169. Storm en Stenen

Dat we geen hoogzomer konden verwachten in Hoi An, wisten we wel. De regenkans is aan de kust in dit jaargetijde hoog, bovendien wordt Centraal-Vietnam regelmatig bestookt door tyfoons, vorig jaar was het extreem, vijf opeenvolgende stormen die enorme schade aanrichtten. Dus dat het geen luie dagen zouden worden met zonnebrandcrème en cocktails met parasolletjes, dat wisten we. Wilden we ook niet. Maar strandwandelingen, daar keken we naar uit. Mag het stormen of regenen, dan trekken we toch een regencape aan? Koud zou het niet worden, altijd ruim boven de twintig in Hoi An, zelfs hartje winter.

Op internet een hotel zoekend kwamen we onderstaande foto tegen. Kon het mooier? Ook zonder zonneschijn een paradijselijk strand en pal naast het hotel ook nog, die stenen muur, dat was de begrenzing, pal daarachter de kamers. We zagen ons al wandelen langs dat strand, desnoods in de regen, met wind in de haren en af en toe wegspringen voor de aanrollende branding. Vakantie! Wij dus zo’n kamer geboekt, met uitzicht op zee.

a504d27a-3989-4410-93ba-37701dbfe918

En toen was er de tyfoon Hagupit, die net als zijn voorgangers over de Filipijnen raasde. Altijd westwaarts en dus altijd richting Vietnam. Hagupit. Filipino voor zweepslag, leer ik op google. Hoe hard zouden de klappen nog zijn als hij de Vietnamese kust bereikte? Over een paar dagen, dat wisten we, dus daar zouden we wel wat van gaan merken, van die zweepslag, de pijl op de tekening van het weerbericht wees rechtstreeks op Hoi An.

Hagupit tyfoon prognose 061214

Twee dagen later arriveren we op het vliegveld van Danang. We waren hier al eerder, januari 2006, toen we Vietnam doorkruisten en research deden voor onze reisgids. De associatie die een klank oproept, het blijft wonderlijk. Danang. Hier landden in 1965 de eerste Amerikaanse gevechtstroepen. En China Beach, het strand waar soldaten tijdens de Vietnamoorlog hun R&R genoten, rest and recuperation. Maar als we van het vliegveld zuidwaarts rijden richting Hoi An komen we langs China Beach en zien niets dan woeste golven, ontwortelde palmbomen en hier en daar de treurige restanten van wat ooit rieten strandhuisjes geweest moeten zijn. Het trottoir op de weg langs het strand ligt bezaaid met palmtakken en kokosnoten, de enkele overgebleven kokospalmen staan er kaal en zielig bij.

Als we na het inchecken in het hotel naar onze kamer lopen is de verbazing groot als de zee bijna tot aan onze kamerdeur komt. Strand? Waar is het strand? We herkennen de stenen muur van die zonnige strandfoto, maar waar op het plaatje zand en palmbomen waren zien we nu denderende golven. De jongeman die onze bagage naar de kamer brengt kan nauwelijks Engels, maar de essentie is duidelijk: weggeblazen tijdens de tyfoon. Maar we laten ons niet kisten, de kamer is prachtig en kijk nou toch, zeggen we tegen elkaar, zo’n uitzicht, hoe vaak zie je zoiets vanuit je bed? Alsof je op een schip zit.

Storm VN 1_HDC0170

Uitpakken, en dan naar buiten. De wind is hard, maar dat kennen we wel uit Friesland, het is een kwestie van een tikje naar voren leunen om je evenwicht te bewaren. Aanrollende golven, de een wat sterker dan de ander, en dan opeens een hoog opspattende watermuur, eentiende seconde na deze foto komen de zee over ons heen en slaat door de openstaande kamerdeur naar binnen. Les geleerd. Vanaf nu de deur dicht.

Storm VN 2_HDC0248

Wanneer het precies gebeurd is, met dat strand, horen we ‘s avonds van de bedrijfsleider die in het restaurant even bij ons aanschuift. Vorig jaar oktober en november, twee keer achterelkaar een verwoestende tyfoon. Het leger evacueerde 120.000 bewoners uit de dorpen langs zee, en hij zag met lede ogen hoe bij zijn hotel alles werd meegesleurd in de ziedende golven. Het veertig meter brede strand, palmbomen en de strandbar. Nog een wonder dat de beschermende muur langs het hotel het hield. Vanaf dat moment zijn ze druk bezig geweest de muur te verstevigen. Met handkracht, machines kunnen hier niet komen. Een paar honderd meter verderop wel, waar het onbebouwd is, als we door de storm een wandeling maken zien we twee mannen en een hijskraan, ze bouwen een damwand. Op blote voeten gaat het, de een legt een ketting op een metalen damdeel, de ander zit aan de hendels, tilt het ding op en ramt het de grond in. Er staat al een heel stuk, maar het midden is ingezakt, het water stroomt binnen, nu bouwen ze een nieuwe wand dichter bij de geërodeerde kust. Twee mannetjes vechtend tegen de bulderende zee, het is aangrijpend en aandoenlijk tegelijk.

Storm VN 3_HDC0225

Nog aandoenlijker wordt het als we, daags voordat tyfoon Zweepslag de Vietnamese kust zal bereiken, zien hoe bij het hotel met man en macht geprobeerd wordt de kustbescherming te versterken. We willen het vastleggen, regencapes aan en camera’s mee, het stormt en raast, we proberen onze apparatuur droog te houden onder een paraplu maar het is zinloos, als in een komische film slaat het ding binnenstebuiten en we laten hem los en weg is ‘ie, stuitert over de muur pardoes de zee in.

