183. De Boeken van 2015

Elke week opnieuw de literaire bijlagen van NRC en Volkskrant met recensies van alweer nieuwe boeken, er is geen bijhouden aan. Maar: waarom steeds nieuw kopen als er zoveel ouds te lezen is? En toeval of niet, dit jaar las ik veel ‘oud’ werk en ach, wat heb ik in 2015 een gelukkige hand gehad. Te beginnen met twee romans van John Fante, inmiddels ruim driekwart eeuw oud…

_________________________________________________________________________

John Fante Wait Until spring, Bandini
5. John Fante, Ask The Dust
Wait Until Spring, Bandini (1938) en Ask the Dust (1939) zijn de twee sterkste romans uit The Bandini Quartet van John Fante (1909 – 1983), zoon van Italiaanse immigranten, die ondanks een aantal verdienstelijke romans in vergetelheid raakte en in anonimiteit zijn geld verdiende als scenarioschrijver in de filmindustrie. In de jaren tachtig kwam er een hernieuwde interesse voor zijn vroege werk, vooral dankzij Charles Bukowski, die hem bewierookte als zijn grote voorbeeld (‘Fante was my god’). Deze romans, met als centraal karakter Fante’s alter ego Arturo Bandini, ‘a young Italian-American struggling to make it as a writer in Los Angeles during the great depression’, behoren tot de wonderbaarlijkst mooie boeken die ik in lange tijd onder ogen kreeg.

_________________________________________________________________________

To Kill a Mockingbird Harper Lee
Nog een respectabel oudje: To Kill a Mockingbird (Harper Lee, 1960).
Atticus Finch, vader van Scout en haar vier jaar oudere broer Jem, is het centrale personage uit de inmiddels klassieke debuutroman van Harper Lee uit 1960 die in éen klap een bestseller werd. Miljoenen exemplaren gingen over de toonbank en iedereen viel voor de onverschrokken advocaat die ten tijde van de grote depressie in de jaren ’30 in het racistische zuiden pal staat voor gelijke rechten en een zwarte man verdedigt die, ten onrechte, beschuldigd wordt een blanke vrouw te hebben mishandeld en verkracht, dochter van de plaatselijke dronkelap. En wie is toch de raadselachtige buurjongen Boo Radley? Het boek werd verfilmd en Gregory Peck kreeg een Oscar voor zijn rol als Atticus de onkreukbare.

_________________________________________________________________________

Jeroen Brouwers Het Hout
Dan een recent (en terecht bekroond) werk: Het Hout (Jeroen Brouwers, 2014). In een door kloosterlingen geleid jongenspensionaat vindt in de jaren vijftig seksueel misbruik, sadisme en vernedering plaats. Broeder Bonaventura is er getuige van en zwijgt zoals iedereen. Maakt dit hem medeplichtig? Geransel en gefriemel met de blik devoot naar boven. ‘Het is voor je bestwil.’ De hypocrisie van het geloof en de interpretatie ervan voor eigen gewin, voor het sussen van het geweten, voorzover aanwezig. Een boek als een mokerslag. Brouwers is een onnavolgbaar stilist, op elke pagina een vondst, een verrassing in taal, zelfs rond een thema zo gruwelijk als dit. Een verbluffend boek.

_________________________________________________________________________

Tim O'Brien July, July
July, July (Tim O’Brien, 2002) beschrijft een reünie in het jaar 2000 van een eindexamenklas uit 1969. In dat cruciale jaar landde de eerste mens op de maan, was de Vietnamoorlog maatschappelijk twistpunt nummer een en groeiden het engagement en de politieke hoop uit tot onbegrensde mogelijkheden. Het is een biecht in brokstukken over wat verkeerd ging en in duigen viel. Het boek lijkt chaotisch, ik moest soms terugbladeren omdat ik kwijt was wie wie precies was, maar uiteindelijk blijkt het een strak en met verfijnde precisie gesneden beeldhouwwerk.

_________________________________________________________________________

James Salter All That Is
All That Is (James Salter, 2013). Toen we in juni op Zanzibar waren las ik daar o.a. deze beeldschone roman, over het liefdesleven van een New Yorkse uitgever en ex-marinier. Was diep onder de indruk van de zeldzame precisie waarmee deze auteur zijn verhaal vertelt, geen woord teveel, alles op zijn plaats. Enthousiast las ik Mirjam op een dag enkele passages voor, zo mooi waren ze. Daags erna, op 20 juni, werd bekend dat Salter op 90-jarige leeftijd overleden was. Al gauw verschenen de eerste necrologieën. De Volkskrant schreef: Het lezen van Salter heeft mij geleerd om terug te gaan naar de essentie. Om te blijven aandringen op de juiste woorden en om te onthouden dat minder meer is. En zo is het.
_________________________________________________________________________

The Colossus of Mroussi Henry Miller
The Colossus of Maroussi (Henry Miller, 1941). Met zoveel rumoer rond Griekenland een mooi moment om Millers prachtige, inmiddels bijna 75-jaar oude vertelling over zijn reis door Griekenland te herlezen, al was het alleen al om die verbluffende beschrijving van Epidaurus, heiligdom van de god van de geneeskunde, Asklepios: The road to Epidaurus is like the road to creation. One stops searching. One grows silent, stilled by the hush of mysterieus beginnings. There is nothing to be seized or treasured or corned off here: there is only a breaking down of the walls which lock the spirit in.

_________________________________________________________________________

VanDisIkKomTerug-500x750
Ik kom terug (Adriaan van Dis, 2014). Dit zou wel eens de meesterproef van Adriaan van Dis kunnen zijn. Ik ken vrijwel zijn gehele oeuvre, heb hem hoog zitten, erudiet, beschaafd, hou van zijn beeldend taalgebruik en bewonder zijn vermogen om steeds opnieuw iets uit zijn familiegeschiedenis naar buiten te brengen dat ook de buitenstaander boeit. Nu beschrijft hij de teloorgang van zijn moeder. Ze is dementerend, bij vlagen helder, vertelt over een rijk Zeeuws verleden met landerijen en pachters, over jarenlange detentie in het Jappenkamp, langzaam ontfutselt Van Dis familiegeheimen die hem én ons versteld doen staan. Fraaie vertelster, die moeder van hem. “Dat is de ouderdom,” zei ze sarcastisch, “je karakter slijt niet als je ouder wordt, het kookt in, de kern komt boven. We worden allemaal een bouillonblokje van onze eigen soep.” Heeft Van Dis dit verzonnen? Maakt niet uit. Zijn taal blijft overeind, hoe sterk de Zeeuwse herinneringsstorm ook over het heentrekt.

