Kan je wind en hitte fotograferen? Kan je de essentie, het wezenlijke ervan op beeld overbrengen? Nauwelijks. Onze waarneming is getraind op basis van een paar clichébeelden die een gevoel aanspreken waardoor we met één blik denken te weten waar het om gaat. Hitte. Storm. Honger. Kou. Een door de zon uitgebleekt skelet van een rund of kameel, bij voorkeur hier en daar nog een flard perkamentdroge huid, herkennen we als hitte. En snoeiharde wind herkennen we in golven die over een pier slaan, doorbuigende palmbomen met alle bladeren één kant op of iemand worstelend met een paraplu. Bij voorkeur een vrouw, dat versterkt de identificatie. Ach gut, kijk nou, wat sneu. Maar wat ontbreekt zijn de twee belangrijkste zintuigelijke waarnemingen: voelen en horen.
In mijn vorige stuk vertelde ik over dooie konijnen en buizerds op de weg, ik sleepte mijn fiets door gruis en stof en gebruikte een foto van een glooiend landschap van gemaaide graanvelden en een wit boerderijtje om die hitte te illustreren. Op het moment dat ik die foto maakte vóelde dat ook zo. Hitte is stilte, zelfs de krekels zwegen. Maar als ik nu terugblader zie ik een pastorale idylle. Of het clichébeeld daarvan, want wat je ziet is het gevoel dat het oproept, niet de werkelijkheid. Je ziet het huisje niet van binnen, geen idee van armoe en vuiligheid, en geen airconditioning om de hitte buiten te houden want nergens palen met electriciteitsdraden. De foto die wél werkte was mijn fiets op de rand van het asfalt met een voorbijsnoeiende auto. Mijn broer Peter stuurde me per kerende post een e-mail dat hij zich toch wel zorgen om me maakte. En terecht, want ik heb een paar benauwde momenten meegemaakt met het verkeer, en echt niet alleen hier in Zuid-Spanje.
Proef op de som. Werkt deze foto? Windkracht negen. Of, zoals een Nederlandse windsurfer het glunderend noemde: bijna vijftig knopen.

De foto is gemaakt in het zuidelijkse puntje van Spanje, langs de N340 van Tarifa in noord-oostelijke richting naar Algeciras. Langs deze punt, waar Atlantische Oceaan en Middellandse Zee elkaar ontmoeten en de weg V-vormig de kust volgt, waait het altijd en, zo werd me verteld, bijna altijd vanuit het noord-oosten. De dag ervoor reed ik naar de punt toe, dus de linkerpoot van de V, waarbij de storm schuin van linksvoor kwam en soms zó hard dat ik noodgedwongen moest afstappen en duwen. En hier langs deze kustpunt gebeurt iets raars. Of ben ik zo murw gebeukt dat ik het me verbeeld? Zomaar opeens valt de wind weg, je ziet geen struik bewegen, niets aan de hand, terwijl drie meter verder het struikgewas weer bijna plat tegen de grond ligt. De storm is als een roofdier dat onverwacht z’n klauwen naar je uitslaat en ik ben dan ook één keer van de weg geblazen. Kon wel op tijd wegspringen, terwijl m’n fiets onder me vandaan omlaag in de steile berm viel.
De volgende dag, zondag 30 augustus, klim ik in Tarifa in het zadel in de wetenschap dat het de laatste dag van mijn tocht zal zijn: nog slechts 50 kilometer tot Gibraltar. Normaal gesproken een makkie, maar vandaag niet, want weer die noord-ooster. Het begint met ruim anderhalf uur ploeteren en duwen tegen windkracht negen en nog klimmen ook: over de 340 meter hoge Alto El Cabrito. De weg slingert omhoog en het hele landschap is één windmolenpark, overal zoevende wieken in de loeiende storm. Maar nu de wind van rechts komt, is het levensgevaarlijk om aan de rechterkant van de weg te lopen. Eén vlaag en ik waai onder een auto. Dus aan de linkerkant, maar dan is het weer oppassen voor tegemoetkomend verkeer dat de bochten afsnijdt en tot drie keer toe recht op me af komt. Met de dood in het hart bereik ik na anderhalf uur, waarin ik acht (!) kilometer afleg, de Mirador El Estrecho, een uitkijkpunt met een restaurantje waar ik achter een kop koffie met uitzicht op de Straat van Gibraltar op adem kom en in gesprek raak met een Nederlandse windsurfer. Bijna vijftig knopen! grijnst hij, zich verheugend op een dolle dag op de golven bij Tarifa. Maar, zegt hij, je wordt stapelgek van de wegvallende wind. Een natuurkundige freakshow, noemt hij het. Zomaar middenin de storm opeens een stuk windstilte en je dondert van je surfplank. Opgelucht haal ik adem. Had ik die windstille struiken dus niet gedroomd.