Storm VN 4_HDC0270

Een vrachtwagen heeft buiten de poort rotsblokken gestort die nu met de hand verder moeten. Ach, wat een gesjouw. Op de kar, dan duwen door rul zand naar de muur waar de lading gelost moet worden. Maar hoe krijg je het op de juiste plaats? Wat zal zo’n rotsblok wegen? Ze sjorren en trekken de kar naar de muur over een geïmproviseerde loopplank, zandzakken moeten het ding op de plek houden. De mannen duwen en trekken, ze roepen elkaar toe om kracht te zetten en dan hup, op goed geluk de zaak omlaag kieperen. Sommige blokken glijden meten de zee in, andere blijven hangen, en langzaam zal de beschermende muur dikker worden en sterker.

Storm VN 5 _HDC0262

Hoeveel mensen logeren in dit hotel? Geen idee, we zien haast nooit iemand, veel zal het niet zijn, vertrokken naar warmere oorden. In elk geval komt niemand kijken naar dit natuurgeweld en het aandoenlijke gevecht van mens tegen natuur. We zijn diep onder de indruk van het doorzettingsvermogen dat we zien, het gaat maar door en door, mannen en vrouwen, verbeten blijven ze sleuren en sjouwen in regen en behalve ons is niemand getuige van hun heroïsche gevecht. Aan alles merk je dat ze blij zijn een beetje waardering te krijgen, al is het alleen maar door je aanwezigheid, een glimlach, een opgestoken duim. Maar vastleggen is beter. Mirjam maakte een kleine gefilmde impressie van één minuut. Zie de link onder de laatste foto. En in het volgende bericht weer iets zonnigere. Hopelijk.

Storm VN 6_HDC0287

168. Lucky Dog

Ergens in de jaren zeventig ontstond in Nederland enorme ophef toen foto’s naar buiten kwamen hoe Zuid-Koreanen honden afmaakten, om ze vervolgens op te eten. De wereld was te klein. Dierenbeulen! scandeerde het volk verontwaardigd, daartoe kundig opgezweept door De Telegraaf, die, zo herinner ik het mij tenminste, in chocoladeletters KOREANEN MOORDENAARS op de voorpagina zette. Kan me voorstellen dat onder druk van deze volksmennerij de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken de Zuid-Koreaanse ambassadeur op het matje heeft geroepen. Moet een rare conversatie geweest zijn. Zeg, dat gedoe met die honden bij jullie… Ach mijnheer, zo doen we dat in Zuidoost Azië. Kijk eerst eens naar jezelf, jullie eten rauwe vis! Denk niet dat de minister daar van terug had.

Toen wij in Vietnam voor het eerst op een markt honden op het hakblok zagen, keken we toch vreemd op, ook al hadden we al veel raars gezien op dat gebied. De Chinese bezetters in Tibet, wat die zoal op hun bord schepten ging ons vaak de pet te boven. Maar we kenden de wereld goed genoeg om met de nodige nuance te oordelen. Hand in eigen boezem, heet dat. Wat wij Nederlanders jaarlijks aan plofkippen over de kling jagen… meer dan vijfhonderd miljoen hanslcv-7 verzwakte, kreupele dieren die zes weken een ellendig leven leiden alvorens geslacht te worden. Enige bescheidenheid is dus op z’n plaats als we over eetgewoontes van anderen mogen oordelen.
Maar toch. Die honden in Vietnam. Getransporteerd achter op scooter of motorfiets, verkocht op markten en dan in de pot. Deze foto maakte ik in 2007, toen we op weg waren naar het noorden voor een operatiekamp. Zo’n aardige, vrolijk lachende kerel en achterop dat hondje, nietsvermoedend. En dan zeiden we tegen elkaar: als we zo’n dier nou vrijkopen, wat dan? Rare, lastige verstrengeling van ratio en emoties.

Tot vorige week. Toen gebeurde het warempel tóch. We waren in een dorpje geweest om een voormalig patiëntje te bezoeken, Lo Thi Nang. Als baby in het vuur gevallen en ernstige brandwonden aan haar handen. Nooit verzorgd, geen dokter in de buurt. Vingers vergroeid, onbruikbare handen. Stichting Duniya financierde meerdere operaties, alles ging goed, ze kan haar vingers weer bewegen, leerde schrijven, nu zit ze op school in een naburige stad. Daar zoeken we haar op. Gaan naar haar dorpje, bezoeken haar ouders in een traditionele paalwoning tussen de rijstvelden waar buffels grazen en eenden snateren in de modder. Het echte Vietnam dat voor de meeste buitenlandse reizigers verborgen blijft. Als we Lo Thi Nang terugbrengen naar school besluiten we te gaan lunchen. En daar gebeurt het.

Twee jonge kerels op een motorfiets. Een van hen heeft een rieten mand op de rug met een hond, vastgebonden met een dunne ketting die strak om haar hals zit. Een van hen loopt naar binnen en vraagt de eigenaar van het restaurant of hij de hond wil kopen. Die moet er nog even over nadenken, blijkt dat in zijn restaurant geen hondenvlees geserveerd wordt, maar voor privé gebruik, daar heeft hij wel oren naar. De jongeman die het dier draagt heeft de rugmand afgedaan en op de grond gezet. Het IMG_4603 hondje kijkt nieuwsgierig om zich heen, ogen helder, oren gespitst. Mirjam staat op van tafel, wil het dier aaien, eerst voorzichtig, je weet maar nooit. Nog geen twee minuten later heeft ze hem uit de mand gehaald en op schoot. Het dier geniet zichtbaar van de aanraking, legt zijn kopje tegen haar aan, maar blijft alert, de minste beweging van iemand anders of ze zit rechtop, de oren gespitst. Naast Mirjam zitten twee vrouwen van de Lu stam, de etnische minderheid waartoe ook Lo Thi Nang behoort. Ze wijzen op het hondje, kijken naar Mirjam en wijzen vervolgens op hun mond, het aloude gebaar van eten. Mirjam schudt haar hoofd. Nee, we gaan haar niet eten maar vrijkopen.