182. De Films van 2015

Jaar voorbij, tijd voor film- en boekenlijstjes. Eerst de films, volgende week de boeken. Let op: van 2015 is niet hetzelfde als gemaakt in 2015. Waarom steeds het nieuwste, als er al zoveel moois is? Onderstaand een greep uit de mooiste films die ik dit jaar (her)zag.

_________________________________________________________________________

Magnolia, PT Anderson
Magnolia (Paul Thomas Anderson, 1999). Toen ik Magnolia voor de eerste keer zag blies het me van de sokken, en nu ik de film na zoveel jaar herzie gebeurt dat opnieuw. Een verbluffende ensemble film, met acteurs die de sterren van de hemel spelen (Julianne Moore, William H. Macy, Jason Robards, John C. Reilly, Philip Baker Hall, een formidabele Tom Cruise en de intens betreurde Philip Seymour Hoffman) in een complex drama dat zich binnen 24 uur afspeelt in een buitenwijk van Los Angeles. Tien mensen op zoek naar het antwoord op die ene vraag die werkelijk relevant is: wat is de zin van het leven.

_________________________________________________________________________

Boyhood Richard Linklater
Boyhood (Richard Linklater, 2014). Een unieke kijkervaring: vier acteurs worden gedurende 12 jaar gevolgd. Elk jaar riep Linklater hen voor een paar dagen bij elkaar en voegde hij een nieuw hoofdstuk aan de film toe, terwijl ook het leven, in horten en stoten, was verdergegaan en niet alleen de kinderen, maar ook de volwassen acteurs in een andere levensfase terecht waren gekomen. ‘Boyhood’ is een wonderbaarlijk aangrijpende film, die zo dicht langs het leven scheert dat je soms het gevoel hebt door je eigen geheugenpaleis te dwalen.

_________________________________________________________________________
Nebraska Alexander Payne 2013
Nebraska (Alexander Payne, 2013). Bruce Dern is zo’n acteur die nooit echt is doorgebroken bij het grote publiek. In deze film glorieert hij als alcoholistische oude knorrepot die denkt dat hij een miljoen dollar heeft gewonnen in een neploterij en een lange reis van Montana naar Nebraska maakt om zijn prijs op te halen. Aandoenlijk en ontnuchterend portret van de desolate Amerikaanse Midwest. Road movie van de beste soort, gedraaid in knisperend zwart-wit..

_________________________________________________________________________

Il_y_a_longtemps_que_je_t_aime
Il y a longtemps que je t’aime (Philippe Claudel, 2008). Als Juliette wegens moord de gevangenis in moet, verbreken haar ouders alle contact tussen haar en haar jongere zusje Léa. Als Juliette na 15 jaar vrijkomt besluit Léa, inmiddels getrouwd en twee kinderen, haar bij haar in huis te nemen. Juliette moet in het reine zien te komen met het verleden en haar omgeving. Mondjesmaat komt de kijker steeds meer te weten over de toedracht van de zaak, leidend naar een emotionele climax. Fenomenale rollen van Kirstin Scott Thomas en Elsa Zylberstein.

_________________________________________________________________________

locke_movie_poster
Locke (Steven Knight, 2013). “Ik wilde iets doen wat nog niet eerder gedaan was”, zo verklaarde Steven Knight deze ongewone film. En dat is hem gelukt. 85 minuten lang kijken we naar éen man (Tom Hardy), getrouwd, twee kinderen, goede baan als voorman in de bouw. Op de avond voor de meest gecompliceerde betonstort uit zijn carrière, stapt hij in zijn auto en rijdt van Birmingham naar een Londens ziekenhuis. Daar staat een vrouw die hij maar één keer heeft ontmoet op het punt te bevallen van hun kind, en hij vindt dat hij daar bij moet zijn. Het is een rit die zich in real time voor de kijker afspeelt. Intussen is hij constant hands free aan het telefoneren. Met zijn vrouw, zijn zoon, met een jonge collega die de betonstort moet overnemen, met zijn baas die hem dreigt te ontslaan en met de vrouw die gaat bevallen. Hypnotiserende film, fabelachtige acteerprestatie van Hardy.

_________________________________________________________________________

Mr Turner Mike Leigh Timothy Spall
Mr. Turner (Mike Leigh, 2014). Alles aan deze film is perfect. Script, acteurs, cameravoering en production design. Weet even niet wat daar de Nederlandse term voor is, aankleding van de film komt het dichtste bij. Decors, schitterend! Grootmeester Leigh heeft zichzelf weer eens overtroffen, voorzover dat kan. En Timothy Spall, die ik in mijn hart heb gesloten sinds ik hem zag in Secrets and Lies (ook van Mike Leigh) speelt zuchtend, steunend, grommend en morrend de sterren van de hemel als sociaal onaangepaste en getroebleerde kunstenaar. De mooiste scene? Als Turner probeert When I’m Laid in Earth te zingen, uit Purcell’s opera Dido and Aeneas. Ontroerender kan haast niet.

_________________________________________________________________________
calvary_ver2_xlg
Calvary (John Michael McDonagh, 2014). De goedmoedige priester James (glansrol van Brendan Gleason) wordt tijdens het afnemen van de biecht de dood aangezegd: over een week zal hij moeten sterven omdat de aanstaande moordenaar als kind door een priester misbruikt werd en iemand zal nu voor dit misdrijf moeten boeten. De priester in kwestie is allang dood. Bovendien, waarom een schuldige omleggen? Nee, een goede, onschuldige priester vermoorden, dat zal pas een shock veroorzaken. In de week die hem rest probeert James met de wereld in het reine te komen. Aangrijpende film, die nog lang in het geheugen blijft nazinderen.

_________________________________________________________________________

Ko To Tamo Peva, Slobodan Sijan, 1980
Ko to tamo peva (Slobodan Sijan, 1980). Dit Servische juweeltje, in het Nederlands ‘Wie zingt daar zo?’, zag ik in 1987 op de televisie, bij de VPRO. Heb vaak geprobeerd een dvd te bemachtigen, maar was nergens te krijgen. Tot nu. Een zwarte komedie, die zich afspeelt op 5 april 1941, aan de vooravond van de Duitse invasie van Joegoslavië en het bombardement van Belgrado. Op een landweg stappen passagiers in Krstic’s gammele bus naar Belgrado. Onderweg maakt iedereen ruzie met iedereen en krijgen ze met tegenslag te maken, een kapotte brug, lekke band, een boer die de weg heeft omgeploegd. Twee zigeuners becommentariëren zingend de gebeurtenissen, als in een Griekse tragedie. Op de ochtend van de 6e april bereiken ze Belgrado… ‘This movie is an absolute must for any self respecting movie lover’ las ik op een filmforum. En zo is het.

