111. (Vietnam 2): Steen en Rimpels

Alweer een tijdje terug uit Vietnam, maar zoals Cees Nooteboom placht te zeggen: als je verre reizen maakt ontstaat er een rare tweespalt, je lichaam is hier terwijl je ziel nog onderweg is. Of was het omgedraaid? Hoe dan ook, een zeker mate van ontheemd zijn in lichaam en geest, dat is het wel.

Maar ook al zijn we thuis en hervat het normale leven zijn loop, het hoofdstuk Vietnam is allerminst afgesloten. Integendeel, het is deel van ons normale leven. Mijn vorige stuk eindigde ik dan ook met de aankondiging dat ik in een volgend bericht over ons revalidatiecentrum zou schrijven, over het werk dat daar gedaan wordt, hoe belangrijk het is dat we dat kunnen blijven doen. En daar hebben we donateurs voor nodig. Goedhartige mensen die ons werk willen steunen. Lastig onderwerp, vooral nu we van alle kanten bestookt worden met het mediageweld rond de goededoelenactie van het Glazen Huis en Serious Request. Probeer daar maar eens tegenop te boksen. Toch wil ik een poging wagen.

Ons centrum ligt vlak buiten de districtshoofdstad Lai Chau in de gelijknamige provincie hoog in het uiterste noorden van Vietnam en maakt deel uit van een weeshuis dat er al stond en volop in gebruik is. Maar er was ruimte over, kamers bleken ongebruikt, met een beetje passen en meten konden we er twintig, misschien wel dertig kinderen onderbrengen. Toen Dong An, directeur van de ontwikkelingsorganisatie C2 en onze counterpart in Hanoi, het plan lanceerde was iedereen enthousiast: de directie van het weeshuis, het volkscomité (het uitvoerende orgaan van de provinciale overheid), DOLISA (Department of Labour, Invalids and Social Affairs) en wij, Stichting Duniya. In april 2009 tekende Mirjam namens Duniya het contract waarmee we ons voor drie jaar vastlegden als hoofdfinancier van het revalidatiecentrum. Gaandeweg neemt DOLISA de financiering over en wij zullen beschikbaar blijven als co-financier en springen bij in geval van onvoorziene omstandigheden. Want dit centrum is zó belangrijk, het moet blijven voortbestaan. Structurele zorg, noemen we dat. Want het werkt. Aarzelend nog, maar het draait. Geen 20 of 30, maar 45 kinderen (!) hebben er een onderkomen gekregen en tien leerkrachten en fysiotherapeuten ontfermen zich naar beste kunnen over hun welzijn.

Geestig woord eigenlijk, ‘structureel’. In de voorbije jaren hebben we meer dan eens bij grotere organisaties en draagkrachtige particulieren aangeklopt voor steun, maar vingen meestal bot omdat onze projecten niet structureel genoeg waren. Wat bedoelt u, vroegen we dan. Bleek dat ons werk in India, waar we nu toch al ruim vijftien jaar (!) bezig zijn, niet structureel genoeg zou zijn omdat ‘alleen families uit de sloppenwijk Nagwa van ons kliniekje en ons schooltje profiteerden. Nee, heette het. Zo’n project moet groot! zodat nóg meer mensen er van kunnen profiteren. Onbegrijpelijk vonden we dat. Jaar in jaar uit elke dag ruim tachtig kinderen naar school en elke dag een bord warm eten, een groep jonge vrouwen die een eerlijk inkomen kunnen verdienen in een kleinschalig atelier, is dat niet structureel genoeg? Denk aan de steen die in het water geworpen wordt. Eerst is er alleen plons, maar van daaruit ontstaat energie die zich als rimpels in het water naar buiten bewegen in een steeds groter wordende cirkel en steeds maar groter en alles wordt erdoor aangeraakt…

En dan Vietnam. Is ons revalidatiecentrum in Lai Chau ‘structureel’? Nou, reken maar. Want elk gehandicapt kind dat hier een onderkomen vindt ontlast de ouders, die daardoor meer tijd en energie hebben om een inkomen te verwerven. Als dat niet structureel is, weet ik het niet meer. Als de kinderen terug gaan naar huis (de afspraak is dat ze uiterlijk tot hun zeventiende mogen blijven) hopen we dat ze, letterlijk, voldoende stevig in hun schoenen kunnen staan dat ze, ondanks hun beperkingen, binnen hun gemeenschap een waardevol leven kunnen leiden. Dan is er al zoveel gewonnen, en heeft het centrum zich bewezen. Indachtig het motto van Stichting Duniya: Dé wereld kunnen we niet veranderen. Iemands wereld wel. Ook hier: steen en rimpels.

Ik was al enige tijd niet meer in Vietnam geweest en had het centrum nog niet kunnen zien. Wel had ik de ontwikkelingen op de voet kunnen volgen via berichten en foto’s van Dong An en Myrna Eijsenring, een Nederlandse onderwijsdeskundige die jarenlang in Hanoi woonde en zich als adviseur (en fondswerver!) aan ons project heeft willen verbinden. We kregen aanstekelijke foto’s van de inrichting van de slaapvertrekken en klaslokalen en de door Duniya betaalde nieuwbouw waarin de revalidatieruimte gevestigd is. En nu zagen we het dan eindelijk met eigen ogen. Mooi is het! En trots waren we, op de plaquette aan de buitenmuur. Heel traditioneel in de partijkleuren rood en geel…

Maar het gaat er natuurlijk om wat er in het centrum gebeurt, en dat we daarmee kunnen doorgaan. En dat kan alleen als we veel meer donateurs krijgen. Donateurs die structureel (!) een bijdrage willen leveren om ons werk te ondersteunen. En om hen over de streep te trekken, om duidelijk te maken wat we daar doen, onderstaand een paar foto’s die het verhaal vertellen. Of tenminste een deel daarvan. (Klik op de foto’s voor grotere weergave.)

Dit is het speelplein. Rechts de klaslokalen, aan de achterkant de slaapkamers (vier kinderen samen in een kamer), sanitaire ruimtes en de eetzaal. De foto is ‘s ochtends genomen tijdens het speelkwartier. De hond hoort bij het weeshuis. Een lief dier, soms knabbelt hij spelenderwijs aan een kinderarm, maar dat wordt niet altijd goed begrepen. Komt wel.

In de revalidatieruimte komen elke middag, nadat ze ‘s ochtends onderwijs hebben gekregen, de lichamelijk gehandicapte kinderen bijeen en doen, vaak een-op-een met de fysiotherapeut, hun oefeningen. Voor sommige kinderen is het hard werken. Neem de elfjarige Nguyen Thi Huyen. Haar hersenen zijn door zuurstofgebrek bij de geboorte zwaar beschadigd. Ze kan haar ledematen niet aansturen, meestal zit ze in een rolstoel. Maar elke middag zwiebert ze dapper tussen de leggers van de loopbrug heen en weer. Vijf minuten heen, vijf terug. Even uitrusten en dan gaat ze opnieuw. Ze zal het nooit leren, dat zelfstandige lopen, en het is niet ondenkbaar dat zij, als ze zeventien is, in het centrum mag blijven. Haar ouders wonen vlakbij, komen elke dag op bezoek, maar kunnen haar thuis niet verzorgen omdat ze allebei hard moeten werken om de rest van de familie te onderhouden.

Het meisje links op de grond heet Lò Thi Khun. Zes jaar. Ook zij kan niet lopen, of heel slecht, maar bij haar zit er schot in, ook al gaat het letterlijk met kleine stapjes. Er is iets met haar rug, ze kan haar bovenlichaam niet goed overeind houden. Het liefst ligt ze op de grond. Dan rolt ze gierend van het lachen heen en weer over de zachte matten. Goeie training, en een heerlijk spelletje.

