155. Denkend aan Kondrashin

Laatst moest ik opeens aan Kondrashin denken. Vrijdag 7 maart om precies te zijn. Ik zat in de auto, schakelde radio 4 in en viel middenin het derde deel van de 1e symfonie van Mahler. Waarom ik toen aan Kondrashin dacht? Geen idee. Misschien omdat ik kort daarvoor iets gelezen had over de zoveelste 40135645 ruzie tussen Bernard Haitink en de leiding van het Concertgebouworkest, en denkend aan de talloze keren dat ik Haitink aan het werk had gezien floepte opeens Kondrashin in mijn hoofd, de Russische dirigent die in 1978 in Nederland politiek asiel kreeg. Markante man. Eén keer heb ik hem aan het werk gezien, in het Concertgebouw, waar hij naast Haitink vaste dirigent werd, maar hem was geen lange carriere beschoren, in 1981 overleed hij aan een hartaanval vlak nadat hij de 1e symfonie van Mahler gedirigeerd had. In mijn herinnering was destijds het nieuws dat hij staande achter de lessenaar op het toneel in elkaar was gezakt, maar dat blijkt een gedramatiseerde versie, volgens Wikipedia stierf hij ’s avonds thuis.

Mahler één. Uit de luidspreker klinken de laatste maten van het derde deel, de langzaam wegstervende paukenslag, en dan de stem van de presentator: ‘U hoorde een opname van het derde deel van de eerste symfonie van Gustav Mahler, gespeeld door het Noordduitse Radio Symfonie Orkest onder leiding van Kirill Kondrashin. Een opname van 7 maart 1981. We draaien dit ter nagedachtenis aan deze grote dirigent, die kort na deze opname kwam te overlijden, vandaag 33 jaar geleden.’

Ik schrok. Hoe kwam hij, uitgerekend op deze dag, op dit moment, in mijn hoofd? Een raadsel.

En zo kwam ik via Kondrashin in een maalstroom van herinneringen terecht. Dat Concertgebouw, die heerlijke zaal, hoe vaak ik daar geweest ben? Alleen al de nachtconcerten die daar in de jaren zeventig gehouden werden. Nu is dat ondenkbaar, maar in die tijd was het heel normaal. Leonard Cohen, Randy Newman, Eagles, Moody Blues, America, Andy Pratt, Supertramp, en natuurlijk de Britse symfonische rockband Yes, yes-white-ya-bdie daar in op 21 januari 1972 hun fameuze White Album opnam.

Nog sterkere en oneindig belangrijkere herinneringen heb ik aan de klassieke concerten die ik daar als kind hoorde. Mijn vader nam ons kinderen bij toerbeurt mee, jarenlang had hij vaste plaatsen op het podium noord, vanuit de zaal gezien rechts, waar de dirigent de trap afkwam. Daar zat je dan, zeven of acht jaar oud, en je zag Eduard van Beinum, en later diens opvolger Bernard Haitink. En heel belangrijk: vanaf die plek kon je de dirigent goed aan het werk zien. Als kind vond ik Haitink een merkwaardige verschijning, met die halfopen mond, een soort centenbak die een beetje open en dicht leek te klappen op de maat van zijn beweging. Maar het allerduidelijkst in mijn herinnering is een magisch moment toen ik, kijkend naar Haitink op de bok, opeens het idee had dat de muziek uit hém kwam. Die vloeiende bewegingen, de driftige slag, dat sidderen van de linkerhand om een toon of frasering te benadrukken… daar stond een magiër die met elke armslag de wonderbaarlijkste muziek uit zijn lichaam liet stromen. Hij was de muziek. Een even krankzinnige als fantastische fantasie, die ik nooit helemaal ben kwijtgeraakt.

(Terzijde: laatst las ik over een aandoening die muzikale anhedonie heet. Dat woord moest ik opzoeken, nooit van gehoord. Het niet kunnen ervaren van vreugde, is de definitie. En kennelijk is er een subgroep die dat alleen met muziek heeft. Mensen die nooit een concert bezoeken, nooit een plaat opzetten, kortom: nooit naar muziek luisteren. Het laat ze koud. Geen kwestie van smaak, maar een gevoelsafwijking. Oei… )

Een lichaam waar muziek uit komt. Een kinderlijke fantasie, maar het roept de vraag op hoe belangrijk de dirigent is. Jaja, rustig maar, ik wéét hoe belangrijk hij is, maar als dat zo is, waarom zie je ze soms zo nadrukkelijk doen alsof ze een bijrol hebben? Daniel Barenboim heeft daar een handje van. Ik zag hem begin dit jaar, het Nieuwjaarsconcert met de Wiener Philharmoniker. Veel, heel veel Strauss. ‘G’schichten aus dem Wiener Wald’ en ‘An der schönen blauen Donau‘ van junior, de Radetzkymarsch van senior. Iedereen kan het dromen. Is dat de reden dat Barenboim zo raar dirigeert? Hij doet zo goed als niets. Af en toe een arm omhoog, een slag hier, een slag daar, vingers spelen een denkbeeldig melodietje in de lucht, verder staat hij zo goed als stil. Het orkest gaat op de automatische piloot, hebben het al duizend keer gespoeld, dirigent overbodig. Een lichaam zonder klank.

Helemaal zot maakt de grote Leonard Bernstein het. Wat heel raar is, want als er ooit een swingende dirigent was, dan hij wel. Denk aan West Side Story, die fenomenale muziek kwam uit zíjn hoofd, en wie ooit The Making of West Side Story zag, de documentaire over de totstandkoming van de plaatopname met Kiri te Kanawa en José Carreras uit 1985, die weet wat ik bedoel met een lichaam waar muziek uit komt. Maar onderstaand fragment, waar Bernstein een symfonie van Haydn dirigeert, dat is een wel heel malle vertoning. Dirigeert? Welnee. Handen slap langs het lichaam, af en toe een opgetrokken wenkbrauw, een glimlachend knikje, een rare frats, daar mag het orkest het mee doen. Kortom, wat hij eigenlijk laat zien: een beetje orkest kan zonder dirigent. En dat, beste Lenny, kan toch je bedoeling niet geweest zijn?

2 thoughts on “155. Denkend aan Kondrashin

  1. Hans, neem je zelf nog wel eens de viool onder kin?, want ik herinner me dat die in onze jeugdjaren bespeelde.

    • Nee Carel, dat bleef tot de jeugdjaren beperkt. Zo tot m’n tiende of elfde meen ik, toen was het afgelopen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s