_________________________________________________________________________

A Pigeon DVD Cover Front
A pigeon sat on a branch reflecting on existence (Roy Andersson, 2015). Het fenomenale derde deel van Roy Andersson’s humoristische, makabere en absurdistische trilogie over (de zinloosheid van) het menselijk bestaan. Geen ‘makkelijke’ film, het is hypergestileerd, alle sets zijn in studio’s nagebouwd. ‘A Pigeon’ bestaat uit 39 min of meer losstaande scènes, met als verbindend element de droefgeestige wederwaardigheden van twee handelsreizigers in feestartikelen, waarvan er minstens één depressief is. Wat mij betreft van harte aanbevolen, deze wonderbaarlijke film. Zo ook de voorgangers:’ ‘Songs from the second floor’ (2000) en ‘You, the living’ (2007). Voorproefje? Hier is de trailer.
_________________________________________________________________________

181. Herinneren

Laatst dat jaaroverzicht op televisie gezien? Ik weet niet hoe het u vergaat, maar bij een heleboel dingen denk je: oh ja, da’s waar ook. Griekenland; het vliegtuig van Germanwings; de aardbeving in Nepal. Grote gebeurtenissen, maar op de een of andere manier toch een beetje naar de achtergrond verdwenen. Vooral als dat rijtje overledenen voorbijkomt. Günter Grass, ja, die wist ik nog wel, en Patachou ook, die Franse zangeres, die kende ik omdat mijn moeder in de jaren vijftig haar platen draaide, anders had ik nooit van haar geweten. Maar Anita Ekberg, Christopher Lee, Omar Sharif, Ellen Vogel? Nog één keer even opvlammen in het collectief geheugen, en dan klaar. Zou je denken. Maar wat zegt de omroeper van dienst? ‘Allemaal mensen die we ons voor altijd zullen blijven herinneren’. Onzin! We vergeten bliksemsnel, en maar goed ook, het bestaan is al ingewikkeld genoeg.

Maar één naam die ik me wél wil herinneren uit dat overzicht is Ahmed Marabet, de wijkagent die op 7 januari koelbloedig op straat geëxecuteerd werd na de slachtpartij bij Charlie Hebdo. Die naam vergeet je zo snel nog niet, en anders dat beeld, die hulpeloze man op de grond. Zo ook de slachtoffers van de barbaarse november-aanslag in Parijs. We weten geen namen, het zijn er teveel, maar vergeten doen we het niet. Maar hoe moet je ze dan onthouden? Hooguit herinneren we ons die wonderlijke naam Bataclan, en daardoor de naamlozen die zo’n gruweldood stierven. Onvermijdelijk dringen die hartverscheurende regels in Dido’s Lament van Henry Purcell zich op: Remember me, remember me, but ah! forget my fate.

Enfin, een heel ander soort herinneren, maar toch, bescheiden, een klein jaaroverzicht van onszelf, met twee projecten die wat ons betreft het herinneren waard zijn. Want laatst had ik iemand aan de telefoon die terloops vroeg: wanneer komt er weer een nieuw boek van jullie uit? Nou, sputterde ik tegen, twee titels dit jaar, is dat niet genoeg? Hij had geen idee. Het laatste dat hij zich herinnerde was Street Food Kosovo. Vooruit, daar gaan we. In juni waren we de hele maand in Zanzibar, om Mirjams volgende Street Food boek te researchen (en vakantie te houden). Daarna volgden drie maanden hard werken, waarin we aan maar liefst twee boeken werkten.

Als eerste De Geur van Witte Rijst, in opdracht van het bedrijf Go Tan, dat producten voor de Indonesische keuken op de markt brengt. Ze wilden een boek maken met Indische recepten, dus uit de Nederlands-Indische periode, zodat die traditie niet verloren zou gaan. Lezers werden gevraagd herinneringen en recepten in te sturen, die wij vervolgens kookten en fotografeerden. De teksten moesten geredigeerd worden, lappen van vier, vijf A-4tjes moesten ingekort naar 125 woorden. Een heidens karwei, koken, schrijven, fotograferen, ons huis was wekenlang proefkeuken en fotostudio, maar een uitdaging die we, binnen de deadline, tot een goed eind brachten, het boek kwam begin november op de markt.

Go-Tan Geur van witte Rijst cover-3d

Een heel ander project was Borst Vooruit: een boek voor en door vrouwen met borstkanker. Een ambitieus project, door Mirjam gefotografeerd en vormgegeven (!), ik werd er in een later stadium bijgehaald als redacteur. Een in- en aangrijpende ervaring, met zo’n project bezig te zijn, vooral voor Mirjam, die keer op keer naar Rotterdam afreisde om van de 65 vrouwen die aan het boek meewerkten mooie portretten te maken. En daarna de enorme klus om het boek vorm te geven. En ook al ligt het allang in de winkel, ze is er nog steeds volop mee bezig, probeert publiciteit te genereren, aandacht in de media, het móet breed in de belangstelling komen, de doelgroep is enorm, jaarlijks krijgen 14.000 vrouwen de diagnose borstkanker en allemaal dreigen ze de weg kwijt te raken in een wereld van verdriet, onzekerheid, angst en boosheid. Wat te doen, hoe nu verder? En als er geen verder is, wat dan? Allemaal vragen waar Borst Vooruit antwoord op kan geven omdat het gebaseerd is op verhalen van vrouwen die hetzelfde is overkomen. Ongelofelijk dat zo’n boek niet allang gemaakt was. Toen het klaar was werd een promofilmpje gemaakt, de teksten werden ingesproken door vrouwen die aan het boek hadden meegewerkt.

Al met al een heel bijzonder boek, niet in de laatste plaats omdat wij, Letsch & de Clercq Visuals, ook de uitgever zijn. Kopen dus! Verkrijgbaar bij de boekhandel en natuurlijk bij bol.com. En belangrijk: niemand verdient aan dit boek. Die opbrengst gaat naar toekomstig borstkankeronderzoek.

Benieuwd hoe het boek er uitziet? Hier een inkijkje:

Dan nog een gebeurtenis die we niet zo snel zullen vergeten: Mirjam op klaarlichte dag in Brussel beroofd. We dachten dat we zo’n beetje alle varianten van diefstal wel gehad hadden, eerst gerold in Barcelona, toen beroofd in Sint-Petersburg, en als laatste de inbraak in ons huis, december 2014. En nu dan Brussel.