Lành Van Su (links) en Quynh zijn dikke vrienden, ook al hebben ze elkaar nooit gezien. Ze zijn blind. Lành helemaal, Quynh ziet met één oog een soort tunnel met wat flarden grijs en zwart, dus zijn vriendje Lành is voor hem een schaduw. Alles doen ze op de tast. Aandoenlijk, als je ze ziet spelen op het plein. ‘n Soort tastend om elkaar heen draaien en dan duwtjes geven, heel voorzichtig. Onvoorstelbaar, leven in permanente duisternis.

Soms wordt het Lành teveel, dan blijft hij in bed. De leraren vertellen dat hij wel vaker van die depressies heeft, dat hij diep onder de dekens wegkruipt en even niets meer van die onzichtbare buitenwereld wil weten.

Intussen probeert Quynh tijdens rekenles, als ze het metrisch stelsel onder de knie proberen te krijgen, op de weegschaal af te lezen hoeveel zijn klasgenoot weegt. Het lukt hem niet. Hoe dicht hij er ook op kruipt, hij kan de wijzers niet zien.

In het aangrenzende klaslokaal krijgen de kleintjes spelenderwijs les. Een bal overgooien en dan hardop tellen. Achterin de hoek zit Lò Thi Khun, het meisje van een van de vorige foto’s, uit de revalidatieruimte. Ze leunt tegen de muur om overeind te blijven. Zoals in alle klassen zitten ook hier blinde en ziende kinderen doorelkaar. Iets verderop naar rechts zit Páng, een mongooltje. Vier dagen geleden is ze in het centrum gekomen, nu doet ze al dapper mee. Van elkaar leren en elkaar helpen. Samen komen ze er wel.

Dat samen optrekken geldt ook voor het eten. Ook hier blind en ziend door elkaar. Aan elke tafel zit één van de iets oudere kinderen, als een soort toezichthouder. Het voedsel wordt in de aangrenzende kookruimte op een houtgestookte oven bereid. Drie keer per dag rijst, met wat groenten en vandaag als verrassing wat vlees. Het voedselbudget is krap, daar moeten we wat aan doen…

Dit is Lo Thi Noi. Zeven is ze, en volstrekt blind. ‘s Ochtends zag ik haar op het speelplein. Ze doet met alles mee, klautert in het klimrek en glijdt van de glijbaan, voorzichtig haar weg door de wereld tastend. En eten? De tafeloudste schept haar kommetje vol en dan eet ze, op de tast, zonder ook maar één korrel te morsen. Een wonder.

Na de lunch en na de (verplichte) middagslaap, komen de kinderen met een lichamelijke handicap naar de revalidatieruimte. Lò Va Toan is spastisch, soms heeft hij licht epileptische aanvallen. Dan ligt hij verkrampt te stuiptrekken tot de aanval over is. De grotere kinderen weten wat ze moeten doen als dat gebeurt: zijn hoofd vasthouden tot het over is. Vanmiddag voelt hij zich sterk en durft hij het gevecht aan met zijn kromme, onwillige ledematen. Elke keer als zijn linkerhand losschiet van het handvat duwt hij hem terug en gaat verder met draaien, een uur of langer tot hij uitgeput is.

En dit is Do Huyen Thuong. In februari is ze tien geworden. Ze leeft in een eigen wereld. Klik de foto aan en bekijk haar gezicht op groot formaat. Een wonderlijk, allerliefst meisje. Toen we de eerste dag aankwamen kreeg ze Mirjam in het vizier, rende huilend op haar af en klom in haar armen. Nog nooit hadden ze elkaar gezien, maar er was iets, een wonderbaarlijke ‘klik’. Van mij, zo’n enge grote kerel, moest ze niets hebben. Het duurde een week tot ze voorzichtig dichterbij durfde om hand in hand met me over het speelplein te wandelen. Onduidelijk wat ze allemaal heeft meegemaakt in haar jonge leventje. We durven het niet te bedenken. Maar wat het ook is, hier in ons centrum is ze veilig.

Blijft onze zorg beperkt tot de kinderen in het centrum? Nee. Onze fysiotherapeute gaat er regelmatig op uit om bij mensen thuis hun gehandicapte kind onder handen te nemen. Zoals dit meisje. Kan niet uit zichzelf omhoog komen, en als ze eenmaal zit knikt en knakt ze als een ledenpop. Meestal ligt ze op bed, maar toen wij haar thuis bezochten gingen we met haar op de grond zitten. Daar probeert ze uit alle macht langzaam in zithouding voorwaarts te schuifelen. Rukje na rukje, beetje bij beetje schuift ze in centimeters naar de rand van het vloerkleed. Een halve meter in tien minuten. Voordat ze hulp kreeg gebeurde ze niets. Nu gaat ze in centimeters. Wie weet worden het ooit meters.

Volgende week het derde en laatste deel over Vietnam. Over de zoektocht naar een patiëntje in een afgelegen dorp hoog in de bergen in het voor toeristen streng verboden grensgebied met China, daar waar je alleen mag komen met speciale papieren. Of, zoals wij, in gezelschap van iemand van het volkscomité.

En voor wie ons wil helpen met óns Serious Request zodat wij met ons centrum kunnen doorgaan: Stichting Duniya, bankrekening 44.16.24.383. Dankjewel.

5 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

110. (Vietnam 1): Ei Met Eend

‘Do you want egg with baby duck inside’? vraagt Dong An. Het is half zeven in de ochtend. We zitten rond een tafel met bloemenmotief in het formica dekblad. Eetstokjes, schoongepoetst met stukjes papieren servet, worden rondgedeeld. Achter ons drie mannen weggedoken in dikke jassen. Ze slobberen luidruchtig hun phö bó, de traditionele Vietnamese noedelsoep met flinterdunne plakjes rundvlees die hier als ontbijt gegeten wordt.
De ochtend is koud, in de vroege ochtend gaan de bergen gehuld in vochtige nevel. In Hanoi was het met 25 graden aangenaam warm, maar hier in de bergen kan het al behoorlijk koud worden. Op een knappend houtvuur wordt het ontbijt gemaakt. Dampende noedelsoep, flinterdunne rijstpannekoekjes met groenten en hột vịt lộn, een Zuid-Aziatische delicatesse: bevruchte eendeneieren. Gekookt als een gewoon ei, maar inplaats van dooier en eiwit een half volgroeid eendenkuiken, compleet met veertjes, snavel en poten. Bij voorkeur te eten bij het ontbijt of voor het slapengaan. Zoals de meeste Vietnamezen is Dong An is er verzot op. Hij pelt het open en lepelt de inhoud genietend naar binnen. Good medicine, glundert hij. Wil je er een? Ik schud mijn hoofd. Nee, dank je. Toch maar liever noedelsoep.

Ik las voor het eerst over die voor ons merkwaardige culinaire traditie in Three Moons in Vietnam van de Engelse schrijfster Maria Coffey, die in het begin van de jaren negentig door Vietnam reisde. De doi moi, de Vietnamese versie van Gorbatsjovs perestrojka, waarin de strikt gecentraliseerde planeconomie moest plaatsmaken voor een ‘socialistische markteconomie’, stond nog in de kinderschoenen en van toerisme was nauwelijks sprake. Maria Coffey reisde fietsend en meeliftend met vissersboten door het straatarme land, altijd bang om gearresteerd te worden door overijverige communistische dienstkloppers. Maar die tijd is voorgoed voorbij. Het is snel gegaan met dit land. Te snel, misschien. Soms heb je het gevoel dat het land zijn eigen ontwikkeling nauwelijks kan bijbenen en het volk stevig klem zit in die rare spagaat tussen onderdrukking en een soort geketende vrijheid.