Voorbij Algeciras, van waaruit over de baai in de verte al de grillige vorm van de Rots van Gibraltar zichtbaar is, opeens een probleem, want er is maar één weg en dat is de snelweg. Een zich steeds opnieuw vertakkend netwerk van op- en afritten en viaducten en het verkeer raast als een dolgedraaide kermis voorbij en met bonkend hart kan ik aan mijn lijstje van niet fotografeerbare zintuigelijke waarnemingen een derde toevoegen: verkeersdrukte. Want elke keer bij een oprit of afslag moet je naar de andere kant zien te komen en dan kijk je wel zeven keer voordat je daadwerkelijk oversteekt. Ik heb dat natuurlijk al vaker meegemaakt, in Singapore bijvoorbeeld, maar het Spaanse verkeer voelt anders en ik knijp hem als een ouwe dief: m’n laatste dag, bijna ben ik er, het zal toch niet… En opeens schiet me een oude film te binnen, Le Salaire de la Peur, met Yves Montand als vrachtwagenschauffer die in een convooi over een slechte bergweg een lading nitroglycerine moet vervoeren. Levensgevaarlijk. Eén verkeerd manoeuvre en de zaak ontploft. Maar het gaat goed en op de terugweg zijn de chauffeurs zó opgetogen dat het avontuur voorbij is dat ze roekeloos worden, waarbij Montand de macht over het stuur verliest en in een ravijn stort.
Dan de afslag naar La Linea, de Spaanse grensplaats waar ik langs en tussen de wachtende auto’s glip, mijn paspoort aan de douane laat zien, de man met de pet zwaait me door en opeens sta ik, 4489 kilometer vanaf de voordeur thuis in Friesland, op de startbaan van het vliegveld van Gibraltar dat pal achter de douane ligt. Ik druk mijn camera in de hand van een voorbijwandelende Brit en vraag hem het heugelijke moment vast te leggen. En ik weet: ‘t is mooi zo. Voorlopig is het genoeg geweest.

Gibraltar? Iedereen weet van de apen, dat hoef ik hier niet te herhalen. Maar wat je eigenlijk nooit hoort, is dat het een beetje een rare, ordinaire plek is. Nee, laat ik dat anders formuleren: ik vind het een beetje een ordinaire plek. Het Verenigd Koninkrijk op z’n smalst, letterlijk. Winkelstraten met glitter en rumoer, diamanten, goud en camera’s tax-free, de toeristen die er rondlopen zijn, zo vertelt me later een Indiase restauranthouder aan de Spaanse kant, voor tachtig procent Britten die er doen wat ze thuis ook doen: zuipen, fish ‘n chips eten en de tabloids lezen. Natuurlijk, de nuance zal wel ontbreken en wie weet wat mijn gesprekspartner voor rekening te vereffenen heeft, maar feit is dat ik niet ver hoef te kijken om in elk geval één van z’n waarnemingen bevestigd te zien. En wat die fish ‘n chips betreft, zie de rubriek Eetzicht.

Toch vind ik een mooi, stil hoekje Gibraltar. En veel stiller dan dit kan het niet worden. Een klein begraafplaatsje met uitsluitend graven van zeelieden die tijdens de slag bij Trafalgar gewond raakten en op Gibraltar verpleegd werden tot ze stierven. Een bordje bij de ingang zegt nadrukkelijk: zij die tijdens de heroïsche zeeslag hun leven verloren werden aan de golven toevertrouwd. Dat een van hen bevelhebber Nelson was, staat er niet bij. Mooie anecdote. Nelson wint de zeeslag, maar het kost hem wel zijn leven. De scheepsarts probeert het lichaam in redelijke staat naar Londen terug te krijgen, alles haalt hij uit de kast om de klus te klaren, balsemen en pekelen, maar niets helpt. De admiraal begint te stinken en ter hoogte van Calais kieperen ze hem alsnog in de golven. Geen grafsteen, maar wel een krankzinnig hoge pilaar in Londen, waar hij staat en staart. Als hij in Gibraltar gestorven zou zijn, hoe zou zijn graf er dan uit hebben gezien? Niet zo bescheiden als deze van luitenant Forster. Heel aandoenlijk vind ik de rechter grafsteen. Wie er ligt is niet meer te lezen, wel dat hij aan een malignant fever is overleden, de arme ziel.

Welaan. De klus is geklaard. Mirjam is op dit moment met de auto op weg naar La Linea om me op te pikken. Vanmiddag komt ze hier aan. Heerlijk, haar weer te zien. En de fiets? Die mag uitrusten. Voorlopig is ‘t mooi geweest.