Hond1 72_IND0043

De zaak is gauw beklonken. Aan wie ze het dier verkopen zal de jonge kerels een zorg zijn, als ze maar krijgen wat ze voor de hond willen vangen: 600.000 Vietnamese Dong. Iets meer dan 22 euro. We rekenen af, en daar staan we dan, in een bergdorpje in Noord-Vietnam, met een hond. Wat nu? Mirjam wil al jaren een hond thuis, dit zou het moment zijn, maar we moeten realistisch zijn. Inentingen, papieren, een hoop red tape en dan nog dat vliegtuig, overstap in Bangkok… nee, geen goed idee, wat een stress voor zo’n beestje. Dan een brainwave. Waarom geven we haar niet aan Lo Thi Nang? Ruimte genoeg in die paalwoning, ze hebben varkens en eenden, daar kan toch een hond bij? We vragen het haar en ze hoeft er geen seconde over te denken, haar appelwangen kleuren rood van opwinding. Een hondje? Ja! Graag!

Eerst moet ze haar ouders vragen of het dier mee naar huis mag. Gelukkig is de moderne tijd een klein beetje doorgedrongen in deze afgelegen dorpen, veel bewoners hebben een mobiele telefoon. Ze belt. Mag het? Dan, enthousiast, ja! Het mag!

Hond2  72_IND0046

Maar dan het probleem: hoe krijgen we die hond naar het dorp waar we eerder die ochtend waren? Een wandeling van meer dan een half uur, twee keer een riviertje oversteken en dan tegen een heuvel op… Lo Thi Nang kan zelf niet, ze moet terug naar school waar ze intern is, alleen in het weekeinde gaat ze naar huis. Er wordt druk gedebatteerd, en de oplossing is simpel: de jongens die het dier aan ons verkochten, die kunnen toch met de motor naar het dorp?

Hond3 72 _IND0049

Ook nu is de zaak snel afgehandeld, dat duurt in Vietnam nooit lang, dit is het land van de snelle beslissingen. Extra betalen? Welnee, nergens voor nodig. Weten ze waarheen ze het dier moeten brengen? Natuurlijk, iedereen kent hier iedereen en weet waar iedereen woont en als iets niet duidelijk is wordt het uitgelegd, die kant op, twee keer de rivier over en dan tegen de heuvel op eerste paalwoning links.

Hond4 72 _IND0051

Daar gaan ze. Samen met Lo Thi Nang zwaaien we de hond uit. Hoe weten we zeker dat de jongens het dier ook bij haar thuis afleveren? Dat ze niet, zogauw wij uit zicht zijn, het beestje ergens anders opnieuw te koop bieden en dubbel verdienen? Nee, geen sprake van, zegt onze partner Dong An. Zo werkt dat niet. Afspraak is afspraak. Bovendien, zegt hij lachend, we hebben de foto’s toch? Volgend jaar komen we terug en kijken hoe het met de hond gaat. Alles komt goed, zegt hij zelfverzekerd, en herhaalt het met zijn favoriete stopwoordje: sure, alles komt goed.

We kijken de motorfiets na. Alles komt goed, zeggen we zacht als ze uit zicht verdwijnen. Voor de hond komt het zeker goed. Ze zal in leven blijven en opgroeien tussen de rijstvelden. We weten het echt wel, honderden honden zullen er nog gegeten worden in dit dorp. Maar soms moet je je hart volgen. Dit dier had gewoon mazzel. You lucky dog.

Hond5 72 _IND0058

167. Vietnam, opnieuw

Jeetje, u gaat ook vaak naar Vietnam, zegt de KLM-dame als ze bij het inchecken door mijn paspoort bladert. Veel? denk ik. Valt nog wel mee, keer of vijf, zes. Mirjam al heel wat vaker. Wonderlijk, hoe zo’n land in je leven komt. Voor het eerst kwamen we er begin 2006. Vier maanden met de fiets door Zuidoost-Azië: Thailand, Laos, Cambodja en Vietnam. En omdat van het een het ander komt, zoals twee boeken over Vietnam, tal van artikelen en foto’s en niet te vergeten ons werk voor Stichting Duniya, zetten we bijna negen jaar later voor de zoveelste keer voet op Vietnamese bodem.

Dit keer was het wél de eerste keer dat ik er mijn verjaardag vierde. En hoe! Mirjam had het op voorhand bekokstoofd met onze goede vriend Dong An, met wie we al jaren via onze Stichting Duniya samenwerken: een etentje bij het huis waar hij opgroeide, in oud-Hanoi. Toen we vorig jaar voor het eerst dat ouderlijke huis bezochten vertelde hij hoe hij als jonge kerel in 1968, toen de Amerikanen de stad voor het eerst bombardeerden, angstig ‘s nachts de straat op ging en de vlammen zag. Oud Hanoi bleef bespaard, goddank. Daarom konden we nu zien waar hij geboren en getogen was: een klein huisje in Hang Ca, ooit van hout, later herbouwd in steen. Nog steeds wordt het bewoond door zijn oudste broer, die ons de kamers liet zien. Nou ja, kamers… Vietnamezen zijn zuinig én vindingrijk. Waarom zou je woonruimtes hoger bouwen dan strikt noodzakelijk? Met de ruimte die je uitspaart kan je vier etages bouwen inplaats van drie. Slim, maar voor een grote Nederlander ‘n beetje lastig…

474483_565053726849015_198049209_o

Jarig in Hanoi, en we vieren het op straat. Zo gaat dat hier. Huis te klein, dus tafels naar buiten. Ook klein, die tafels, en bijpassende stoelen, een soort zithurken, je went er nooit echt aan. De vanzelfsprekendheid waarmee het leven zich onder de blote hemel afspeelt is jaloersmakend, maar in Hanoi is het nooit winter, het jaargemiddelde is 25 graden Celsius. Ooit was er een freaky koude maand, zes graden, de mensen wisten niet wat ze overkwam. Maar deze november is prachtig en we zitten ‘s avonds gemoedelijk op de stoep en proosten op de jaren die nog in het verschiet liggen.