Toen wij in 2005 voor het eerst Vietnam bezochten om onze reisgids te researchen, was het toerisme inmiddels op volle sterkte losgebroken, al werd je in kleinere plaatsen soms nog wat onwennig aangekeken en namen ze in het hotel je paspoort in beslag zodat politie en partijkaders op de hoogte konden worden gebracht dat er buitenlanders in de stad waren. De plaats waar we nu zijn, Lai Chau, in het uiterste noord-westen pal onder de Chinese grens, mocht zelfs tot een paar jaar geleden niet eens zonder speciale vergunningen bezocht worden. Hoogstens reisde je er door op weg naar Sapa, het populaire toeristenoord meer naar het oosten aan de voet van Vietnams hoogste berg Phan Xi Păng, waar je luxe hotels vindt en restaurants waar met vork en mes gegeten wordt. Zo niet in Lai Chau. Althans, tot enkele jaren geleden. Nu is alles anders. In sneltreinvaart heeft de stad zich ontwikkeld tot een soort grootheidswaanzinnige metropool naar Oost-Europees model: immens brede straten waar het goed marcheren is, waar aan ontelbare vlaggenstokken de Vietnamese ster wappert en waar een reusachtig staatshotel is gebouwd met stromend warm water en wifi internet. Maar de restaurants in de oude stad zijn hetzelfde gebleven. Nog steeds zijn er de familiebedrijfjes waar iedereen de handen uit de mouwen steekt als hongerige stadsgenoten aanschuiven om gevoed te worden.

Gezellig zijn ze niet, die Vietnamese restaurants. Wel efficiënt, en heel erg no-nonsense. Het lijkt vaak op een werkplaats, een schuur, of zoals in dit geval een loods waarvan de straatbrede deuren altijd open staan zodat wie dat wil zijn motorfiets rechtstreeks naar binnen kan rijden en naast de tafel parkeren. De rijen tafels met gebloemd formicablad staan in slagorde en, heel belangrijk, er is een betonnen vloer. Want eten in Vietnam is een soort slagveld. Als iets niet lekker bekt, wordt het uitgespuugd. Na afloop, als iedereen naar een andere tafel verhuist om als digestief kopjes bittere groene thee te drinken en uitgebreid de tanden te stoken, een bezigheid die zonder enige gêne in gezamenlijkheid wordt uitgevoerd, wordt de ravage opgeruimd en de vloer geboend.

Goeie help, wat hebben we veel gereisd de laatste tijd. De trip naar Roemenië was spontaan, het was tijd voor nieuwe vergezichten. Maar Vietnam stond allang op het programma: eind november zouden een reeks oogoperaties worden uitgevoerd, gefinancierd door onze Stichting Duniya, en daarvan wilden we verslag doen. Bovendien was het tijd dat we ons revalidatiecentrum zouden bezoeken. Het centrum was een lang gekoesterd ideaal van onze partner in Vietnam, de onvolprezen Dong An. Onder zijn toezicht werd bij een bestaand weeshuis vlak buiten Lai Chau een aantal ongebruikte ruimtes opgeknapt om gehandicapte kinderen uit afgelegen bergdorpjes te huisvesten en onderwijs te geven. Maar er was ook een gebouw nodig waar de kinderen onder begeleiding van konden revalideren. Dat staat er inmiddels, gefinancierd door Duniya. En het is prachtig. Ruim, zonnig, en een kraakhelder sanitair blok waar de kinderen, variërend van vier tot veertien, naar hartelust kunnen douchen en kleren wassen.

Ik zal later uitgebreid op ons werk hier in Vietnam en het revalidatiecentrum terugkomen en ook Mirjam zal er op haar website ook verslag van doen zogauw ze tijd heeft. Maar eerst nog even die communistische partij hier. Want je kunt dan wel trots roepen dat er doi moi is (en de economische ontwikkelingen gaan zó hard dat het land zichzelf voorbij dreigt te rennen en onherstelbare averij op te lopen), intussen blijft het nog steeds een repressieve samenleving onder de knoet van een hoogst gecentraliseerd systeem onder leiding van de Communistische Partij Vietnam. De overheid heet onafhankelijk te zijn, maar in de praktijk ontvangt het het grootste deel van zijn richtlijnen van de partij die géén oppositiepartijen naast zich duldt. Hoe bevreesd de partijtop is voor mogelijk verzet vanuit ondergrondse oppositie bleek dezer dagen toen we op onze laptop het sociale netwerk Facebook wilden openen. Lukte niet. Geblokkeerd. Bang voor een Aziatische lente? Mirjam, handig als altijd, wist er via een slinkse omweg tóch te komen, maar het is tekenend voor het repressieve karakter dat van oudsher het handelsmerk is geweest van socialistisch-communistische maatschappijen. En toch: zonder die strikte maatschappelijke structuur zouden de kinderen die hulp nodig hebben nooit bereikt kunnen worden. Tot de kleinste dorpen vind je partijkaders die exact weten in welk dorp, hoe afgelegen ook, een kind leeft dat gehandicapt is en medische hulp nodig heeft, zoals de 45 kinderen die op dit moment vanuit hun dorpjes op weg zijn naar het ziekenhuis hier om de komende dagen geopereerd te worden. We werken nauw samen met DOLISA (Department of Labour, Invalids and Social Affairs) en als wij hier in Vietnam zijn staat steevast een bezoek aan het partijbureau op het programma. En daar gaan we dan. In grote auto’s worden we bij ons hotel afgehaald en naar het reusachtige gebouw gebracht waar fier de Vietnamese ster wappert en via brede trappen en lange gangen komen we dan in de vergaderkamer waar we vervolgens en uur lang naar toespraken kunnen luisteren en driewerf dankjewel voor jullie hulp. Wie dit jaar voor het eerst ontbrak? Ho Chi Min, wiens borstbeeld zonder mankeren in elke ruimte van het partijbureau op een voetstuk staat. Hier niet. Niet meer. Hier lijkt hij plaats te hebben gemaakt voor een Samsung flatscreen.

In een volgend bericht meer aandacht voor ons revalidatiecentrum, voor het werk dat daar gedaan wordt en hoe belangrijk het is dat we dat kunnen blijven doen. Waar we dus financiële steun voor nodig (blijven) hebben. Om die kinderen niet alleen revalidatie te kunnen bieden, maar ook een goed onderdak, eten, kleding. Want het is rekenen op het scherpst van de snede om de zaak draaiend te houden. De Vietnamese overheid (DOLISA) betaalt het personeel en blijft dat ook doen, Mirjam heeft vorig jaar hard onderhandeld om dat voor de komende jaren veilig te stellen, maar de kinderen krijgen door de beperkte financiële mogelijkheden niet veel meer dan basisvoorzieningen. Kleine dingen, zoals een versnapering, een toetje, zit er niet vaak bij. Daarom togen we gisteren naar de markt en kochten zakken vol lekkernijen. Zoete deegwaren, dingen die aan oliebollen deden denken. Verrukkelijk. Kersvers waar we bij zaten klaargemaakt. En daarna door de leerkrachten uitgedeeld, na de lichamelijke oefeningen waarmee elke dag wordt begonnen.

10 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

109. De Stationschef van Botiz

Klik op de foto’s voor grote weergave.

