20/09/2009

59. Uit De Lucht

Thuis. Het oude leven hervat. En voorlopig even zenderstilte. Er is veel achterstallig werk en het gewone brood verdienen gaat ook weer door. Daarnaast wil ik proberen de wintermaanden aan mijn volgende boek te werken, dus voorlopig even geen weblog meer. Wie dat wil weet me te bereiken (zie info&©)

Tabé dus, voorlopig. 

testbeeld

01/09/2009

58. Le Salaire de la Peur

Kan je wind en hitte fotograferen? Kan je de essentie, het wezenlijke ervan op beeld overbrengen? Nauwelijks. Onze waarneming is getraind op basis van een paar clichébeelden die een gevoel aanspreken waardoor we met één blik denken te weten waar het om gaat. Hitte. Storm. Honger. Kou. Een door de zon uitgebleekt skelet van een rund of kameel, bij voorkeur hier en daar nog een flard perkamentdroge huid, herkennen we als hitte. En snoeiharde wind herkennen we in golven die over een pier slaan, doorbuigende palmbomen met alle bladeren één kant op of iemand worstelend met een paraplu. Bij voorkeur een vrouw, dat versterkt de identificatie. Ach gut, kijk nou, wat sneu. Maar wat ontbreekt zijn de twee belangrijkste zintuigelijke waarnemingen: voelen en horen.
     In mijn vorige stuk vertelde ik over dooie konijnen en buizerds op de weg, ik sleepte mijn fiets door gruis en stof en gebruikte een foto van een glooiend landschap van gemaaide graanvelden en een wit boerderijtje om die hitte te illustreren. Op het moment dat ik die foto maakte vóelde dat ook zo. Hitte is stilte, zelfs de krekels zwegen. Maar als ik nu terugblader zie ik een pastorale idylle. Of het clichébeeld daarvan, want wat je ziet is het gevoel dat het oproept, niet de werkelijkheid. Je ziet het huisje niet van binnen, geen idee van armoe en vuiligheid, en geen airconditioning om de hitte buiten te houden want nergens palen met electriciteitsdraden. De foto die wél werkte was mijn fiets op de rand van het asfalt met een voorbijsnoeiende auto. Mijn broer Peter stuurde me per kerende post een e-mail dat hij zich toch wel zorgen om me maakte. En terecht, want ik heb een paar benauwde momenten meegemaakt met het verkeer, en echt niet alleen hier in Zuid-Spanje.
     Proef op de som. Werkt deze foto? Windkracht negen. Of, zoals een Nederlandse windsurfer het glunderend noemde: bijna vijftig knopen.

Wnd

De foto is gemaakt in het zuidelijkse puntje van Spanje, langs de N340 van Tarifa in noord-oostelijke richting naar Algeciras. Langs deze punt, waar Atlantische Oceaan en Middellandse Zee elkaar ontmoeten en de weg V-vormig de kust volgt, waait het altijd en, zo werd me verteld, bijna altijd vanuit het noord-oosten. De dag ervoor reed ik naar de punt toe, dus de linkerpoot van de V, waarbij de storm schuin van linksvoor kwam en soms zó hard dat ik noodgedwongen moest afstappen en duwen. En hier langs deze kustpunt gebeurt iets raars. Of ben ik zo murw gebeukt dat ik het me verbeeld? Zomaar opeens valt de wind weg, je ziet geen struik bewegen, niets aan de hand, terwijl drie meter verder het struikgewas weer bijna plat tegen de grond ligt. De storm is als een roofdier dat onverwacht z’n klauwen naar je uitslaat en ik ben dan ook één keer van de weg geblazen. Kon wel op tijd wegspringen, terwijl m’n fiets onder me vandaan omlaag in de steile berm viel.
     De volgende dag, zondag 30 augustus, klim ik in Tarifa in het zadel in de wetenschap dat het de laatste dag van mijn tocht zal zijn: nog slechts 50 kilometer tot Gibraltar. Normaal gesproken een makkie, maar vandaag niet, want weer die noord-ooster. Het begint met ruim anderhalf uur ploeteren en duwen tegen windkracht negen en nog klimmen ook: over de 340 meter hoge Alto El Cabrito. De weg slingert omhoog en het hele landschap is één windmolenpark, overal zoevende wieken in de loeiende storm. Maar nu de wind van rechts komt, is het levensgevaarlijk om aan de rechterkant van de weg te lopen. Eén vlaag en ik waai onder een auto. Dus aan de linkerkant, maar dan is het weer oppassen voor tegemoetkomend verkeer dat de bochten afsnijdt en tot drie keer toe recht op me af komt. Met de dood in het hart bereik ik na anderhalf uur, waarin ik acht (!) kilometer afleg, de Mirador El Estrecho, een uitkijkpunt met een restaurantje waar ik achter een kop koffie met uitzicht op de Straat van Gibraltar op adem kom en in gesprek raak met een Nederlandse windsurfer. Bijna vijftig knopen! grijnst hij, zich verheugend op een dolle dag op de golven bij Tarifa. Maar, zegt hij, je wordt stapelgek van de wegvallende wind. Een natuurkundige freakshow, noemt hij het. Zomaar middenin de storm opeens een stuk windstilte en je dondert van je surfplank. Opgelucht haal ik adem. Had ik die windstille struiken dus niet gedroomd.

