentaar van een 82-jarige televisiekijker toen hij Rutte hoorde zeggen dat er maatregelen genomen moesten worden om de risico’s van besmetting zo klein mogelijk te maken. Ik zag hem gisterenavond in Zondag met Lübach. Uitzending gemist? Kijk hier het fragment terug. Het is niet alleen geestig, het laat ook zien hoe lógisch het is om onderling anderhalve meter afstand te bewaren. En hoe makkelijk.

Anderhalve meter afstand… wij hebben het voordeel dat we al in afzondering leven in ons boerderijtje in Friesland, dus social distancing is voor ons een dagelijkse werkelijkheid ook zonder Covid-19. Maar die enkele keer dat we ons onder de mensen begeven als we naar de Spar gaan in het verderop gelegen Echtenerbrug, want aan hamsteren hebben we natúúrlijk niet gedaan, dan houden we netjes rekening met eventuele andere klanten. Winkelier Egbert maakt het ons heel makkelijk met de mantra anderhalve meter afstand:

Serieus nu. Ja, nog serieuzer, want laten we wel wezen, het zijn natuurlijk barre tijden. Dit is een realiteit waar niemand ervaring mee heeft, er hangt de sfeer van onvermijdelijk onheil, op de tast moeten we onze weg zien te vinden, als schippers in de mist. Wat we op de televisie zien tijdens het journaal, staat ons dat ook te wachten? Legervoertuigen in de Italiaanse stad Bergamo die in het holst van de nacht lijkkisten met gestorven coronapatiënten ophalen omdat de overvolle crematoria het niet meer aankunnen. Met honderden per dag sterven ze, in Italië en Spanje. Wie had dat tien, zes, of zelfs maar twee weken geleden kunnen denken? Ik niet. Ik zat nog in Thailand, las de engelstalige dagbladen, waar doemverhalen de voorpagina sierden. ‘Chiang Mai is a ghost town’ kopte de Bangkok Post, met daaronder een verhaal hoe de Noord-Thaise stad, die qua toerisme goeddeels afhankelijk was van Chinese groepsreizen, uitgestorven leek nu de Chinezen thuis bleven.

Chiang Mai was toevallig de stad waar mijn tocht was begonnen en ook zou eindigen. Ik had, toen ik eind december aankwam, de Chinezen gezien, met mondkapjes scharrelend langs de eetstalletjes van de avondmarkt. Die mondkapjes hadden niets met het coronavirus te maken, dat dragen Chinezen altijd, volgens mij slapen ze met zo’n ding. Het was 27 december, de wereld wist nog van niets, het zou nog vier dagen duren tot de eerste meldingen van een ongebruikelijk felle longontsteking in de Chinese stad Wuhan aan de WHO gemeld werd. Aanvankelijk werd aan SARS gedacht, een paar dagen later bleek het een onbekend virus, dat op 11 januari zijn eerste slachtoffer eiste. Krap tien weken later staat de teller wereldwijd op 14.510 doden en meer dan 332.935 geïnfecteerden (bron: WHO). Nee, dat wisten we niet, tien, zes of zelfs maar twee weken geleden. Want toen ik begin maart in Chiang Mai mijn tocht beëindigde was het, wat de kranten ook mochten schrijven, alles behalve een ghost town. Toegegeven, geen enkele Chinees. In plaats daarvan westerlingen, de avondmarkt krioelde er van, en geen mondkapje te bekennen.

Op vier maart in het vliegtuig naar Hong Kong was het al heel wat grimmiger. Niet alleen Aziatische passagiers maar ook heel wat westerlingen droegen mondbescherming. Ik dus ook. Van onderlinge afstand was geen sprake, social distancing moest nog worden uitgevonden. Verbeelde ik het mij, of namen mijn buren in het vliegtuig toch een beetje afstand? Kon ook aan hun genegenheid liggen, de hele vlucht naar Hong Kong zaten ze over een iPad gebogen, keken gezellig samen een film.

Het is nu maandag 23 maart, vroeg in de avond. De gebeurtenissen volgen elkaar op in razend tempo, en laat gezegd: de omvang van de corona-epidemie is onbevattelijk, en heeft onze levens volledig op de kop gezet. Een week geleden werd plotsklaps de oekaze uitgevaardigd dat alles waar groepen mensen samen konden zijn, gesloten moest worden. Restaurants, café’s, bioscopen, theaters, de hele bliksemse boel moest dicht, en wel meteen. Om half zes kwam het op televisie in een ingelaste nieuwsuitzending, om zes uur moest alles dicht. Wij dachten meteen aan Jan en Sjoerd, de eigenaren van eetcafé Dikke Tut in het dorp. Wat een klap moest dat zijn voor ze, wat eens schrik. Geen inkomsten en toch personeel doorbetalen? Mirjam en ik waren al wel een beetje gewend aan het wegvallen van werk, afspraken in het buitenland moesten we afzeggen, het begon met Israel, waar we begin april heen zouden voor ons BROOD-project. Daar ging opeens de grens dicht, iedereen die het land in wilde moest eerst 14 dagen in quarantaine. Streep door de rekening, per e-mail alle afspraken afzeggen. Daarna ging het snel, andere landen volgden, we leerden een nieuw begrip, lockdown. Hoewel, helemaal nieuw was het niet, na nine-eleven werd een driedaagse lockdown van het Amerikaanse luchtruim ingesteld. Nu trof het ons, Europa. Maar waarom deden niet alle landen van de Europese Unie hetzelfde? Waar was de eenheid? De een deed zus, de ander zo. Misschien moeten we niet proberen alles te begrijpen, er zijn al zoveel vragen en er zal ook in alle parlementen van de lidstaten over gediscussieerd worden, hoe ver kunnen ze gaan met het inperken van burgerrechten? Taiwan, Zuid Korea en Hong Kong lieten zien dat een stevige aanpak resultaat biedt. Doortastend en streng moeten regeringen zijn als de bevolking zelfs de simpelste adviezen zoals een anderhalve meter afstand niet opvolgt. En Nederland staat pas aan het begin. Eind deze week wordt een omslagpunt verwacht, dan worden we overspoeld met zieken die twee weken geleden besmet raakten en komen we IC-bedden tekort. En dan, en dan… een columniste in NRC schreef: ‘Straks rijden ook hier de lijkwagens door de straten, gaan er dagelijks honderden doden vallen. Er is geen ontkomen aan, er zijn niet genoeg spullen, niet genoeg mensen.’