Toen we van Krakau op weg zouden naar de grens met Oekraïne werden we gewaarschuwd door iemand die in het verleden die route gereden had. “Your worst nightmare,” noemde ze het, “wij hebben 7 uur gewacht, en dat was al ingekort omdat ik zei dat we een ziek kind in de auto hadden, anders was het 10 uur geweest…” Oei, dat was schrikken. Beelden van de vroegere DDR doemden op. Net nog gememoreerd hoe intimiderend de grensovergang Helmstedt-Marienborn was en de zaak weggezet als “aandoenlijk lullige portiershokjes met bladderende verf en roestende radiatoren”, en hup, daar gaan we weer. Hoeveel grensovergangen naar Oekraïne zijn er eigenlijk? Volgens een inderhaast gekochte reisgids slechts twee, maar dat lijkt me sterk. Bijna zeshonderd kilometer Pools-Oekraïense grens, en dan niet meer dan twee overgangen? Een Poolse wegenkaart biedt duidelijkheid, we tellen een hele trits van die kleine cirkeltjes-met-een-streepje-erin waarmee een grensovergang wordt aangeduid, maar waarom is de ene zwart en de andere rood? Er zit maar één ding op. Rijden en zien hoe het afloopt.

De smalle tweebaansweg vreet zich door het Poolse achterland. Tarnów, Ropczyce, Swilcza, Jaroslaw, de ene naam is nog mooier dan de andere. Bij Rzeszów zien we de beroemde M van de hamburgergigant tussen naargeestig grauwe Sovjetblokken opdoemen en stoppen voor een coffee-to-go. Geweldig, alsof we een feesttent binnenkomen. Overal het aanstekelijke gesnater van schooljeugd, lange rijen voor de counter, uitgelaten vrolijkheid rond tafels. Hier en daar een ouder iemand, met koffie achter een laptop. Een leraar die toezicht houdt? McDonald’s als sociale ontmoetingsplek in de schoolpauze, wie had dat gedacht.

En dan, de grens. En paar kilometer voor het zover is zien we de eerste vrachtwagens. Ze staan stil, mannen scharrelen bij de laadklep. Ze vormen de achterhoede van een lange rij, vrachtwagens en personenauto’s. Hier en daar wordt gekookt op draagbare gasbranders. Mannen scharen zich rond rokende brokken vlees en pullen bier. Hier wordt gewacht. Hoelang? De rij lijkt eindeloos. We passeren tien, vijftig, driehonderd vrachtwagens. Om moedeloos van te worden, die arme drommels staan hier overmorgen nog. Wij niet, wij worden doorgewenkt. Temidden van Poolse, Oekraïense en Russische nummerborden valt het Nederlandse geelzwart op. Een vrouw in uniform komt uit haar hokje en gebaart, kom hier. Blond haar piekt vrolijk vanonder een enorme pet met strenge klep. Niets aan te geven? Kom maar. Er wordt wat gehannest met formulieren, autopapieren worden gecontroleerd, opgetrokken wenkbrauwen als ze een visum voor Vietnam in onze paspoorten ziet. Nee, niks aan de hand, ze bladert door. Een man achter mij begint een praatje in gebroken Duits. De blonde dame loopt naar de auto, controleert vluchtig de achterbak, dan terug naar haar hok. Het doffe klappen van de stempel, een vriendelijke zwaai en klaar. Niks zeven uur. Vierendertig minuten uit en thuis. Welkom in Oekraïne.

Gaten in het wegdek, ontbrekende zijstrepen, om de paar honderd meter kleine geïmproviseerde kraampjes langs de weg, oude mannen die paddestoelen verkopen. Links en rechts donkere naaldbossen met af en toe het wit opflitsen van berkenstammen. De natuur bevestigt het: dit is Oost-Europa.
‘Wat had die man bij het douanehokje te vertellen,’ vraagt Mirjam. ‘Dat we moeten oppassen voor de straten van L’viv. Hij zei dat hij zijn auto daar aan gort heeft gereden.’ We begrijpen wat hij bedoelde als we tegen het vallen van de avond de oude stad binnenrijden. Het wegdek is zo verzakt dat de tramrails op veel plaatsen handbreed boven de bestrating uitsteekt, we horen de bodem van onze auto over het metaal knarsen. Op kruispunten zien we andere automobilisten voorzichtig manoeuvreren, het gaat stapvoets, omzichtig tasten de wielen het parcours af. Een enkele ongeduldige vlegel knalt er schurend overheen.

En nu wreekt zich ons strakke schema. We moeten morgenavond in Roemenië zijn, er wordt op ons gerekend. Geen tijd om de stad te zien die door de geschiedenis zoveel namen kreeg als het bezetters had gekend: L’viv, Lemberg, Lemberik. Geboortestad van de journalist Milo Anstadt. Als kind kwam hij met zijn ouders naar Nederland. Ooit was hij in Lwów terugeweest. Nee, niet uit L’viv, en zéker niet uit Lemberg, maar uit het Poolse Lwów. “Zelfs ons huis was er nog. De hele stad. Maar wij waren allemaal verdwenen.”

We hebben geen tijd om op zoek te gaan naar de voetsporen van Anstadt. We moeten dóór, nog bijna vierhonderd kilometer te gaan en dat duurt minstens een hele dag op deze wegen, of langer als je pech hebt. En dat terwijl het zo fraai is, die route, omzoomd door herfstkleuren, het is alsof we door een eindeloze allee van louter tamme kastanjes rijden. Maar schoonheid is slechts een deel van de wrede waarheid, we zien ongelukken, veel. Sommige van langer geleden, het wrak besmeurd en vergeten in de berm. Soms kersvers, met zwaaiende mensen en een inderhaast geïmproviseerde wegafzetting. Een vrachtwagen ligt als een afgeschoten olifant op zijn kant. Pal daarachter twee personenauto’s, gemangeld en verwrongen. Een ambulance komt ons gillend tegemoet. Moeten we uitstappen? Kijken of we kunnen helpen? Haastige automobilisten wringen zich tussen ons en de afzetting door, bijna opnieuw een ongeluk. Als je hier uitstapt heb je kans dat ze je morsdood rijden.
De regen parelt op onze voorruit. Soms breekt de zon even door, dan lichten de kastanjebomen op alsof ze in vlam staan.

Wil je weten hoe omkoperij er uit ziet? Ga naar de grens tussen Oekraïne en Roemenië. Weer een lange rij, een dame in streng uniform wenkt links en rechts zoals vroeger de politieagent bij ons op het kruispunt en dirigeert auto’s naar de controlepost. Eerst jij, dan jij. En nee, jij blijft stilstaan, gebaart ze heftig naar een al te opdringerige auto met Bulgaars nummerbord. De chauffeur stapt uit en beent met grote stappen op haar af. Gespannen kijken we naar wat gaat gebeuren. Een klap voor haar kop? Maar wat we zien is een handig vingerspel. Op het moment dat hij bij haar is houdt zij haar hand zijdelings in zijn richting. Even raken hun handen elkaar, en terwijl hij zich omdraait en naar zijn auto terugloopt frommelt zij iets in haar zak. Dan wenkt ze hem en met een flinke dot gas spurt hij naar voorkant van de rij. Zo werkt dat dus. Voor ons maakt het niet veel uit. Niets aan te geven? Een vluchtige inspectie, een brede armzwaai, gaat u maar. Geen stempel? Ach nee, Roemenië is lid van de Europese Unie.