Wegwijzer

Voorbij Algeciras, van waaruit over de baai in de verte al de grillige vorm van de Rots van Gibraltar zichtbaar is, opeens een probleem, want er is maar één weg en dat is de snelweg. Een zich steeds opnieuw vertakkend netwerk van op- en afritten en viaducten en het verkeer raast als een dolgedraaide kermis voorbij en met bonkend hart kan ik aan mijn lijstje van niet fotografeerbare zintuigelijke waarnemingen een derde toevoegen: verkeersdrukte. Want elke keer bij een oprit of afslag moet je naar de andere kant zien te komen en dan kijk je wel zeven keer voordat je daadwerkelijk oversteekt. Ik heb dat natuurlijk al vaker meegemaakt, in Singapore bijvoorbeeld, maar het Spaanse verkeer voelt anders en ik knijp hem als een ouwe dief: m’n laatste dag, bijna ben ik er, het zal toch niet… En opeens schiet me een oude film te binnen, Le Salaire de la Peur, met Yves Montand als vrachtwagenschauffer die in een convooi over een slechte bergweg een lading nitroglycerine moet vervoeren. Levensgevaarlijk. Eén verkeerd manoeuvre en de zaak ontploft. Maar het gaat goed en op de terugweg zijn de chauffeurs zó opgetogen dat het avontuur voorbij is dat ze roekeloos worden, waarbij Montand de macht over het stuur verliest en in een ravijn stort.

Dan de afslag naar La Linea, de Spaanse grensplaats waar ik langs en tussen de wachtende auto’s glip, mijn paspoort aan de douane laat zien, de man met de pet zwaait me door en opeens sta ik, 4489 kilometer vanaf de voordeur thuis in Friesland, op de startbaan van het vliegveld van Gibraltar dat pal achter de douane ligt. Ik druk mijn camera in de hand van een voorbijwandelende Brit en vraag hem het heugelijke moment vast te leggen. En ik weet: ‘t is mooi zo. Voorlopig is het genoeg geweest.

Hans aankomst Gibraltar 2

Gibraltar? Iedereen weet van de apen, dat hoef ik hier niet te herhalen. Maar wat je eigenlijk nooit hoort, is dat het een beetje een rare, ordinaire plek is. Nee, laat ik dat anders formuleren: ik vind het een beetje een ordinaire plek. Het Verenigd Koninkrijk op z’n smalst, letterlijk. Winkelstraten met glitter en rumoer, diamanten, goud en camera’s tax-free, de toeristen die er rondlopen zijn, zo vertelt me later een Indiase restauranthouder aan de Spaanse kant, voor tachtig procent Britten die er doen wat ze thuis ook doen: zuipen, fish ‘n chips eten en de tabloids lezen. Natuurlijk, de nuance zal wel ontbreken en wie weet wat mijn gesprekspartner voor rekening te vereffenen heeft, maar feit is dat ik niet ver hoef te kijken om in elk geval één van z’n waarnemingen bevestigd te zien. En wat die fish ‘n chips betreft, zie de rubriek Eetzicht.

Krnt Gbrltr

Toch vind ik een mooi, stil hoekje Gibraltar. En veel stiller dan dit kan het niet worden. Een klein begraafplaatsje met uitsluitend graven van zeelieden die tijdens de slag bij Trafalgar gewond raakten en op Gibraltar verpleegd werden tot ze stierven. Een bordje bij de ingang zegt nadrukkelijk: zij die tijdens de heroïsche zeeslag hun leven verloren werden aan de golven toevertrouwd. Dat een van hen bevelhebber Nelson was, staat er niet bij. Mooie anecdote. Nelson wint de zeeslag, maar het kost hem wel zijn leven. De scheepsarts probeert het lichaam in redelijke staat naar Londen terug te krijgen, alles haalt hij uit de kast om de klus te klaren, balsemen en pekelen, maar niets helpt. De admiraal begint te stinken en ter hoogte van Calais kieperen ze hem alsnog in de golven. Geen grafsteen, maar wel een krankzinnig hoge pilaar in Londen, waar hij staat en staart. Als hij in Gibraltar gestorven zou zijn, hoe zou zijn graf er dan uit hebben gezien? Niet zo bescheiden als deze van luitenant Forster. Heel aandoenlijk vind ik de rechter grafsteen. Wie er ligt is niet meer te lezen, wel dat hij aan een malignant fever is overleden, de arme ziel.