72 _IND9909

Een van de verrassingsgasten die is uitgenodigd is Dr. Tran Quoc Hung, een orthopedisch chirurg die deel uitmaakt van het vaste team artsen waarmee onze stichting in Vietnam werkt. Dr. Hung leerde het vak tijdens de Amerikaanse oorlog, als arts bij het Noord-Vietnamese leger, snijden in de loopgraven. Later, tijdens de Vietnamees-Chines oorlog in 1979 specialiseerde hij zich in traumachirurgie. Zijn vrouw is kinderarts, thuis runnen ze een kleine privé-kliniek. Ze hebben een cadeau voor me meegebracht, verpakt in een grote kartonnen doos. Het blijkt houtsnijwerk, een lachende boeddha die een zak geld achter zich aan sleept. Een combinatie van esoterie en kapitalisme, denk ik. Dr. Hung is, net als veel Vietnamezen en Chinezen, verzot op groot houtsnijwerk, en wat je mooi vindt geef je een ander, zo werkt het. De guitige boeddha gaat straks mee naar Friesland, krijgt ergens een ereplaatsje, maar waar precies? Hm, dat weten we nog niet.

72_IND9899

Als klap op de vuurpijl nog een kartonnen doos met strik en al: een verjaarstaart, met mijn naam, nog goed gespeld ook. Wanneer at ik voor het laatst taart? Sterker nog, wanneer sneed ik er zelf een aan? Kan het me niet heugen, vroeger ooit eens, op de verjaardag van een van mijn zoons. Nu gebeurt het, in Hanoi. Feest!

72_IND9918

Daags na mijn verjaardag zwerven door Hanoi. Zo vaak al waren we hier, maar zoveel nog ongezien. Als altijd zijn het de kleine dingen die opvallen en ontroeren, inkijkjes in het leven van anderen. Deze winkel bijvoorbeeld, handel in ventilatoren. Kun je daar van leven? Kennelijk wel, anders was de winkel er niet. Voor de zekerheid heeft hij ook nog wat aangebroken potten verf in de aanbieding. De tv staat aan, en Chinese vechtfilm, als het lawaai op straat niet zo intens zou zijn kon je de harde klappen horen waarmee ze elkaar in dat soort films om de oren slaan. Vlak daarboven, tussen de ventilatoren door, zie je de foto van een vrouw. Dood, anders hing die foto daar niet. Vietnamezen vereren ouderdom, en als je dood bent leef je voort als foto. Zal de vrouw van de winkelier zijn. Als ze nog leefde had ze hem een klap voor de kop gegeven, zet die pokke-tv nou eens uit.

72 _IND9858

De volgende dag gaan we noordwaarts naar Lao Cai, de grensstad met China. Hoe vaak reden we die route al? Bijna driehonderd kilometer slingerend door de dorpen de bergen in, met een beetje mazzel deed je er acht tot tien uur over. Nu ligt er een 254 kilometer lange snelweg, afgelopen september feestelijk geopend, binnen vier uur ben je in Lao Cai. Allemaal onderdeel van het masterplan om China’s reuzenstad Kunming en de Vietnamese havenstad Haiphong te verbinden. Hoeveel dorpjes zijn gesneuveld voor deze snelweg? Hoeveel dorpelingen moesten weg van de voorouderlijke graven en vertrouwde grond? Het moeten er tienduizenden zijn, maar daarover zwijgen de kranten, daarin niets dan jubel en een lintknippende minister-president Nguyễn Tấn Dũng.

Maar toegegeven, het is aangenaam snel ter plaatse te zijn, al missen we de kleurrijke dorpjes en de talloze doorkijkjes naar het Vietnamese leven. Wél laat het zien hoe inventief en ondernemend de Vietnamezen zijn. Van alle nood wordt een deugd gemaakt. In de krant lazen we dat er five rest stations zijn, maar al wat we zien is één tankstation in aanbouw. Nou, dan moet je bij de Vietnamezen zijn. In no time schieten her en der geïmproviseerde eetstalletjes uit de grond. Je moet over de vangrail klimmen om er te komen, maar dan heb je ook wat: geroosterde of gekookte maïskolven, verse thee of een mok dampende noedelsoep. En als je moet plassen ga je maar in gindse bosjes.

166. She Did It, Again

Op de valreep van ons vertrek naar Vietnam bijzonder en heugelijk nieuws: Mirjam heeft met haar nieuwste boek STREET FOOD KOSOVO in de Kookboek van het Jaar competitie de eerste prijs gewonnen in de categorie Goede Doelen. Twee jaar geleden heette dat nog Beste Initiatief, toen won ze ook, met Street Food India. En nu valt ze dus weer in de prijzen!

De competitie in deze categorie werd gejureerd door tv-chef Pierre Wind, die het knap lastig gehad moet hebben, want een van de concurrenten van Street Food Kosovo was nota bene Street Food Vietnam… Laten we niet vergeten dat Mirjam dit jaar maar liefst twéé boeken heeft uitgebracht. Welk van je kinderen heb je het liefst? Uiteindelijk viel de keus van de jury op Kosovo. Applaus, champagne en hoera!