In Gura Humorului, waar het 31e Foto- en Filmfestival gehouden zal worden, zijn ze een tikje in mineur. Dagenlang zijn ze met workshops in de weer geweest, maar nu het hoogtepunt nadert, de opening van de foto-expositie, dreigt het te regenen. Wat het probleem is? De expositie is in de buitenlucht. Oei. De feestelijke ontvangst lijdt er niet onder, integendeel, we worden gefêteerd, de burgemeester houdt een welkomstspeech, er wordt uitgebreid gegeten en gedronken en we leren dat proost in het Roemeens noroc is. Maar de volgende dag, de dag van de opening, trekt de hemel dicht en barst het los. De expositie wordt afgelast. Een deel van het werk hangt in het museum, we krijgen er ook een rondleiding, maar op de een of andere manier maakt het niet uit dat het in het water valt. De reis zelf is een avontuur, we ontmoeten zoveel nieuwe mensen, zien prachtige landschappen, nee, ons zal het niet deren. Na twee dagen nemen we afscheid, beloven terug te komen, en wie weet gebeurt dat ook, zo mooi is het hier, in dit land van het langzame leven waar je in de dorpen de merkwaardigste transportmiddelen ziet, paard en wagen, een zelfgemaakt trekkarretje, een hand wordt opgestoken in groet naar de buurman.

Vlak voordat we de grens naar Hongarije overgaan komen we door Botiz, het laatste dorp in Roemenië. Vreemd, eigenlijk. Wij gaan verder, achter de grens strekt zich een voor ons eindeloze wereld uit, we kunnen komen en gaan wanneer we willen, maar voor anderen stopt het hier, in Botiz. Wat voor de een klein en onbetekenend is, is voor een ander de rand tot waar ze kunnen gaan. Hoe ervaart de stationschef de wereld? Zo te zien is zijn grootste zorg dat hij op de komende winter is voorbereid. Hij heeft het stationsgebouwtje uitgeruimd, de radiator krijgt een schoonmaakbeurt. Afsoppen, misschien een lik verf. En laat dan de winter maar komen, hier in Noord-Roemenië, aan de rand van de wereld.

5 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

108. Onvermijdelijke Geschiedenis

In een van de vele beschouwingen die begin deze maand verschenen na de dood van Hella Haasse, las ik iets merkwaardigs. Volgens de directeur van haar uitgeverij was Haasse zeer belezen. “Ze las sneller dan Nederlandse schrijvers konden schrijven.’ Ja, dacht ik, nogal wiedes. Dat is toch bij elke schrijver? Denk aan Pasternak. Die deed tien jaar over Doctor Zhivago, maar je leest het in een week uit. Schrijven is zoeken en zwoegen, soms doe je eindeloos lang over een enkele alinea, netzolang tot alles perfekt looopt, met elk woord op de juiste plaats. Maar de lezer heeft van al dat zwoegen geen notie. Die vreet zich door de woorden, en zo hoort het ook. Dus wat bedoelde die vrouw van Querido te zeggen? Omdat ik een diepzinnige, voor mij verborgen betekenis vermoedde, heb ik nog een tijdje over die uitspraak nagedacht, maar kwam onvermijdelijk terug bij die eerste reactie.

Waarom ik juist nu hieraan herinnerd word, weet ik niet. Vermoedelijk omdat ik met een omgekeerde variant zit: ik reis sneller dan ik kan schrijven. Mijn laatste stuk op dit weblog schreef ik over Berlijn, maar toen waren we al in Krakau en intussen zijn we alweer zoveel verder, alles loopt achter, tijd gaat sneller dan je kunt schrijven en er is zoveel, Polen en Oekraïne, Hongarije en Oostenrijk. Maar het komt, schreef ik aan een vriend, het komt, straks.

Nu dan. Polen, naar Krakau. En daar overkomt me het omgekeerde van wat in Berlijn dreigde te gebeuren. Daar moest ik oppassen niet teveel op zoek te gaan naar de geschiedenis, hier in Krakau is er geen ontkomen aan, het dendert op je af op een manier die op z’n zachtst gezegd merkwaardig is. Want wat te denken van kleurrijke toeristenkarretjes die over eeuwenoude kinderkopjes hobbelen met de wervende mededeling dat ze dagtrips verzorgen naar Auschwitz-Birkenau?

Natuurlijk, de geschiedenis van Krakau is onlosmakelijk verbonden met onderdrukking en vernietiging. Mongolen, Teutonen, Russen, Zweden, Nazi’s en Sovjets: Krakau is gedrenkt in bloed. En geschiedenis hoeft niet verborgen te worden, het is er, alle geschiedenis is gebouwd op gruwel en glorie en en het zijn niet alleen de straten en gebouwen die aan die geschiedenis herinneren, het zit in de lucht en in de gezichten van het volk. Zo werkt dat, en in Krakau is het niet anders. Waar meteen bij gezegd moet worden dat de stad uiterst vitaal voelt. In de prachtige oude Joodse wijk Kazimierz bruist het, café’s en restaurants, galleries en boekwinkels, overal voel je de creatieve energie van de nieuwe generatie.

Toch blijft het raar, die karretjes. Waarom eigenlijk? Omdat de gruwel van Auschwitz zo onbevattelijk is? Past daar geen toerisme bij? Ja, zo voelt het. Ongepast, en oneerbiedig. Terwijl dat natuurlijk onzin is. Mensen willen er heen, willen die plek zien, en ondernemers spelen daar op in. Uit zakelijk oogpunt gezien is er geen verschil tussen Keukenhof en Auschwitz, tussen het Van Gogh Museum of het ghetto van Krakau. Vreemd trouwens, in Polen, de gewoonte om mensen in te huren als levende uithangborden. Arbeidskracht moet hier spotgoedkoop zijn, overal zie je ze staan met hun aanwijsborden. Of zittend. De hele dag pal tegenover een winkel waar ze ijsjes verkopen, met een bord dat naar die winkel wijst, hier ijs te koop. Of een reisbureau. Kaartjes naar Auschwitz-Birkenau.

Aan de overkant van de Wisla, de rivier die Krakau doorsnijdt, ligt Podgórze, een verpauperde arbeiderswijk die nauwelijks betekenis zou hebben voor de geschiedenis van de stad, ware het niet dat hier in 1941 het ghetto van Krakau ontstond. 15.000 joden werden gedwongen geëvacueerd en ondergebracht in een wijk die nauwelijks groot genoeg was voor drieduizend bewoners. Vier tot vijf families per woning, zij die geen woonruimte vonden leefden, en stierven, op straat. De wijk werd afgezet met een betonnen muur. Ten zuiden van Podgórze werd het werkkamp Plaszów ingericht, waar de bewoners van het getto te werk werden gesteld. Van het ghetto resteert niets, behalve een klein restant van de muur die ooit het gebied omsloot. En er is dat plein, dat afschuwelijke plein waar de transporten naar de vernietigingskampen begonnen en waar de Duitsers in koelen bloede duizenden executies uitvoerden. Wie er iets over wil lezen kan de details overal op internet vinden, dit is hier nu niet de plaats voor die gruwel. Wél voor het monument dat op het plein is opgericht: her en der staan stoelen, een makabere herinnering aan het begin van het ghetto toen de joodse bewoners uit Kazimierz over de rivier naar Podgórze werden gedreven en, onwetend over wat hen te wachtern stond, op dit plein de meegebrachte meubels en huisraad moesten achterlaten.