Grafstenen

Welaan. De klus is geklaard. Mirjam is op dit moment met de auto op weg naar La Linea om me op te pikken. Vanmiddag komt ze hier aan. Heerlijk, haar weer te zien. En de fiets? Die mag uitrusten. Voorlopig is ‘t mooi geweest.

27/08/2009

57. Een Gebogen Bedelaar

Ook al schommelt de temperatuur loom rond de veertig graden, bij de kathedraal van Sevilla is het behoorlijk druk. Het is zondag en dan mag je gratis naar binnen, terwijl de entree normaal acht euro bedraagt. Wat trouwens ook weer een katholiek handigheidje is, want eenmaal binnen blijkt een groot deel van het gebedshuis met plankieren afgetimmerd en achter die barrière wordt verbouwd. Dus ook al kan je een deel van het gebouw niet zien en krijg je op weekdagen minder waar voor je geld, de toegangsprijs blijft hetzelfde. Wàt er vertimmerd wordt is onduidelijk, want de verklarende tekstbordjes zijn zoals gebruikelijk uitsluitend in het Spaans. Het zou interessant zijn als iemand eens onderzoek deed waarom dat zo is, de weigering van de gemiddelde Spanjaard om ook in andere talen te communiceren. Volgens Giles Tremlett, auteur van ‘Ghosts of Spain’, over zijn onderzoek naar de verzwegen gevolgen van de burgeroorlog en 40 jaar Franco dictatuur, heeft het iets te maken met een oprecht gevoel van superioriteit: “They believe theirs is the most fascinating corner of the world.”
     De drukte intussen bij de ingang van de kathedraal heeft vooral te maken met vrouwen die als sprinkhanen over je heenvallen en je een dun takje buxus in de hand drukken, onderwijl roepend dat het een dia santo is, een heilige dag. Als je het aanneemt zien ze hun kans schoon, grijpen je hand, draaien je palm naar boven en gaan met hun wijsvinger over de muis van je hand, triomfantelijk roepend dat je una larga vida te wachten staat, een lang leven. En meteen laten ze je hand los en steken je hun eigen hand toe. Dinero! En zie ze dan maar eens af te schudden. De eerste en laatste keer dat ik mijn hand liet lezen was in 1980, mijn eerste reis naar India. Het mannetje keek naar mijn hand, vervolgens naar mijn weelderige baard en haardos en zei plechtig: You are not from India but you have come from very far, from across the sea. Sindsdien rangschik ik handlezen in de rubriek dingen waar je je vooral vrolijk om moet maken, maar toegegeven, zoals die vrouwen hun bedrog vormgeven, petje af. Ik zie menig geïntimideerd toerist in z’n zak friemelen op zoek naar kleingeld om de sprinkhaanvrouwen af te schudden.
     Waarom denken bedelaars toch altijd dat er bij een kerk meer te halen valt dan elders? Dat mensen met een zekere ootmoed uit het godshuis terugkeren en dan eerder bereid zijn iets te geven? Wat ik zie is dat het vooral irritatie oproept. Ga weg, mens! Maar Spanje heeft één bedeltraditie die ik nog nooit ergens anders heb gezien, en dat is de Gebogen Bedelaar. In Santiago zag ik ze voor het eerst, knielend op het plaveisel, een bekertje in de hand en doodstil naar de grond staren. Hoewel, die vrouwen riepen je, als je voorbij dreigde te lopen zonder iets te geven, nog wel iets na, over kind en geen werk en honger. Merkwaardig genoeg zagen ze er altijd blakend uit en hun stemmen sterk.
     Maar in Sevilla heb ik de ultieme Gebogen Bedelaar ontmoet. Overdag knielt hij bij de kathedraal, zwetend in de onbarmhartige zon, en ’s avonds naast de ingang van een restaurant in de Avenida de la Constitución. Hij kan het lang volhouden, heel lang. Soms verschuift hij z’n knieën een beetje als ze pijn doen, maar als z’n lichaam gerangschikt is zakt dat hoofd weer omlaag en kijkt hij naar het niets tussen zijn kartonnen doosje en het plaveisel. Hij kan niet anders, dit is wat hij is en elke keer als ik hem zie rinkel ik wat geld in zijn doosje. Dan kijkt hij op, met zwarte kraaloogjes, en zakt weer terug.