IMG_28733-klein

Op Facebook las ik vanochtend een mooie aanbeveling voor Mirjams boeken, die ik van harte deel: So proud of my friend Mirjam Letsch, who works miracles: she travels, she takes photos, she writes cookbooks and above all – she helps deprived children in the world by doing this. Kosovo – the new culinary trend with a humanitarian touch.

Dat is een mooie: culinary trend with humanitarian touch. Die houden we er in. Dankjewel, Yelena!

Tja, veel meer valt er niet te zeggen. Behalve dat Street Food Kosovo (in twee talen leverbaar: Nederlands en Engels!) bij de boekhandel te koop is en natuurlijk ook online, hetzij via onze eigen uitgeverij Street Food World (klik hier om rechtstreeks naar de webwinkel te gaan) of bij bol.com, waar alle boeken die we gepubliceerd hebben te koop zijn. Toegegeven, bij hun ben je iets goedkoper uit omdat zij een aangepast tarief kunnen bieden voor verzending, maar ze krijgen een fikse boekhandelskorting, dus aan het eind van de rit blijft er voor ons minder over, en dus ook voor Care for Kosovo Kids.

Kortom: wil je je verzameling Street Food op peil houden (let op, Vietnam is nog volop leverbaar maar de 2e druk van India is zo goed als uitverkocht), koop Kosovo en geniet!

Goed. Tot zover. Vanmiddag vertrekken we, morgen 14:10 komen we aan in Hanoi – tijdsverschil zes uur, dus 08:10 Nederlandse tijd. Vijf weken Vietnam. Verrukkelijk vooruitzicht!

165. Herinnering aan de Muur

Waar was je toen…? Dit is de categorie Kennedy, landing op de maan, EK 1988 en de Val van De Muur. En vandaag gaat het natuurlijk om die laatste. Waar ik was, toen dat heugelijke nieuws tot mij kwam? Thuis, voor de televisie, jankend van ontroering. Want een paar weken daarvoor was mijn documentaire over de Duits-Duitse grens uitgezonden bij de VPRO, en wie had toen kunnen bevroeden dat het zo snel zou gaan? En had ik geweten wat voor onvergetelijke taferelen zich die avond in Berlijn zouden afspelen was ik subiet in de auto gesprongen.

Een bijzondere zomer, die van 1989. Bijna drie maanden lang reed ik in mijn tot camper verbouwde Peugeot bestelbusje langs de Innerdeutsche Grenze, het monstrum dat uit naam van een onverdedigbare politieke ideologie het land in tweeën hakte. Ik maakte opnames voor de VPRO, in de hoop dat die documentaire uiteindelijk mijn entreekaartje zou worden tot een vast freelance contract bij de beste omroep van Nederland. Wat ook zou gebeuren.

Dwalend in mijn camper...

Die zomer, dwalend in mijn camper…

Maar die zomer, dwalend door het Duitse achterland, wist ik dat nog niet. Veel was onzeker in die periode, het wereldtoneel schudde op zijn grondvesten. In juni was het grote studentenprotest op het Tienanmenplein in Peking gewelddadig uiteengeslagen, in Hongarije ontstonden de eerste scheuren in het IJzeren Gordijn, vluchtelingen uit de DDR vonden hun weg via Hongarije en Oostenrijk naar de Bondsrepubliek, en in Leipzig ging het volk in protest tegen de communistische dictatuur de straat op. Maar in het slaperige Duitse binnenland was daar niet veel van te merken. Ik herinner me eindeloze graanvelden, zacht wiegend op een milde wind die enige verkoeling bracht in de zinderende middaghitte; hier en daar een kerktoren als een vinger Gods, en landarbeiders die zich het zweet van het voorhoofd wissen, een verkoelende dronk nemen en mij vragend gebaren of ik ook een slok wil. Ik stap uit mijn busje, aanvaard de koele vriendschapsdronk en gezamenlijk kijken we naar het hoge ijzeren hek dat door het land loopt en de wereld scheidt in hier en daar.

Vandaag, 25 jaar na de Val van de Berlijnse Muur, spreekt iedereen vooral daarover: over die muur in Berlijn. Begrijpelijk, die beelden zijn iconisch, en al die jaren dat Oost en West gescheiden waren sprak die betonnen muur pal tegenover de Brandenburger Tor meer tot de verbeelding dan het dodelijke ijzerwerk dat zich door het Duitse achterland vrat. En daarom wil ik juist over dát deel van de Innerdeutsche Grenze, waar niemand buiten Duitsland weet van leek te hebben, een herinnering ophalen. Goeddeels met eigen foto’s, een enkele van het internet geplukt.

Juli 1989. Ik ben op weg van Tsjechoslowakije noordwaarts langs het grensgebied tussen Beieren en Thüringen, de scheiding tussen Oost- en West-Duitsland. Op een ochtend word ik gewekt door een vuistklop op mijn camper en sta oog in oog met groen geüniformeerde Westduitse grenspolitie. Wat ik hier doe. En of ik maar wil meekomen naar het bureau. Blijkt dat ik op verboden gebied heb gekampeerd: vlakbij de scheiding, die hier niet uit een muur bestaat maar uit metalen afrasteringen die deels onder hoogspanning staan, een Todesstreifen van zorgvuldig geharkt zand waarin voetsporen Bundesarchiv_Bild_183 Mödlareuth,_Zonengrenze van eventuele vluchtelingen direct zichtbaar zijn en machinegeweren die bij bewegingsdetectie automatisch hun dodelijke salvo’s afvuren. Oei. Maar de Westduitse grenspolitie is mij goedgezind, als ze begrijpen wie ik ben en wat ik doe mag ik een paar dagen mee op patrouille, en zo komen we op een dag bij het gehucht Mödlareuth, dat exemplarisch is voor die politieke waanzin die het land in zijn greep heeft. Hoeveel inwoners het heeft? Nog geen 50, en door een historische rariteit ligt het én op Beiers grondgebied, en op Thürings: een riviertje dat dwars door het dorp loopt, niemand heeft zich er ooit iets van aangetrokken, tot het na de 2e Wereldoorlog de grens wordt tussen de Russische en Amerikaanse zone en later de demarcatie tussen Oost en West, tussen communisme en kapitalisme. Uiteindelijk zal het families en generaties bijna te gronde richten

De muur tussen Oost en West Mödlareuth.