Iets buiten de wijk, aan de andere kant van de spoorlijn, ligt een van de belangrijkste gebouwen van Podgórze: de voormalige fabriek van Oskar Schindler. Dankzij de film Schindler’s List van Steven Spielberg kent haast iedereen de geschiedenis van de opportunistische Sudeten-Duitse industrieel die in Krakau een emailwarenfabriek opende en dankzij goedkope joodse arbeidskracht een fortuin dacht te verdienen. In plaats daarvan vond de grote ommekeer plaats en redde hij ruim elfhonderd joden van een wisse dood. Een daad van grote betekenis, want immers whoever saves one life saves the world entire.

Sinds enkele jaren is in de voormalige fabriek een museum gevestigd dat op indringende wijze de geschiedenis van Krakau tijdens de Duitse bezetting en de gebeurtenissen in de fabriek toont. Mirjam plaatste op haar website een blog met indrukwekkende foto’s.

© Mirjam Letsch

Zijn er tot slot nog vrolijke dingen te melden over Krakau? Nou, reken maar. Heerlijke stad, goed te belopen, de oude joodse wijk Kazimierz is een verrukking, ik schreef het al, het bruist er van de energie, en voorzover wij konden zien is het met de liefde ook dik in orde hier. Waarom? Over de Wisla loopt een voetgangersbrug, en zoals ook elders op de wereld hangt de railing vol Love Locks. Hangslot bevestigen, sleutel in de rivier gooien en de liefde zal eeuwig standhouden. Ik hoop het. Want nog meer hartepijn kan Krakau vrees ik niet verdragen.

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

107. Het Verleden Voorbij

Die wonderlijke gewoonte, terug te willen gaan naar waar je al geweest bent. Alsof je op zoek bent naar de voetstappen die je in de geschiedenis hebt achtergelaten. Ze zijn er wel, die voetstappen, maar vooral in je eigen hoofd. Onzichtbaar voor anderen, behalve als je er over vertelt. Maar moet dat wel? Want als je het verleden zoekt, wat doet dat dan met het heden?

Niet dat het opzet was, zo’n sentimental journey. Maar toen we werden uitgenodigd om in Roemenie te exposeren, bedacht Mirjam dat het eindelijk tijd werd voor een beetje vakantie. En als we dan toch gaan, waarom dan niet naar onze eigen foto’s kijken, zoals ze daar vanaf 8 oktober hangen op het Film- en Fotofestival van Gura Humorului? Prima idee. Vooral toen bleek dat ze al een heel plan had. Eerst naar Berlijn, waar in de Deutsche Oper Puccini’s Tosca op het programma stond. Daarna een paar dagen Krakau, en dan door de zuidelijke Oekraïne naar Roemenië. Heel wat kilometers, maar goed te doen. En zo geschiedde.

Berlijn. Wanneer was ik daar voor het laatst? En kijk, daar ga je al, daar begint het wroeten in je geschiedenis. 1989 was het, dat dramatische jaar waarvan niemand, toen ik in de nazomer wekenlang langs de Duits-Duitse grens trok en geruime tijd in Berlijn bivakkeerde, enig idee had wat er op ons afkwam. In Hongarije werd het IJzeren Gordijn opengeknipt, de eerste vluchtelingen doken in West-Duitsland op, maar in Berlijn klommen de toeristen als vanouds op de houten tribunes die her en der langs de Muur waren opgesteld en probeerden een glimp van het leven aan de andere kant op te vangen. Berlijn wás De Muur, daar hielp geen moedertjelief aan. En bij Checkpoint Charlie, de controlepost tussen de Amerikaanse en Russische sector in de Friedrichstrasse, stonden dagjesmensen in de rij om een paar uur Osten op te snuiven. Een beklemmende slalom tussen grauwe barakken waar intimiderende Vopo’s (Volkspolizei) en Grepo’s (Grenzpolizei) met gladgestreken pokerface je paspoort controleerden en je met een snauw opdroegen je bagage te openen. Berucht waren de verhalen over wanhopige Oost-Duisters die hier probeerden de vlucht naar het westen te maken. Vaak tevergeefs, menigeen stierf in een regen van kogels. En wat zie je vandaag op die roemruchte plek? Een stapel zandzakken midden op straat met daarachter het Amerikaanse wachthuisje van weleer, twee kerels in Oost-Duits uniform en een eindeloze rij toeristen die zich gretig voor twee euro de man tussen die acteurs laten vereeuwigen.

Mirjam was nog nooit in Berlijn geweest en kon zich, behalve van foto’s, geen voorstelling maken van de Muur. Het was dus logisch dat ik haar een klein beetje van mijn verleden wilde laten zien. Want hoe vaak had ik langs die muur gelopen? Hoe vaak had ik mijn paspoort afgegeven om naar de Oostzone te gaan? En nu stonden we op de plek die ooit hét symbool van de Koude Oorlog was en zagen dat toneelstukje met die twee namaak Vopo’s. Raar, voelde dat. Een soort verkrachting van de geschiedenis, terwijl niemand dat verleden ooit terug zou willen. Een merkwaardige spagaat in je hoofd, kom daar maar eens uit.

Dat begon trouwens al eerder, bij de vroegere grensovergang Helmstedt-Marienborn, waar je vroeger als je over de A2 naar Berlijn ging langs de Oost-Duitse douane moest. Eindeloze files, stapvoets tussen grauwe barakken door waar in kleine hokjes mannen zaten die je pasoort innamen en door een luikje doorgaven naar onzichtbare controleurs. Soms werd je gesommeerd je hele auto leeg te halen. Snauwde zo’n kerel wat ik met die microfoons moest, en die bandrecorder. Werd alles in beslag genomen, kon je uren wachten tot je je spullen terug kreeg. Zenuwslopend was het. En nu? De gebouwen staan er nog steeds, de voormalige grensovergang heet nu Gedenkstätte Deutsche Teilung Marienborn, maar het verleden vind je er niet meer. De controlepunten die ooit zo intimiderend waren zijn nu wat ze destijds goedbeschouwd ook al waren: aandoenlijk lullige portiershokjes met bladderende verf en roestende radiatoren. De geschiedenis is definitief gedemystificeerd.

Maar dat schitterende Berlijn anno 2011! Ik betreur het nu dat ik 22 jaar gewacht heb naar die formidabele stad terug te keren. Prachtig, prachtig. Op gehuurde fietsen zwierven we de hele dag door de stad, soms op zoek naar geschiedenis, zoals bij een van de weinige restanten Muur in de Niederkirchnerstrasse, of langs de rivier de Spree die dwars door de stad snijdt en op sommige plaatsen deel uitmaakte van de grens tussen beide stadsdelen.

Maar er komt een moment dat je moet proberen het verleden even te laten rusten. Je bent er nú, en niet toen. Dus als je bij de Reichstag bent niet aan die arme drommel Marinus van der Lubbe denken, maar genieten van de Vondelpark-achtige sfeer en de opgewekte deuntjes van de blaaskapel. Dat verleden komt echt wel weer. Want intussen zijn we ruim zeshonderd kilometer verder oostwaarts, in Krakau. Gisteren dwaalden we langdurig door de oude Joodse wijk Kazimierz, en vanmiddag gaan we naar de overkant van de rivier Vistula naar het vroegere joodse ghetto in Podgórze. Naar het centrum van het ghetto, Plac Zgody, het plein waar de transporten naar de vernietigingskapmen begonnen. Naar de fabriek van Oskar Schindler. Het verleden mag dan voorbij zijn, soms is het goed er wél aan herinnerd te worden. Daarover later meer.