Wat is er gebeurd? Mirjam was uitgenodigd om als kleine uitgever en bekroond kookboekauteur eind november aanwezig te zijn op een ‘fair-trade event’ in Brussel. Toen kwam die terreurdreiging als nasleep op de aanslagen in Parijs, Brussel op slot, evenement geannuleerd, verplaatst naar 8 december. Daags ervoor gaat Mirjam met de auto vol boeken en fotomateriaal naar België en bijna in het centrum van Brussel opeens een oorverdovende knal rechts van haar, glas vliegt door de auto, ze denkt dat ze beschoten wordt, een man grist haar tas van de passagiersstoel, Noord-Afrikaans uiterlijk, hij verdwijnt in de menigte. Ze zet de auto aan de kant, roept om hulp, maar niemand komt, nog steeds heerst angst in de stad, niemand wil betrokken worden bij een misdaad op klaarlichte dag.

... met een oorverdovende knal spat de ruit in duizend stukken...

… met een oorverdovende knal spat de ruit in duizend stukken…

Moederziel alleen staat ze daar in de glasscherven, belt de politie, er komen rechercheurs in burger die al gauw ontdekken dat de overvaller een boormachine (!) tegen de ruit heeft gesmeten, het ding ligt nog op straat. Mee naar het bureau, waar ze vertelt dat, terwijl ze nog in de auto zat en de dief zag weglopen, een andere man (eveneens Noord-Afrikaans van uiterlijk) links naast haar verschijnt en zegt: je moet er achteraan, kijk, daar loopt hij! Maar ze blijft in de auto, en als ze dat later de recherche vertelt zeggen die dat ze het enig juiste heeft gedaan: het was een truuk, als ze achter de dief was aangegaan waren handlangers gekomen en hadden de auto gekaapt. Daar ging het ze om, om die auto.

Op basis van haar beschrijving hebben ze, terwijl Mirjam op het bureau zat te wachten, zeven (!) mogelijke daders opgepakt en Mirjam moest in een line-up de man identificeren die haar had overvallen. Dat kon ze ook. Daarna terug naar Friesland, met kapot raam, auto ergens stallen was ondenkbaar, ontbrekend raam en de auto vol spullen. Vernikkeld kwam ze thuis. Volgende dag hebben we een auto gehuurd, samen terug naar Brussel. Expositie ingericht, leuke avond gehad, en opvallend veel Belgen die van de overval hoorden en haar kwamen zeggen hoe zeer het ze speet, ze schaamden zich voor Brussel. De eigenaar van een van de chicste hotels in Brussel (The Hotel) bood ons gratis een overnachting aan in een kamer met schitterend uitzicht. De volgende dag, mooi winterzonnetje, lang door de stad gewandeld, op veel plaatsen nog bewapende militairen in camouflagepakken, ook de entree van het hotel werd bewaakt met zwaar geschut.

Brussel is een nieuw bezoek waard, straks, als het voorjaar is. Misschien logeren we dan weer in The Hotel, en genieten van de Brusselse gastvrijheid. Maar deze gebeurtenis herinneren? Nee, liever niet. Daarom óp naar een nieuw jaar met nieuwe avonturen, minstens éen boek, hopelijk veel publicaties en vooral: veel op pad. Het leven moet gevierd!

180. Moeilijke Tijden

Wie de film Doctor Zhivago zag (of de roman van Pasternak las) herinnert zich wellicht de scene waarin een wanhopige Lara tegen Zhivago uitroept: “Oh Lord, this is an awful time to be alive”. De wereld staat in brand, de tsarenfamilie Romanov is omgebracht, bolsjewieken zijn aan de macht, moord en doodslag alom en Yuri en Lara, die hun toevlucht hebben gezocht in het bevroren buitenhuis in de Oeral, weten intuïtief dat hun dagen geteld zijn. Maar als Lara haar wanhoop uit, antwoordt Zhivago met een gedecideerd neen. Als altijd omarmt deze humane, vredelievende man de hoop, de mogelijkheid van verlossing, in de stellige overtuiging dat de schuldelozen zullen overleven.

Ik moet soms aan Zhivago denken, dezer dagen. Zou hij nog steeds geloven in simpele tegenstellingen als schuld en schuldeloos? Want lieve help, wat zijn het awful times. Niet voor onszelf, integendeel, maar wel onze getourmenteerde medemens, dichtbij en ver. De ellende in de wereld is in een stroomversnelling geraakt. IS beult onophoudelijk verder en oorlogen woeden maar raak, de gruwel van Syrië, de meedogenloze Assad, vatbommen, alleen het woord al, en zomaar opeens zagen we honderdduizenden op de vlucht en kenden we allemaal dat verdronken jongetje op het strand, weten zelfs hoe hij heette, ofschoon ik het alweer kwijt was, moest het opzoeken, Aylan Kurdi.

Toen die foto over de wereld ging was de collectieve verontwaardiging groot. Nu is het genoeg! Nu moet de wereld in actie komen! Zo immers werkt het, denken we. Elke humanitaire crisis kent een iconische foto die in ons geheugen gegrift staat. Echter, de cynici, of beter: de realisten onder ons sputteren voorzichtig tegen, wetend dat het moeizaam laveren is tussen ratio en emotie. Zou het beeld van dat dode kereltje werkelijk uitgroeien tot een omwenteling? Was Aylan Kurdi een nieuwe bouwsteen aan de iconografie van de geschiedenis, zoals men denkt dat Kim Phuc, het napalmmeisje, dat geweest is? Let wel, ‘zoals men denkt’, want de betekenis van die foto voor de geschiedschrijving is anders dan men doorgaans denkt.

Ik ben maar eens in het fenomeen ‘iconische fotografie’ gedoken. Als er al zoiets bestaat, wat ik betwijfel. Wat betekent icoon? Het komt van het Griekse eikoon – beeld, en is een afbeelding van Christus, Maria, van heiligen. Als afgeleide daarvan iconisch. ‘Beeldend van aard’ zegt Van Dale. In de praktijk betekent het: beeldbepalend, en daar heb je de link met fotografie. Eén foto zegt meer dan duizend woorden. En kan dus door die impact de geschiedenis veranderen, zou je zeggen. Ja toch? Nou, niet dus.

photographs-gettysburg

Neem de beroemde foto Harvest of Death van Timothy H. O’Sullivan, 3 Juli 1863, daags na de Slag bij Gettysburg. Een gruwelijk beeld, zoiets had de wereld nog niet gezien. Beïnvloedde het de loop van de geschiedenis? Deed het de mens van gedrag veranderen, vuist op tafel, nooit meer oorlog? Natuurlijk niet.

1914-18_03-loopgraaf-ieper

Vijftig jaar later kreunt Europa onder de 1e Wereldoorlog. Alleen al bij het Belgische Ieper sneuvelden in de loopgraven tussen 1914 en 1918 ongeveer een half miljoen mensen. Wat brachten iconische gruwelfoto’s als deze teweeg? Niets. Krap 20 jaar later kreeg Europa een 2e Wereldoorlog voor de kiezen, en op dit moment woeden elders ter wereld de brandhaarden van etnische en religieuze conflicten, met massale vluchtelingenstromen tot gevolg.