De muur tussen Oost en West Mödlareuth.

We komen in het dorp. Een paar huizen, wat schuren en een kroeg. Er wordt een kar geladen, de tractor staat met draaiende motor midden op de dorpsweg. Een oude vrouw steekt over. We spreken haar aan, en ze vertelt. Haar zuster woont aan de andere kant, daar, wijst ze, achter de muur, die dwars door het dorp snijdt. Hebben jullie contact? Ze schudt nee. Als we elkaar willen spreken moet het met de telefoon, als we elkaar zien en zwaaien wordt ze gearresteerd. Daarom is hier in het dorp de muur, die hier Sichtblende heet. Een blindscherm, zodat de dorpelingen geen oogcontact kunnen hebben. Iets verderop in het land is het weer draad, stroom en kogels. En die telefoon? Internationaal, zegt ze. Het klinkt als een grap, maar lachen doet ze niet. Van hier naar Bonn, dan Berlijn. Eerst west, dan oost. En dan via Dresden naar hier, naar mijn zuster in het andere Mödlareuth, daar over de muur. Hemelsbreed vijftig meter, maar ze rekenen internationaal.

Mödlareuth1989- 2

Als ik met de politiecommissaris Werther, die me deze dagen begeleidt, te voet het dorp verlaat zien we hoe de betonnen muur plaats maakt voor het metalen hek en de zandbestrooide Todesstreifen. Letterlijk: doodsstrook. Hij wijst op een steen in de grond, in het midden een kerf. Dit is de echte grens, zegt hij, en die kerf is exact de overgang van west naar oost. Aan de andere kant zien we de wachttorens, mannen met verrekijkers volgen elke stap die we maken. Ik zet mijn voet op de steen en schuif demonstratief mijn schoen over de kerf. Grenzverletzung, zegt Werther grinnikend. Je bent nu zonder toestemming op het grondgebied van de DDR geweest. Ze hebben je gefotografeerd en binnen 24 uur is je foto langs de hele grens verspreid. Ik lach hem uit, wat een onzin. Maar een maand later, in Berlijn, als ik bij station Friedrichstrasse Oost-Berlijn in wil, worden mijn camera en opnameapparatuur in beslag genomen. Later, bij terugkeer naar het westen, krijg ik alles terug. Had Werther gelijk, en hadden ze mijn foto zelfs hier in Berlijn? Of begon ik paranoïde te worden?

Als je wekenlang, dag in dag uit, dorpen als dit zag, en overal waarschuwingsborden en angstaanjagende torens met wachters, wat deed dat met je waarneming? Wat deed het met de inwoners van dat verdoemde land, aan de andere kant van draad, stroom en kogels? Ik volgde de grens tot aan de Oostzee, waar ze met grote stalen kettingen het water in ging, met dobberende waarschuwingsboeien, Schiessbefehl. Aan de andere kant, op het strand, jonge kerels met machinegeweren. Mocht een landgenoot de vlucht wagen, wachtte hem een wisse dood. Jonge kerels waren het, ik zag hoe ze nieuwsgierig mijn kant opkeken. Ik groette ze, hopend op een praatje, maar ze draaiden zich weg. Te gevaarlijk, overal spionnen, collega’s konden je aangeven en dan was het afgelopen.

Begin september kwam ik terug en ging de studio in om mijn documentaire te monteren, die op de 15e september werd uitgezonden. Vreemd, als ik het nu terugluister. De jonge vrouw die enkele weken eerder via de Hongaarse grens en Oostenrijk naar het westen was gevlucht. Ons land was een gevangenis, verzuchtte ze. Je kon niemand vertrouwen, iedereen kon je verraden, je ouders, je kleine zusje, je wist het niet. En dan Armando, schrijver en beeldend kunstenaar. Hij woonde in Berlijn, ik bezocht hem thuis, maakte een interview met hem. Het was eind juli. Berlijn? Berlijn ís de Muur, zei hij. En voorlopig blijft dat zo. Waarom? Volgens mij duurt het nog jaren tot de Muur valt, de Duitsers blinken nu eenmaal niet uit in Zivilcourage. Daagse na die legendarische 9e november belde ik hem op. Weet je nog wat je toen zei? vroeg ik hem. Ik hoorde hem knikken. Ja, zei hij, en wat hád ik het mis.

Casette VPRO

Waar was je, 25 jaar geleden toen de Muur viel? Ik was thuis, keek televisie en jankte van ontroering. Omdat ik aan die vrouw in Mödlareuth dacht, die nu naar haar zuster kon, zonder telefoon, gewoon over het riviertje en aankloppen, dag zuster, ben je thuis? Later bleek dat het ruim een maand duurde tot Mödlareuth bevrijd werd, zoals de meeste dorpen langs het IJzeren Gordijn verging. Berlijn was een andere wereld waar alles sneller ging, het achterland moest nog even wachten. Maar daar waren ze aan gewend, aan wachten.