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

106. Raadselteksten

Vorige week waren we gevraagd het optreden van een Nederlandse popzanger te fotograferen. Frank Boeijen. Geen onbekende naam, maar ik kon er zo een twee drie geen nummer bij bedenken. Was hij soms de zanger van dat opgewekte Ik Heb Stiekem Met Je Gedanst? Maar Google gaf me een ferme tik op m’n vingers. Het bleek van een band met de merkwaardige naam Toontje Lager. Reeds lang ter ziele gegaan, las ik. Halverwege de jaren tachtig. Nee, dan Frank Boeijen. Die draait al ruim dertig jaar mee, en volgens Wikipedia lang niet onverdienstelijk.

Lastige discipline, popfotografie. Zo’n concert duurt gauw anderhalf uur, maar al die tijd gebeurt steeds hetzelfde. Een paar mannen met gitaren die spelen en zingen. That’s it. Als je drie foto’s gemaakt hebt ben je d’r wel, bij wijze van spreken. Je moet minstens een rondspringende bekkentrekker als Mick Jagger als frontman hebben wil je wat gevarieerd beeld kunnen schieten. Maar Frank Boeijen blijkt een wat saaie man in zwart kostuum die slechts twee gezichtsuitdrukkingen in z’n repertoire lijkt te hebben. Neutraal als hij ballades zingt, en een grimas als hij bij een rocknummer stevig moet uithalen. Want swingen doet het. Wonderbaarlijke teksten zingt hij trouwens. Een van zijn succesnummers heet Zeg me dat het niet zo is. Toen hij het tijdens het concert speelde begreep ik al niet zo goed waar het over ging, en als ik de tekst herlees is het me nog steeds een raadsel. Ouders die een gestorven kind betreuren? Een man die zijn vrouw kwijt is? Raadseltekst. Maar ik had niet de indruk dat het de fans iets kon schelen. Aandachtig stonden ze te luisteren en klapten langdurig toen het liedje uit was.

De volgende dag ging ik in mijn archief op zoek naar foto’s die ik van eerdere popconcerten maakte. Want opeens schoot me te binnen dat ik, toen ik nét met fotografie was begonnen, bij een aantal optredens hondsbrutaal met mijn Pentax op het podium was geklommen en foto’s had gemaakt. Niemand die me tegenhield. Ongelofelijk, maar waar. Als je tegenwoordig te dicht bij een poppodium komt krijg je als je pech hebt een hengst voor je kop van een gespierde bodyguard, maar in de jaren zeventig ging het tijdens de nachtconcerten in het Concertgebouw gemoedelijker toe. Keurig zaten we op onze stoelen en luisterden naar Yes, Leonard Cohen, Moody Blues, Andy Pratt en Supertramp. Maar geen van allen had ik gefotografeerd, dat wist ik. Wie dan wel? Na enig zoeken vond ik de negatieven. Kodak Tri X Pan, een mooie fijnkorrelige 400 ASA zwartwitfilm, die ik had opgewaardeerd naar 1600. Vergeelde etiketjes brachten in herinnering wie er op stonden: Lou Reed in Carré, en de Amerikaanse folk rock band America in het Concertgebouw, beide in 1974. Van dat laatste optreden herinner ik me niets. Lou Reed wel. Zoals hij opkwam tijdens de intro van Sweet Jane en zijn kop in de immense podiumspeakers duwde. Dat ik destijds het lef heb gehad ijskoud het podium op te klimmen is haast ongelofelijk. Maar de negatieven bewijzen dat ik het gedaan heb. Ze zijn gekrast en beschadigd. Bijna veertig jaar in een archiefmap heeft ze geen goed gedaan. Enorme vooruitgang, de digitale fotografie.

Onderstaand een selectie van de foto’s die ik tijdens het Frank Boeijen concert maakte. Ben redelijk tevreden. Mirjam trouwens maakte een prachtige serie, hier als slideshow te zien. En die foto’s uit 1974? De negatieven moeten gedigitaliseerd worden. Ben benieuwd. Maar dat Lou Reed een heel wat spannendere kop heeft dan Frank Boeijen, dat weet ik wel zeker. En geen raadselteksten.

1 reactie

Opgeslagen onder Uncategorized

105. Voor Altijd Nine Eleven

Vandaag tien jaar geleden die ongelofelijke dag toen de vliegtuigen zich in de torens van het World Trade Centre boorden. Ontreddering alom, de wereld huilde. En omdat we grote gebeurtenissen bij voorkeur bij ronde jaartallen herdenken, dus vijf of tien en niet drie of zeven, staat de hele afgelopen week al in het teken van nine eleven. Geen krant of televisiezender liet zich onbetuigd. Documentaires, samenvattingen, terugblikken. Het televisiekanaal van National Geographic zond de hele week niets anders uit dan programma’s die rechtstreeks verband hielden met 9/11, ofschoon er afgelopen vrijdag opeens een programma over The Dog Whisperer tussendoor glipte. Wonderlijk.

Ik weet niet wat de toekomst zal brengen, maar het zou me niet verbazen als de aanslagen op New York langer in onze herinnering blijven dan andere verschrikkingen, en het heeft er natuurlijk alles mee te maken dat we het op de televisie hebben kunnen meemaken. Het beeld van dat aanstormende vliegtuig en die reusachtige vuurbal staat in je hersens gegrift. Volgens peilingen herinnert 97% van de Amerikanen zich nog waar ze waren toen ze het nieuws hoorden. Lijkt me wat veel, dat is zo’n beetje de hele bevolking, dus inclusief kleuters, en die hadden wel wat anders aan hun hoofd. Hoe zou het trouwens met de Nederlanders gesteld zijn? Hoeveel van ons weten nog waar ze waren? Veel, vermoed ik. De geschiedenis kent van die ijkpunten die in het collectieve geheugen gebeiteld staan, ofschoon we nogal kieskeurig lijken te zijn als het gaat om wat zo’n ijkpunt is. Dood, dat is hoe dan ook de bindende factor. John F. Kennedy. Martin Luther King. John Lennon. Bobby Kennedy. Allemaal geveld door kogels.

Jim Morrison, Jimi Hendrix en Janis Joplin zijn ook beroemde doden, maar die vallen buiten de ‘ik weet nog waar ik was’ categorie. Nét niet beroemd genoeg om zo’n massale shock teweeg te brengen? Of misschien is het omdat dood door een kogel heroïscher is dan dood door drugs. Maar Yitzchak Rabin dan? Diens gewelddadige dood heeft bij lange na niet zo’n indruk nagelaten. Kleine test: wanneer werd Rabin vermoord? Grote kans dat je het niet meer weet. Raar hoor, het menselijk geheugen. Waarom herinner je je het een en vergeet het ander? De moord op John F. Kennedy. Ik was vijftien en lag met koorts in bed. Wij hadden in die dagen bij ons thuis nog geen televisie en radio luisteren deden we niet. Nieuws kwam uit de middagkrant, het Algemeen Handelsblad. Of van de buurvrouw, die wel televisie had. Opeens haar stem over het tuinhek die mijn moeder roept. Karin! Karin! Heb je het gehoord? Ze hebben president Kennedy doodgeschoten! Achtenveertig jaar geleden. Waarom weet ik dat nog?