Thích Quảng Đức 11 June 1963

Bij mijn weten was dit de eerste foto van een zelfverbranding die over de wereld ging, of in elk geval de eerste die ik, als 15-jarige, onder ogen kreeg: Thích Quảng Đức, een 60-jarige Vietnamese monnik, die zich op 11 Juni 1963 in Saigon met benzine overgiet en in brand steekt uit protest tegen de onderdrukking van de boeddhistische minderheid in Vietnam door de katholieke president Diem. Heeft het de tolerantie jegens religieuze minderheden in de wereld verbeterd? Nou nee. Wat te denken van de boeddhisten (!) die in Myanmar de moslimminderheid Rohingya onderdrukken en vervolgen. Om nog maar te zwijgen wat fanatieke moslims elders in de wereld voor onheil aanrichten.

Kim Phúc June 8, 1972

En dan Kim Phuc, het napalmmeisje. Een iconische foto? Jazeker, maar niet zoals men denkt. Nog steeds doet het verhaal de ronde dat een Amerikaanse piloot op 8 juni 1972 de napalm boven het gehucht Trang Ba uitwierp, en dat deze foto het standpunt van de Amerikanen inzake de Vietnamoorlog definitief deed omslaan. Pure geschiedvervalsing. In 1972 was de Amerikaanse troepensterkte al teruggebracht van een half miljoen tot 70.000, en er was zo goed als geen Amerikaanse luchtmacht meer voorhanden. Het vliegtuig dat de napalm afwierp was van de Zuid-Vietnamese luchtmacht. De piloot zag de vluchtende bevolking, dacht dat het Vietcong guerrilla was en wierp zijn lading af. Wat de Amerikanen ook voor onheil hebben aangericht in Vietnam, met dit incident hadden ze niets te maken.

Nee, ik geloof niet in de waarde van iconische foto’s. Ze gaan een eigen leven leiden, buiten de originele context. Het dode jongetje op het strand is allang vergeten, en het beeld heeft op geen enkele manier bijgedragen aan begrip voor hen die de oorlog in het eigen land ontvluchten. Mijn god, je eigen land ontvluchten! Ik kan me er geen voorstelling van maken hoe moedig iemand moet zijn om land en taal achter te laten en je heil elders te zoeken. Misschien win je de veiligheid van je lichaam, maar je verliest je ziel. En wat gebeurt in Nederland? Hier demonstreert brallend gepeupel tegen de komst van AZC’s, daartoe aangemoedigd door de verschrikkelijke Geert Wilders, die met steeds meer schuim op de bek zijn rancune uitdraagt.

Nee, het is, in de woorden van Lara, inderdaad ‘an awful time to be alive’. Niet voor ons, maar voor de verdrevenen, de thuislozen. En het is niet het iconische beeld dat onze toekomst bepaalt, maar het woord. Ons woord van mededogen en begrip. Anders is er niets dan de desillusie van de vrijheid, zoals Svetlana Alexijevitsj, winnares van de Nobelprijs voor de Literatuur, in Het Einde van de Rode Mens schrijft: ‘Toen de grote bloedplas van het communisme geschiedenis was, volgde de desillusie van de vrijheid. Vroeger wilden we knokken en sterven voor onze idealen, nu kregen we een braaf tsjechoviaans leventje. Alle waarden werden weggevaagd, behalve die van het leven zelf. We kregen nieuwe dromen: een huis, een goede auto, kruisbessen in de moestuin.’

En hoe verging het Lara, de gedoemde geliefde van Zhivago? Pasternak schrijft: “She died or vanished somewhere in one of the labor camps; a nameless number on a list that was afterwards mislaid. That was quite common in those days.” Maar die tijden liggen goddank ver achter ons, zoals ook deze huidige tijd op een dag verleden tijd zal zijn en de wereld misschien iets rustiger is geworden. Veel heb je er niet aan, aan die wetenschap, maar we moeten het er maar mee doen.

179. Vallende Mannen

In de vroege jaren zeventig (van de vorige eeuw moet je daar dan bij zetten, flauwekul natuurlijk, wanneer anders?), in die jaren zeventig hadden we het volstrekt unieke muziektheater van Hauser Orkater. Een samenspel van de Amsterdamse gebroeders Hauser en de uit IJmuiden afkomstige broers Van Warmerdam, waarvan de oudste, Alex, uitgroeide tot een van de origineelste filmmakers die ons land ooit gekend heeft. Hauser Orkater speelde diverse stukken, waaronder Zie De Mannen Vallen. En het was de titel van die voorstelling die me deze week opeens te binnen schoot, want oei, wat zijn er dezer dagen veel mannen gevallen. Van hun voetstuk, over hun ego gestruikeld, over roem of een teveel aan testosteron. Hoe dan ook: gevallen, en hard ook. Ik noem er vier.

Op nummer 4: tandarts Walter Palmer uit Minnesota. Kwam breed in het nieuws omdat hij in Zimbabwe met pijl en boog Cecil de Leeuw doodschoot. Pijl en boog? Ja. Omdat het anders wel erg gemakkelijk is een leeuw te schieten. Want, zo zeggen ze, ook jagers vinden dat beide partijen gelijke kansen hebben. Gelijke kansen? Kon Cecil dan terugschieten? Nee, dat niet. Palmer Maar door zo’n pijl en boog waant de jager zich even in een tijd dat de oermens door de jacht moest overleven. Cecil heeft trouwens bijna twee volle etmalen met de pijl in z’n lijf rondgezworven voordat hij alsnog de kogel kreeg en vervolgens werd gevild en onthoofd voor de trofee. Op social media wordt Parker massaal aan de schandpaal genageld en met de dood bedreigd. Wat bezielt zo’n macho? Is het te verantwoorden om voor veel poen naar Afrika af te reizen om een wild beest dood te schieten? Moeilijke discussie, voor- en tegenstanders hebben allemaal hun argumenten, maar ik kan me er geen voorstelling van maken hoe het moet zijn om voor de kick een leeuw neer te schieten, of welk ander beest dan ook. Palmer echter heeft zo’n beetje de hele Ark van Noach op z’n palmares: neushoorn, buffel, olifant, luipaard, de hele mieterse bende. En nu een gevallen man, die z’n praktijk wel kan sluiten.