Knielende bedelaar Sevilla

Augustus is vakantiemaand in Andalusië. Het is heet, de halve stad gaat op slot. Ik heb een paar dagen pauze ingelast in Sevilla, niet alleen omdat het me soms wel erg zwaar viel, dat fietsen in dat krankzinnig lege open landschap bij temperaturen die naar de veertig kruipen, maar ook enig klein malheur aan de fiets, dus op zoek naar een taller de bicicletas. Ik vond vier adressen waarvan drie op vakantie. De vierde ontfermde zich over mijn rijwiel en voor de zekerheid liet ik meteen nieuwe banden monteren, de oude begonnen wel erg te slijten. Vijf kilometer terugfietsen naar de binnenstad waar ik een hotelletje heb gevonden en meteen weer zweetnat. De stad kreunt onder de hitte, en op de binnenplaatsjes van Barrio de Santa Cruz, de oudste wijk van Sevilla, doen de restauranthouders er alles aan het de weinige klanten die ze krijgen naar de zin te maken. Ze zetten grote ventilatoren neer die water vernevelen, en voorbijgangers maken graag gebruik van deze onverwachte koeltebron -

Sevilla ventilator

Laat onverlet dat de hitte slachtoffers maakt. Vaak hoor ik de ambulance gillen, en dan verbeeld ik me dat ze op weg zijn naar een oudje dat amechtig tegen ademnood kampt en vreest dat het laatste uur is aangebroken. En waarom ook niet? In augustus 2003 stierven vijftienduizend Franse bejaarden door de hitte, dus de ambulancedienst van Sevilla zal dagelijks echt wel hier en daar een bezweken oudje ophalen. Hoelang zal deze vrouw het nog maken? Ze scharrelt meestal rond bij de voet van de kathedraal, niet echt bedelend, het is niet duidelijk wat ze doet, maar dat het haar in deze hitte slecht gaat is duidelijk.

Vrouw kathedraal Sevilla

Intussen gaat het weer verder zuidwaarts. Ik kort mijn trajecten noodgedwongen in, geen ritten meer van honderd kilometer of meer, het landschap is te heuvelachtig, de temperatuur te hoog. Soms neem ik een adempauze in een dorpje en zit dan een kwartier in de schaduw wachtend tot mijn lichaam tot rust is gekomen. Veel drinken, minstens vier, vijf liter water en vruchtensap tijdens een rit. In Las Cabezas de San Juan, waarvan niemand schijnt te weten wat de naam precies betekent, buig ik mij met de eigenaar van cafetária La Tapita over de kaart om de kortste route naar Arcos de la Frontera uit te zoeken. Hij waarschuwt voor wegwerkzaamheden en omleidingen en later blijkt dat hij gelijk heeft, er wordt een nieuwe weg aangelegd, ik sleur de fiets door gruis en puin, m’n oude buitenbanden hadden het niet overleefd. Dan weer stilte en de leegte van gemaaide graanvelden. De wereld is goudbruin en gestoppeld, een El Dorado voor konijnen. Ze graven hun holen langs en onder de weg zoals bij ons de muskusratten de dijken, hier en daar zijn happen uit de rand van het wegdek geslagen. En vanwege de konijnen barst het van de roofvogels. Buizerds, niet alleen hoog in de lucht en hier en daar pontificaal in de stoppels met een buit, maar ook dood op straat. Nog nooit deze hele reis zag ik zoveel roadkill. Talloze konijnen, drie honden, meerdere buizerds en twee uilen.

De wereld een briefkaart

En het is als fietser niet alleen uitkijken geblazen voor rafelranden in het asfalt omdat de konijnen de boel ondergraven. Nee, soms is het een eigenaardige wegenbouwkundige misrekening. Maakte ik al eerder melding van Portugese en Spaanse fietspaden, getuige de jubelborden aangelegd met EU geld, die je beter kunt mijden omdat ze opeens doodlopen in een struik of een stoeprand van twintig centimter waardoor je onverhoeds omlaag knalt, opeens kreeg ik te maken met een soort dijklichaam dwars door het dorre land. Als je jaren achtereen nieuwe lagen asfalt aanbrengt zonder aan vluchtstrook of berm te denken, krijg je een landingsbaan die een meter boven het maaiveld uitsteekt. Niet leuk voor fietsers, want waarheen als je onverhoeds moet uitwijken? Een doodsmak maak je. Maar het ging goed, and I lived to tell.
     Op nu naar de laatste twee, driehonderd kilometer naar Gibraltar.

Berm