Later bleek dat ik de laatste Nederlandse journalist was geweest die een documentaire over de Duits-Duitse grens had gemaakt. En wat blijft er uiteindelijk na al die jaren over van al die emoties, van die reis, het gevoel dat je iets over de geschiedenis hebt verteld? Niets. Behalve wat parafernalia. Een cassette van de publieksservice van de VPRO, VK Het Gebouw zo ging dat in die tijd, voor tien gulden kreeg je ‘m thuisgestuurd, kon je de uitzending nog een keer beluisteren. En een vergeeld knipseltje uit de mediarubriek van de Volkskrant, waarin de uitzending werd aangekondigd. Geen ‘Uitzending gemist’, geen sociale media, niets van dat al. Wat was, was geweest. En misschien moet het zo ook zijn. Wat achter je ligt is voorbij, doet niet meer terzake. Vooruitkijken is het devies. Weten dat de wereld, zoals ze nu is, weliswaar mede gevormd is door de geschieden waar je deel van bent geweest, maar het gaat verder, almaar verder, en elke dag wordt nieuwe geschiedenis gemaakt. Tot ook dat herinnering is, vergeeld als een krantenknipsel.

164. Street Food…. KOSOVO!

Ja, toch wel trots hoor, dat ik hier nu voor de derde keer een nieuw boek van Mirjam kan aankondigen. En dat voor de tweede keer in één jaar! Zes maanden geleden roffelde ik de trom voor Street Food Vietnam, en nu is het de beurt aan deel 3: Kosovo. Opnieuw uitgegeven in eigen beheer, en opnieuw gekoppeld aan een goed doel, met als altijd de slogan Jij lekker eten? Zij lekker eten.

RIJ-CV

Eerst even het boek. Kleiner dan de voorgangers, ‘slechts’ 144 pagina’s, maar opnieuw een juweeltje. En wat zo bijzonder is: een wereldprimeur. Klinkt opgeblazen, maar het is echt waar: er zijn domweg geen kookboeken over Kosovo. Wel Balkan, of, als we een beetje teruggaan in de historie, de Joegoslavische keuken. Wat dan een heel breed spectrum beslaat, van Slovenië in het westen tot Macedonië in het oosten en alles wat daar tussen ligt. Een mengelmoes dus van verschillende streekgerechten, waar Kosovo, omdat het door Servië was ingelijfd, niet of nauwelijks een rol speelde. Wel als afgeleide, de Albanese keuken is natuurlijk sterk verwant aan de Kosovaarse, want uiteindelijk hebben ze allemaal dezelfde Grieks-Turkse achtergrond en dús is het een culinaire smeltkroes, waar elk land zijn eigen specifieke draai aan heeft gegeven.

Dus ja, er is zoiets als een Kosovaarse keuken. En lekker! Toen we er heen gingen verwachtten we vooral stoofschotels met vlees, en deels klopt dat ook. Vooral rund-, schaaps- en lamsvlees, omdat de Albanezen, Gorani en Bosniakken, die samen zo’n 95% van de Kosovaarse bevolking vormen, moslim zijn. Wat we níet verwachtten was dat het vrij gemakkelijk was als vegetariër door het land te reizen. We proefden heerlijke bonensoepen, verrukkelijke hartige taarten met geitenkaas en eindeloos veel salades.

Net als bij de voorgaande boeken (India en Vietnam) is Mirjam op zoek gegaan naar typische streekgerechten zoals ze in de dorpen bereid worden. Deze zomer waren we in Kosovo, ik deed hier verslag van onze reis (zie de hoofdstukken 158 en 161), en eenmaal terug thuis werd wekenlang gekookt, geproefd en vooral geschreven. De keuken fungeerde als laboratorium en fotostudio, ofschoon we voor de fotografie ook buiten onze toevlucht zochten.

IMG_3937IMG_3902

Of het mooi werk heeft opgeleverd? In alle bescheidenheid: ja. En dat mag ook wel, want we kijken terug op een hectische periode van lang en gestaag werken. Buffelen, zou mijn vader gezegd hebben. Want pas als je zelf bij zo’n project betrokken bent zie je hoe veel er bij komt kijken. De meeste kookboeken kennen een uitgebreide staf aan medewerkers, iedereen een specialisatie, maar Mirjam deed zo’n beetje alles zelf. Niet alleen bedacht ze het concept, ze deed productie, research, het schrijven, de food styling en fotografie. Ik mocht, als bij de vorige titels, de eindredactie doen en ook dit keer kwam de vormgeving voor rekening van Sterckdesign.

Van de vorige boeken gaat 50% van de netto opbrengst naar onze Stichting Duniya. Immers, wij werken in India en Vietnam en bekostigen met de opbrengst van Mirjams boeken voor een deel de voedselprojecten die we daar hebben. Vandaar de slogan Jij lekker eten? Zij lekker eten. In Kosovo werken we samen met Care for Kosovo Kids, een stichting die medicijnen beschikbaar wil stellen voor ouders wiens kind kanker heeft en die zich de zorg van hun ernstig zieke kind niet kunnen veroorloven. Klik hier om naar hun website te gaan.

Tja, veel meer valt er niet te zeggen. Behalve dat Street Food Kosovo (in twee talen leverbaar: Nederlands en Engels!) bij de boekhandel te koop is en natuurlijk ook online, hetzij via onze eigen uitgeverij Street Food World (klik hier om rechtstreeks naar de webwinkel te gaan) of bij bol.com, waar alle boeken die we gepubliceerd hebben te koop zijn. Toegegeven, bij hun ben je iets goedkoper uit omdat zij een aangepast tarief kunnen bieden voor verzending, maar ze krijgen een fikse boekhandelskorting, dus aan het eind van de rit blijft er voor ons minder over, en dus ook voor Care for Kosovo Kids.