Update, 20:45 uur: leden van het kabinet hebben eerder vanavond een persconferentie gegeven over verdergaande maatregelen. Ja, het wordt strenger. Nog geen lockdown, maar Rutte dreigde: als deze maatregelen niet worden opgevolgd, gaat de zaak op slot. Wat gaat gebeuren? Samenkomsten van meer dan drie personen worden verboden tot 1 juni. Burgemeesters krijgen via een noodverordening mogelijkheden om beter handhaven, zoals sluiting van stranden en campings. Er komen forse boetes op groepsvorming en andere overtreding van de regels, waaronder het niet in acht nemen van de anderhalve meter afstand onderling (!). Ook de thuisisolatie wordt aangescherpt: wanneer één persoon in een huishouden koorts heeft, moet iedereen thuisblijven. Wel mag één persoon boodschappen doen. Alleen voor mensen met cruciale beroepen wordt een uitzondering gemaakt.

Is het acceptabel dat een overheid zijn burgers zo beknot? Als rechtgeaarde sociaal-democraat ben ik geneigd te zeggen: nee. Maar nood breekt wet, letterlijk. We leven in onbevattelijke tijden, er is nu geen tijd voor tegenstribbelen of dwarsliggen. Samen de schouders er onder, en doen wat we afspreken.

In tijd van nood grijpt men naar literatuur, dan wordt bevestiging gezocht in wat was en beschreven werd. Mij roept het De Stad der Blinden van de Portugese schrijver José Saramago in herinnering, het beklemmende relaas van een plotselinge ziekte die Lissabon in zijn greep krijgt: mensen worden om onverklaarbare reden plotseling blind. Wat volgt is een reeks verbijsterende gebeurtenissen die al gauw apocalyptische vormen aannemen. De blindheid is besmettelijk, na korte tijd ziet een groot deel van de bevolking van Lissabon niets meer. De blinden worden in een ziekenhuis geïsoleerd, waar zich al gauw vreselijke taferelen afspelen. De machtsstrijd zowel binnen als buiten het ziekenhuis stelt de vraag naar goed en kwaad, naar de grenzen van de (on)menselijkheid. Een verbluffend boek, ik las het in 1998, misschien is dit het moment het te herlezen?

Ook opeens breeduit in de aandacht: De Pest, van Albert Camus. De man die de absurditeit van het leven tot leidraad van zijn werk maakte, maar desondanks zei dat we het leven moeten ingaan en de wanhoop geen kans geven, want uiteindelijk is het leven wel de moeite waard. Zei de man die op 17-jarige leeftijd open tbc kreeg en werd opgegeven door zijn artsen. Maar zie, hij genas en leefde vanaf dat moment in wat hij noemde geleende tijd. Misschien daarom dat de rode draad in zijn werk de absurditeit van het leven was? Ik vond in mijn bibliotheek een beduimelde uitgave van La Peste, een Livre de Poche van uitgeverij Gallimard uit 1961. Geen idee hoe ik er aan ben gekomen, en ik weet zeker dat ik het niet gelezen heb, mijn Frans is verre van toereikend. Ook heb ik een Nederlandse uitgave, mijn naam staat er in, gekocht in 1979. Gelezen? Heb er geen herinnering aan. Ik weet dat het boek in 1947 werd uitgegeven, Camus schreef het tijdens en kort na de oorlog, naar ik begrijp moet het gelezen worden als een reële weergave van wat een samenleving gebeurt als de pest uitbreekt, maar het is ook allegorisch, verwijzend naar de Duitse bezetting. Misschien is het verstandiger het als een meer universele allegorie van het kwaad te lezen. Of toch gewoon over de pest? Een verschrikking die ons, net als het coronavirus nu, overvalt zonder dat we begrijpen wat er aan de hand is, en als we eenmaal begrijpen wat ons gebeurt kan het te laat zijn. In die zin is de laatste alinea beklemmend omdat ze rechtstreeks verwijst naar wat ons nu overkomt en moeten we het als onverholen waarschuwing lezen:

Want hij wist (…) dat de bacil van de pest nooit sterft of geheel verdwijnt, dat zij tientallen jaren kan blijven sluimeren in de meubels en het linnengoed, dat zij geduldig wacht in de kamers, de kelders, de koffers, de zakdoeken en paperassen en dat wellicht een dag zal komen waarop, tot onheil en lering der mensen, de pest haar ratten weer zou wekken en uitzenden om te sterven in een gelukkige stad.