The day that changed the world kopten de kranten na 9/11. Toch een beetje de moeder aller hyperbolen, en volstrekte nonsens natuurlijk, want wat betekent dat precies? Is er een gebeurtenis denkbaar die zo ingrijpend is en zoveel groter dan andere gebeurtenissen, dat de wereld erdoor verandert? En wat is er dan veranderd, ons mensbeeld? Dan hadden we evenzogoed, en misschien wel met betere reden, dat etiket op 29 april 1945 kunnen plakken: de dag dat Amerikaanse troepen concentratiekamp Dachau bevrijdden. Vlak buiten de poort vonden ze een lange goederentrein met de uitgeteerde lichamen van duizenden doden. Gevangenen die uit Buchenwald op transport waren gesteld en wekenlang door de SS waren rondgezeuld. Was dat niet bij uitstek een dag die voor altijd ons mensbeeld, en dus de wereld, veranderde? Of twee weken eerder de bevrijding van Bergen-Belsen. En Sachsenhausen, en Ravensbrück en al die andere helse oorden. De hele maand april van 1945 was er een die de wereld veranderde. Of wat te denken van 25 december 1978, toen Vietnamese gevechtseenheden Cambodja binnenvielen en een eind maakte aan het schrikbewind van Pol Pot en zijn Khmer Rouge, waarin anderhalf miljoen doden vielen. Leek het zinvol om na die barbarij nog over ethiek of moraal te praten?

The day that changed the world. Waarom denken ze dat ze 9/11 in een catch phrase kunnen vangen? Bovendien, de term was al eerder, maar in iets gewijzigde vorm, gebruikt: 28 juni 1914, de moord op Frans Ferdinand van Oostenrijk in Sarajevo. Een aanslag die het begin van de Eerste Wereldoorlog inluidde. The Day That Shook The World, heette het toen. Een paar jaar later verscheen het boek van de Amerikaanse journalist John Reed over de Russische Revolutie in 1917, Ten Days that Shook the World. Allemaal gebeurtenissen die de wereld op haar grondvesten deden schudden en haar voor altijd veranderden. Zoals ook de tsunami van 2004 de wereld veranderde, en eerder dit jaar de aardbeving en de daaropvolgende ravage in Japan. Het veranderde misschien niet onze wereld, maar wel van de mensen die erdoor getroffen werden.

En dat is precies waar het om gaat. Niet dat de wereld verandert door een bepaalde gebeurtenis, maar dat iemands wereld verandert. Zoals mijn wereld veranderde toen ik vijftien jaar geleden, op elf september 1996, met Mirjam trouwde. We waren al ruim een jaar samen en vonden het een goed idee die band te bevestigen. We prikten een datum: elf september. En wat er sindsdien op die dag ook elders in de wereld gebeurt, elk jaar opnieuw ben ik weer blij als het nine eleven is. Omdat het de dag is dat mijn wereld veranderde.

2 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized

104. Nieuws Filteren

Teveel nieuws maakt ongelukkig, leest Fokke hardop voor uit NRC Next. Internetpionier Jim Stolze formuleerde het vorig jaar iets anders, maar het komt op hetzelfde neer: teveel informatie maakt ongelukkig. Hij bedacht er zelfs een naam voor: infobesitas. We hadden al kranten, radio en tv en met de komst van het internet is de hoeveelheid informatie enorm toegenomen. Hoe moet je dat filteren? Veel mensen kunnen dat niet, zijn eraan verslaafd, alle sluizen moeten open en liefst tegelijkertijd, radio, televisie, krant en e-mail, als dat zo doorgaat moeten ze afkicken, de nieuwsjunkies.

Maar het gaat niet alleen over de hoeveelheid, het gaat vooral over de kwaliteit. De inhoud. En wat dat met je doet. Want het is toch in hoofdzaak kommer en kwel, en wat laat dat voor sporen na in je hersens? Ik herinner me hoe we bij de VPRO tijdens de gloriejaren van Het Gebouw bij wijze van tegenwicht de Goed Nieuws Krant wilden introduceren. Een radiobulletin waarin we alleen maar positieve berichten zouden brengen. Uiteindelijk kwam het nooit van de grond. Er waren te weinig leuke nieuwtjes en wat er was bleek deerniswekkend oppervlakkig. Als je vertelt hoe iemand boodschappen doet voor een behoeftige buurvrouw of een poes uit de boom redt kan je dat geen tweede keer doen, en niemand bleek geïnteresseerd, ook wij niet. Dus gingen we verder met wat we altijd deden: praten over de misstanden in de wereld en al die informatie kwam in je kop en we hadden geen idee wat dat met de luisteraar deed. Behalve dat het net zo zou zijn als bij onszelf: je hoort nieuws en dan ga je verder met waar je mee bezig was. Met werk, met de liefde of met ruzie, kinderen naar school, boodschappen moeten gedaan, de baas wacht, vuilnis buiten, gras gemaaid.

Hoe ontkom je aan al dat verpletterende wereldnieuws? Want het was me het weekje wel, met alweer een reeks zelfmoordaanslagen in Afghanistan, Irak of Pakistan, maar dat begint te wennen, in die landen is de dood nauwelijks nog nieuwswaardig. Integendeel, wat het nieuws haalt is de áfwezigheid van dood. Gisteren het triomfantelijke bericht dat augustus een goede maand was, want voor het eerst sinds de invasie in 2003 vielen er geen Amerikaanse doden in Irak. Libië dan maar, daar sterven ze bij bosjes. Zijn de doden nog te tellen? Zojuist nog die schokkende beelden van een loods met verkoolde lichamen.
Met de val van Kadhafi komt de gruwelijke waarheid van zijn regime naar buiten. Moord en doodslag in de Abu Saleem gevangenis. Moeders die jarenlang voedsel en kleding voor hun gevangen zonen aan de poort afleveren, niet wetend dat die zonen allang zijn omgebracht. Het misdadige kroost van Kadhafi, levend in ongekende weelde in hun strandvilla’s en dan de gruwel van dat Ethiopische kindermeisje, zwaar verminkt, overgoten met kokend water door de barbaarse vrouw van Kadhafi’s even barbaarse zoon Hannibal.

En dan opeens het bericht dat een bevriend journalist, RTL Midden-Oosten correspondent Roel Geeraedts, in Tripoli verdwenen zou zijn, de redactie kreeg al de hele dag geen contact met hem. Toen we dit hoorden was er even dat intense moment van schrik en ontreddering. De vorige dag nog het bericht dat vier Italiaanse journalisten gegijzeld waren door Kadhafi’s troepen, en nu was ook Roel verdwenen. Je maag maakt een diepe duikeling. Het zal toch niet? Nee, het zal niet, want het bleek een vergissing. Tijdelijk geen bereik met de satelliet, batterij van de telefoon leeg, alles in orde, de redactie had te vroeg alarm geslagen. Maar de schrik zat er stevig in.

Hoe filter je nieuws? Hoe bescherm je jezelf tegen die overdaad aan informatie? Ik weet het niet. Soms gewoon maar geen kranten lezen of het journaal overslaan. Maar zo werkt het niet, want we willen nu eenmaal weten. Misschien moeten we proberen het goede nieuws een prominentere plek te geven. Want als teveel informatie ongelukkig maakt, moet het andersom ook werken: dat je van minder gelukkig wordt. En het is er, hoor, dat goede nieuws. En hoe. Mirjams moeder is na een ingrijpende operatie en angstige periode in de intensive care na een maand ziekenhuis eindelijk weer thuis. Zwak en mager, maar in de goede handen van haar liefhebbende echtgenoot en thuiszorg en de niet aflatende steun van haar dochters.

En het wereldnieuws? Dat komt dit keer van dichtbij. De mooiste kopregel die ik in lange tijd las, en wel op de voorpagina van ons lokale nieuwsblad, de Zuid-Friesland. Een man die tijdens het skutsjesielen in Lemmer van de pier was geduveld en zijn bril kwijt was. En niet zomaar een bril, maar een originele Dolce&Gabbana. Wie hem vindt, graag even het gemeentehuis bellen. Dankuwel.

3 reacties

Opgeslagen onder Uncategorized