Kortom: wil je je verzameling Street Food op peil houden (let op, Vietnam is nog volop leverbaar maar de 2e druk van India is zo goed als uitverkocht), koop Kosovo en geniet!

kosovo3d

163. Melk en Boter

Dat weten we dan ook weer: melk is niet gezond. Tenminste, als we dat Amerikaanse onderzoek mogen geloven waar de bladen vol van stonden. Calcium goed voor je botten? Integendeel, het remt botgroei juist af. Alarm! Ook wordt koemelk slecht verteerd, het is bedoeld voor kalfjes, niet voor mensen. Gevolg: verstoorde darmflora en chronische aandoeningen zoals astma, eczeem, diverse soorten kanker en het schijnt dat ook de darmziekte Crohn en diabetes type 1 op de loer liggen. Nog een glaasje melk, iemand?

En dan te bedenken dat ik in mijn jeugd trots lid was van de M-brigade, de voorloper van Joris Driepinter. Melk Moet! was het motto. Wisten we veel dat er een uitgekiende reclamecampagne achter zat, die Nederland van z’n eerste melkplas moest afhelpen: de naoorlogse melkproductie was door technologische verbeteringen aanzienlijk toegenomen, er dreigde een melkoverschot en de minister van Landbouw bood het Zuivelbureau één miljoen gulden voor extra reclame om de jeugd aan de melk te krijgen.

Eind november 1958 verscheen in alle dagbladen een advertentie waarin bekende Nederlanders van destijds, zoals voetbalscheidsrechter Leo Horn, de Melkbrigadiers lanceerden. Kinderen die dagelijks een glas melk extra dronken, mochten lid worden van de M-brigade. Om Melkbrigadier te worden moest je een logboek bijhouden, dat je kon afhalen bij je melkman of kruidenier. In het logboek moest je de extra glazen melk aangeven die je, naast je gewone porties melk, een dag gedronken had. Een M-daad, heette dat extra glas, en de regels waren streng: Let Wel… er mag niet meer dan één extra M-daad per dag ingevuld worden, stond dreigend onder het pamflet dat je van de melkboer gekregen had. Na dertig glazen was het logboek vol en kon je het laten ondertekenen door je ouders en opsturen naar het Zuivelbureau. Dat stuurde dan een mouwembleem met een M en je was bevorderd tot M-brigadier.

Leo Horn! Als hij het zei, dan móest het wel goed zijn. Beroemde man, niet alleen als scheidsrechter maar ook omdat hij in Haarlem een winkel in stoffen en fournituren had. Soms probeerden we een glimp van hem op te vangen, met onze neuzen tegen de etalageruit gedrukt. Of hij ook melk dronk? Vast en zeker. Stond toch in de advertentie? Nou, als hij het dronk, dan wij ook.

melk15

melk16

In die dagen kwam de melkboer aan de deur met paard en wagen. Een vriendelijke man met pet die achterom via de keuken binnenkwam en de flessen op het aanrecht zette, die wij vervolgens naar de kelder brachten, een koelkast hadden we niet. Elke dag een extra glas melk, elke dag een kruisje in het logboek en na een maand opsturen naar het zuivelbureau. En de melkdoppen brachten we naar de nonnen, voor de missie in Afrika. Geen idee wat die arme negerkindjes met al die melkdoppen moesten. Hebben we er ooit naar gevraagd? Nee, je accepteerde de gekkigheid van de wereld zoals het kwam.

Geestig, hoe je je bijna zestig jaar na dato die dingen nog herinnert. En ongelofelijk, als je nu ziet hoe de jeugd werd ingepakt met uitgekiende flauwekul uit de koker van een marketingstrateeg. Een boekje met ‘Geheime M-signalen uitsluitend voor M-brigadiers’. Wat dat voor geheime signalen waren? Geen idee, maar voor jongens van onze leeftijd, lid van de geheime club De Zwarte Hand met het hoofdkwartier bij ons in de achtertuin bij het kolenhok, ging dat er in als koek. Ook herinner ik mij die blauwkartonnen zonneklep met elastiek en de tekst Met Melk Meer Mans. En daar waren ze weer, de negerkindjes, melk18uitgedost als vrolijke boertjes met een juk met emmers melk. En het fameuze logboek, met de ronkende tekst Ik verklaar dat ik op 30 dagen een extra M-daad heb gedaan. En ik beloof dat ik die zal blijven doen – zoals het een M-brigadier betaamt! Slimme jongens, bij dat reclamebureau. Inspelend op de gevoelige kinderziel, de behoefte aan schouderklop en erkenning. Of was het een naoorlogs sentiment, en hunkerden we onbewust naar mannelijke saamhorigheid?

melk11

En nu, zestig jaar later, vanuit Amerika het bericht dat melk helemaal niet gezond is, niks meer mans, oppassen geblazen en géén extra M-daden meer! Dat geeft te denken. Want wat te doen met nieuwe ontdekkingen over voeding die nu gedaan worden? Nu geloven we er in, maar straks, over pakweg vijftig, zestig jaar? De schijf van vijf is ook niet meer wat hij geweest is.

Daar dacht ik aan toen ik een interessant artikel las over bulletproof coffee. Ofwel koffie met boter. Zwarte koffie die in een blender wordt gemixt met grasboter en een mix van kokos- en palmolie. Een superdrank waar je, volgens bedenker Dave Asprey, kilo’s van afvalt en die je een energieboost geeft die tot zes uur aanhoudt. Ik heb het nog niet geprobeerd, maar wie weet. Klinkt spannend. Hier een link naar een pagina met meer informatie, en onderstaand een video hoe je de wonderkoffie moet maken. Wie weet houdt het stand. Want koffie met boter, wat kan daar verkeerd aan zijn? Ik herinner me de zoute boterthee die ik begin jaren tachtig in een klooster in Ladakh dronk. Het was even wennen, maar daarna merkte je hoe voedzaam het was, en hoe het je lichaam inpakte in een intens gevoel van welzijn. En wat kan daar nou op tegen zijn?