Nummer 3: een schandverhaal om je vingers bij af te likken. De Britse politicus John Sewel, voorzitter van het Gedragscomité van The House of Lords, die in opspraak kwam door videobeelden waarin hij seks had en cocaïne gebruikte met prostituees. Enkele weken geleden stelde hij nog voor Hogerhuisleden die zich misdragen te ontslaan: ‘Wandaden van enkelingen kunnen onze reputatie beschadigen’, schreef hij. Lord Sewel‘Schandalen maken goede krantenkoppen.’ Spot on, your lordship! Wat is dat toch, met die Engelsen? Toegegeven, Fransen kunnen er ook wat van, neem Dominique Strauss-Kahn, maar die Engelsen maken het wel erg bont. In de vroege jaren zestig smulde de goegemeente van de verhalen over de Conservatieve minister John Profumo, die het bed deelde met fotomodel Christine Keeler. Daarna was er Jeremy Thorpe, de latere leider van de Liberaal Democraten, die een homoseksuele relatie had met ene Scott, die Thorpe daar later mee chanteerde en vervolgens een huurmoordenaar op zijn dak kreeg, in opdracht van Thorpe. Zelfs de doodsaaie John Major (weet u nog? Prime Minister van 1990 to 1997) had een affaire met een minister uit zijn kabinet, Edwina Currie. En nu is daar Lord Sewel, in de tabloids al gauw omgedoopt tot Lord Sewer. Veel dieper kan je niet vallen. Eigen schuld. Moet je je driften maar beteugelen.

Nummer 2: Bill Cosby! Die joviale, begripvolle gynaecoloog (!) Cliff Huxtable uit The Cosby Show. De aardigste zwarte man in Amerika, rolmodel voor blank én zwart, die met grapjes en engelengeduld zijn kinderen opvoedde en met liefdevolle kwinkslag en een warme maaltijd zijn vrouw opving als ze moe thuiskwam van een zware dag op het advocatenkantoor. Diezelfde voorbeeldige Cosby werd tien jaar geleden aangeklaagd door een dame die beweerde dat hij haar verdoofd had met een pilletje en seksueel misbruikt had. Niemands geloofde het, cosby show Cosby lachte het weg, maar bracht intussen een leger advocaten in stelling en de zaak werd voor een onbekend bedrag geschikt. Intussen meldden zich steeds meer vrouwen, niemand luisterde, tot in oktober vorig jaar een (zwarte!) stand-up comedian tijdens een optreden in Cosby’s geboorteplaats Philadelphia sneert over het ‘zelfgenoegzame oude-zwarte-man-typetje’ die neerbuigend doet tegen andere zwarten omdat hij in een succesvolle sitcom speelde. ‘Ja, maar jij verkracht vrouwen, Bill Cosby.’ Het fragment werd gefilmd, kwam op YouTube en de rest is geschiedenis. Tientallen vrouwen deden inmiddels aangifte, allemaal met hetzelfde verhaal: gedrogeerd en verkracht. Exit Cliff Huxtable.

Maar nummer éen slaat alles. Geen man is dieper gevallen dan Atticus Finch, advocaat in het stadje Maycomb in het zuiden van de Verenigde Staten. Alleen: hij bestaat niet. Atticus Finch is een van de personages uit To Kill a Mockingbird, de inmiddels klassieke debuutroman van Harper Lee uit 1960 die in éen klap een bestseller werd. Miljoenen exemplaren gingen over de toonbank en iedereen viel voor de onverschrokken advocaat die pleit voor gelijkberechtiging en een zwarte man verdedigt die er ten onrechte van beschuldigd wordt een blanke vrouw te hebben verkracht. Gregory Peck Mockingbird Het boek werd verfilmd en Gregory Peck kreeg een Oscar voor zijn rol als Atticus de onkreukbare. Nu, vijftig jaar later, verschijnt een vervolg op Mockingbird: Go Set a Watchman, waarin tot de schrik van generaties lezers Amerika’s morele kompas, Atticus Finch, zich heeft verbonden aan racisten die zich hevig verzetten tegen de opkomende burgerrechtenbeweging en in de meest gruwelijke termen over de zwarte bevolking spreken en pamfletten verspreiden die ‘De Zwarte Pest’ heten.

Ik moet het boek nog lezen. Áls ik het al doe. Want ook ik was gegrepen door To Kill a Mockingbird, en weet niet of ik het kan verdragen als ik moet lezen hoe opnieuw een man valt, onhoudbaar, dieper nog dan al die echte vallende mannen. En anders kijk ik op YouTube nog maar eens naar Zie De Mannen Vallen van Hauser Orkater. Bijna veertig jaar oud, maar nog altijd origineel en verfrissend.

178. De Stad van Steen

In de jaren zeventig heb ik ze verslonden, de boeken van Alan Moorehead over de ontdekkingsreizen naar de bron van de Nijl en de verslagen van de expedities van Livingstone, Stanley, Speke en Burton. En altijd, altijd werd Zanzibar genoemd als de plek vanwaar de avonturen begonnen. Zanzibar: een magische klank, sterker nog dan Timboektoe. Maar nooit kwam het in me op er heen te gaan. Geen idee waarom niet. Hoe moeilijk kon het zijn? Vliegtuig, boot, minder dan een etmaal en je bent er.

‘n Jaar of tien geleden begon Mirjam ook over Zanzibar, we schreven het bij op onze Things To Do lijst, maar die was al zo lang, van alles kreeg voorrang en de jaren verstreken. Nu dan eindelijk is het zo ver, en we dwalen door Stone Town, het oude, negentiende eeuwse deel van Zanzibar Town. Sommige huizen zijn van oudere datum, maar het meerendeel stamt uit de periode toen Zanzibar als belangrijk handelscentrum op het hoogtepunt van haar macht was, en de rijkdom zich vertaalde in de bouw van moskeeën, paleizen en luxueuze woningen. De labyrintische stegen zijn smal en koel. Richard Francis Burton, de Britse ontdekkingsreiziger en oriëntalist, schreef in 1857: The streets are, as they should be under such a sky, deep and winding alleys, hardly twenty feet broad, and travellers compare them to the threads of a tangled skein. Moest ik opzoeken, skein. A wound ball of yarn, zegt Wikipedia. En zo ervaren wij de straten van oud Zanzibar ook. Het enige verschil is dat je in Burtons tijd niet werd lastig gevallen door handelaren in prullaria die je bijkans hun nering binnensleuren.

_HDC0711

Waarom Stone Town heet zoals ze heet? Nergens vind ik een officiële verklaring, maar het ligt voor de hand. Vergelijkbaar met onze oude veenkoloniën waar de dagloners en veenarbeiders in plaggenhutten woonden en de eigenaren van de landbouwbedrijven in hun buitenhuizen. Binnen de stadsmuren van Zanzibar Town huisden welgestelde Arabieren, Indiërs en Europeanen in hun uit steen opgetrokken woningen, buiten de oude stad verrezen de eenvoudige, met palmblad bedekte onderkomens van de armlastige Afrikanen en Swahili’s, kustbewoners die van het continent naar het eiland trokken om werk te vinden. Nog steeds heet het woongebied buiten Stone Town Ng’ambo, ‘de andere kant’, waar je, als je de stad uitrijdt, terloops kunt zien hoe ontwikkelingshulp níet moet: een naargeestige rij verloederde, door moesson zwart uitgeslagen flatgebouwen, in 1963 gefinancierd en gebouwd door de toenmalige DDR in het kader van een internationaal ontwikkelingsplan.

Net als vorige week in Dar es Salaam bezoeken we ook hier de markt. Het is heet, boven de smalle straatjes hangt rood zeildoek om de felle zon te dempen, alles verandert van kleur, het sijpelt het oude marktgebouw binnen, dompelt de wereld in een slaperige roes. Vlees-, groenten- en vismarkt werden begin vorige eeuw door de Britten gebouwd toen Zanzibar onder het Brits protectoraat viel. Er hangt een aangenaam relaxte sfeer, geen geschreeuw, niemand valt je lastig. haai Misschien omdat ze weten dat je als buitenlander hier toch niet hompen geit of vis gaat kopen? Dus is het kijken en genieten. Hooggestapelde kraakverse kruiden en groenten, een vleesafdeling waar we niet veel tijd aan besteden, zoals overal is het tussen de kadavers nét iets teveel van het goede. In de vismarkt loopt de verkoop op z’n eind, hier en daar nog wat tonijn en inktvis, we zien een haai (misschien dezelfde die we ‘s ochtends op het dak van een busje zagen dat ons inhaalde toen we in een dala dala, een publieke taxi, op weg waren naar de stad?) en buiten het marktgebouw blijkt net een vracht pijlstaartroggen te zijn afgeleverd (zie volgende foto). Zeven kanjers wachten op een koper, ze liggen slordig en achteloos neergesmeten op straat, hun machtige vleugels en gevaarlijke staart verworden tot nutteloze attributen.

_HDC0719

_HDC0725

Wij hebben voor de komende weken onderdak gevonden in Bellevue Guesthouse, een dik uur rijden van Stone Town naar de oostkant van het eiland. Een sprookjesachtig strand onder handbereik, fijne kamer en een perfect, klein restaurant waar Mirjam al dikke maatjes is met Yussuf Ali en Khamis Daub, de koks die bij toerbeurt in de keuken de scepter zwaaien. Want laten we niet vergeten waarom we hier zijn: Mirjams nieuwe boek researchen, deel vier in de unieke serie Streetfood: Zanzibar. Dagelijks worden er nieuwe hoofdstukken aan het langzaam groeiende boek toegevoegd: foto’s, verhalen en recepten van lokale bewoners, waar we thuis op bezoek gaan. Of, laat ik eerlijk zijn, het is vooral Mirjam die het doet, soms ga ik mee. Op dit moment, terwijl ik dit schrijf, is ze in het nabije dorpje Bwejuu (Bwejoe) op bezoek bij de kennis van de zuster van iemand die in het guesthouse werkt. Het gaat als een lopend vuurtje, de succesvolle kookboekenschrijfster uit Nederland werkt aan een boek over Zanzibar en iedereen wil meedoen, steentje bijdragen, en als het kan met naam en foto in het boek. Kan niet bij iedereen, maar de familie van Idris en Tum, die bij het krieken van de dag beginnen met chapati’s bakken voor de verkoop, zal zeker in het boek komen. Onderstaande foto maakte Mirjam daar gisterenochtend, om vijf uur werd ze opgehaald om er te fotograferen. Interessant detail: het huisje ontbeert elektriciteit, het vroege ochtendlicht was nét genoeg om dit prachtbeeld te maken. En iedereen in de familie werkt mee om de eindjes aan elkaar te knopen, tot aan het kleine zoontje van nauwelijks drie jaar.

©MirjamLetsch-ZANZIBAR-1250

Morgen gaan we een kijkje nemen bij een vrouwencollectief uit het naburige dorp dat zeewier verbouwt. Een heel bijzonder initiatief, waardoor de vrouwen zelf een bescheiden maar regelmatig inkomen verwerven. En de dagen daarna zijn ook allemaal volgeboekt met afspraken, interviews, fotograferen, schrijven en tussendoor lange strandwandelingen. Ja, het leven is goed.

Tot slot nog iets geestigs: reclames van vroeger waarin onze donkere medemens een rol speelt. Ofwel: reclames met guitige negertjes met dikke lippen. Vroeger heel gewoon, elke tijd zijn eigen mores. In Nederland, waar het publieke debat bol stond van Zwarte Piet, word je nu bijkans gelyncht als je die reclames nu nog leuk zou vinden. En hier? Hier vinden ze ze práchtig. Houden wel van een beetje humor. Deze oude reclame van Albert Heijn bijvoorbeeld hangt in Stone Town, in Zanzibar Coffee House. Je denkt toch niet dat ze dat doen als aanklacht tegen het vroegere kolonialisme, of om te laten zien hoe racistisch die verrekte blanken zijn? Welnee joh, gewoon een leuk plaatje, ‘n soort cartoon. Klaar, uit.

FB_HDC0739

177. Hakuna Matata

‘What you doing why?’
Ik draai me om naar waar de barse mannenstem vandaan komt en sta oog in oog met drie soldaten, kalashnikovs in de aanslag. Oei, dat riekt naar narigheid. Naar waarheid zeg ik dat ik het straatnaambord fotografeer, Barack Obama Drive, ‘because in my country, we like Obama very much and it is beautiful to see his name here in Dar es Salaam.’
De woordvoerder van het stel kijkt me aan. Gezicht zonder uitdrukking, kille ogen. Hij wijst naar de hoge muur achter ons.
‘You know what this is?’
Ik zie niets, behalve de hoge muur die me niet eens was opgevallen. Ik zag alleen het naambord en de straat, die hier wel erg breed is, meer een soort plein. Daarachter de zee.
‘This is White Hous. Residence of president Jakaya Kikwete of Tanzania. No photographs!’
Shit. Nu zal je ‘t hebben. Ik denk aan Cees Nooteboom, die ooit in Gambia bijna achter de tralies verdween omdat hij niet van z’n fiets stapte toen de president in colonne langs reed. Ik kijk naar de muur die zo hoog is dat je onmogelijk kunt zien wat daarachter verborgen gaat, laat staan dat je het kunt fotograferen. Krankzinnige vertoning natuurlijk, maar dit is niet het moment voor principiële discussies. De voorste soldaat wijst op m’n iPhone en zegt iets dat ik niet kan verstaan. Pas na de derde keer begrijp ik het.
‘Delete.’
Ik frommel wat aan m’n telefoon, trek een ernstig gezicht en zeg: ‘All deleted.’
‘You sure?’
‘I’m sure.’
Hij wijst naar de andere kant van het plein.
‘You go. You walk there. Not near White House.’
Ik steek het plein over richting de oceaan waar Mirjam staat te wachten waar we liepen toen ik het straatbord zag en besloot het te fotograferen. Ze heeft alles van een afstand gezien, lacht besmuikt, vertelt dat ze de soldaten op me af zag komen maar wat kon ze doen, roepen Pas op achter je! als bij Jan Klaassen en Katrijn in de poppenkast? We lachen het weg en lopen verder. Karibu Tanzania. Welkom in Tanzania.

1. IMG_5483

We zijn op weg naar Kivukoni, de vismarkt van Dar es Salaam. De vorige avond in Tanzania aangekomen, nog een tikje groggy van de lange vlucht en nu de klap van de hitte. Even wennen. Van het hotel naar de vismarkt is niet ver, kilometer of vier, vijf, maar de hitte wordt ons al gauw de baas. Het is vroeg in de middag, overal zoekt men schaduw onder bomen, jongelui in schooluniform maken huiswerk, zittend op de grond, groeten ons als we over het smalle geitenpaadje langs hen lopen. Karibu, habari gani? roepen ze ons toe. Welkom, hoe gaat het? Antwoorden in Swahili kunnen we nog niet, dus zeggen we thank you en iedereen blij. De onzekerheid die er bij de soldaten was ingeslopen lost op als sneeuw voor de zon. Maar op de vismarkt heeft Mirjam even later een rare aanvaring met een opgewonden heerschap, die, terwijl ze fotografeert, in beeld springt en als een razende tegen haar schreeuwt. Hoewel? Tegen haar? Het lijkt alsof hij recht in de lens kijkt, maar het onderwerp van zijn woede blijkt achter Mirjam te liggen, hij stiefelt uit beeld en verdwijnt schreeuwend in de massa.

4. DSC00122

De vismarkt van Dar es Salaam is een verbluffende ervaring. Overal ter wereld waar we komen bezoeken we markten en als het een kustplaats is ook de visafslag, omdat je nergens anders de ongepolijste wereld te zien krijgt zoals daar. Tot nu toe was Nha Trang in Vietnam de opwindendste vismarkt die we zagen. Er werden haaien binnengebracht en reusachtige vissen waarvan we de naam niet kenden, maar Dar es Salaam gaat er met de eerste prijs vandoor. Een fantastische kermis. Dorpsvrouwen zitten opeengepakt schouder aan schouder langs een tafel waar vis geveild wordt door mannen aan de overkant. De vrouwen wijzen op stapeltjes vis, gooien tot een propje verfrommelde bankbiljetten naar de overkant en schuiven er een plastic container achteraan die, gevuld met de vis die ze bemachtigd hebben, teruggeschoven worden. Dan staan ze op, groeten hun buurvrouwen en keren terug naar huis. Hun plaats aan de veilingtafel wordt ingenomen door andere vrouwen en het schreeuwen van vragen en bieden begint opnieuw.

2. _HDC0534

De markt bestaat uit verschillende sectoren. Verse vis wordt aan wal gebracht, verhandeld en verpakt. Verkochte vis wordt schoongemaakt, en als de opdrachtgever wil tegen een geringe meerprijs ter plaatse gefrituurd. Op gloeiende houtgestookte vuren staan reusachtige woks, waarin de olie borrelt. Zwetende mannen, broekspijpen opgerold en op blote voeten, scheppen met schuimspanen de vis in en uit de olie, alles gromt en gloeit, druipt en walmt. Hier, wil je proeven? Ze reiken ons vis aan op een oude krant, visjes zo klein en dun als lucifers, halfwas makreel, een stevige moot rog en zeeduivel. We proeven of slaan dankend af, nee, genoeg, sorry, maar asante sana, dankjewel. En zo proeven we en krijgen gaandeweg het eerste Swahili onder de knie.

3. 72_HDC0558

Beneden in de baai wordt de vis aangevoerd en uitgeladen. De grootste vangst het eerst, ‘s ochtends vroeg, daarna de kleinere vissersbootjes. Aan boord wordt de vis in manden geschept en vervolgens aan land gebracht. Trots laten ze het zien. Een soort spiering, bedekt met een laag zout. Die gaan dadelijk rechtstreeks de olie in, komt geen mes aan te pas, niks schoonmaken. Frituren en huppekee op het bord.

5. _HDC0599

Bij de inktvis is het een ander verhaal, daar kan je niet zonder mes. Leuke job? Nee, denk het niet. Zwijgend zit de man achter een glibberige berg en snijdt ogen en maag weg. Zijn bewegingen zijn ritmisch, niets komt er tussen, het doet denken aan Chaplins Modern Times, steeds dezelfde beweging, dezelfde handeling, hoelang hou je dit vol? Misschien mag hij straks iets anders, villen of hakken, of ruilen met een van de collega’s die zwetend achter de ronkende vuren staan. Of misschien is hij gedoemd tot altijd hetzelfde, altijd inktvis, een leven met squid?

6. _HDC0606

Intussen hebben we de oversteek naar Zanzibar gemaakt. We hadden het vliegtuig kunnen nemen, een sprongetje van 20 minuten, maar een eiland moet over water. Twee uur op een snelle veerboot, dek en cabine volgepropt, passagiers slapen of kijken naar een Chinese vechtfilm. Het is bijna avond als we ons in de chaos van haven en douane storten. De smalle havenstraat van middeleeuws Zanzibar Town is verstopt met taxi’s, maar na verloop van tijd lost het op en koersen we in duisternis naar de oostkust, waar we voor de komende weken onderdak hebben gevonden en van waaruit we ons werk gaan doen: Mirjams volgende boek researchen. En een beetje vakantie houden. Dat begint meteen al de volgende ochtend als we een lange strandwandeling maken. Het strand is wonderschoon en doodstil, behalve af en toe een Masai die ons met Hakuna Matata begroet en na een korte babbel handel probeert te verkopen. Hakuna Matata? Hé, dat ken ik. Ooit, bijna in een vorig leven, zat ik met mijn zoons in de bioscoop en zag de tekenfilm Lion King, waarin dat gezongen werd. Hakuna Matata: geen probleem. Geen zorgen. Take it easy.

Later blijkt dat het niets met Zanzibar te maken heeft, het is Swahili uit Kenia, geïmporteerd om de toeristen te behagen die het van die film herkennen. We wimpelen de handel van de Masai af, die op zijn fiets over het strand zijn weg vervolgt, en wandelen verder langs de schitterende Indische Oceaan. En ik moet toegeven: eigenlijk niet zo gek, dat Hakuna Matata. Zo mag het zijn, de komende weken. Geen zorgen. Take it easy.

FB IMG_5541