152. Negentwintig Vijf

Vreemd eigenlijk: ik ken Hanoi beter dan Parijs, en kan je de weg wijzen in Kathmandu of Delhi, maar niet in New York. Toeval? Misschien, ja. Of keuze. Wie zal het zeggen. Dat rare idee dat wat ver weg is beter zou zijn dan dichtbij. Niet dat New York dichtbij is, maar het zou voor de meeste mensen toch meer voor de hand liggen een rondje Central Park te lopen dan een avondwandeling rond Hoan Kiem.

Goedbeschouwd gebeurt hetzelfde hier in Friesland. We wonen er nu al bijna twintig jaar, maar zijn nog nooit in Thialf geweest, de schaatstempel van Heerenveen een steenworp verderop. Wel eens naartoe gegaan en de schaatsen ondergebonden om het ijs te proeven, maar nooit op de tribune gezeten tijdens een wedstrijd met grote kampioenen. Terwijl we toch verzot zijn op schaatsen, en thuis voor de buis zitten als het twintig kilometer verderop live gebeurt.

Daar moest maar eens verandering in komen, meende Mirjam. En kocht om te beginnen kaartjes voor de tweede dag van het Olympisch Kwalificatie Toernooi. Gisteren dus, de 28e december. Twee rondes vrouwen 500 en de grote klapper: mannen 10 kilometer.

En daar aangekomen, bij dat stadion, gebeurt hetzelfde dat we kennen van die paar keer dat we een voetbalwedstrijd in het Abe Lenstra stadion bijwoonden, in datzelfde gemoedelijke Heerenveen. Van alle kanten komen drommen mensen die, gezellig keuvelend, naar het stadion gaan. Geen gedrang, geen onrust, maar iedereen doordrongen van hetzelfde gevoel en dezelfde behoefte: lekker een paar uur mooie sport zien, in verbroedering en gezelligheid. Dat kunnen de Friezen als geen ander. En wat een opwindend gevoel, dat stadion binnen te komen. We zoeken onze plaatsen op, de mensen naast ons maken ruimte, hallo, kom zitten. De omroeper van dienst maakt er een vrolijke boel van, er zijn dansmariekes en een diskjockey die snoeihard plaatjes draait, en op de binnenbaan draaien rijden de eerste vrouwen zich warm voor de 500 meter.

_IND8384

De start is aan de andere kant, we kunnen het nauwelijks zien. Wel zien we de arm van de starter omhoog gaan. Als het eerste startschot gelost wordt kijken we raar op van de knal. We horen een dubbele. Valse start? Schiet ze af? Nee, het echoot, eerst horen we het echte schot, zien de vlam uit het pistool, dan de echo, donkerder, harder. De schaatssters intussen zijn allang langs ons gevlogen, allemachtig wat gaat dat hard, in iets meer dan een halve minuut is het gedaan. Margot Boer zal uiteindelijk winnen en haar ticket naar Sotsji verdienen met twee rondes die elkaar nauwelijks ontlopen: 36’64 en 37,68. Het publiek juicht haar toe, iedereen in de benen, het klappen golft door de hal, wat een kick, die eensgezindheid.

Na de dweilpauze (de diskjockey is vervangen door een zangeres, op een podium in het midden van de hal staat ze, piepklein op afstand maar meer dan levensgroot op de beeldschermen) het spektakel van de tienduizend meter. Amerikanen vinden het niks, deze afstand, stomvervelend rondjes draaien, ze vallen er bij in slaap. Wij niet, zien wat er gebeurt, de inspanning, de tactiek, het versnellen als het nodig is, als het kan, maar soms zijn de mannen te kapot, tien kilometer op topsnelheid, kom er maar eens om.

De eerste rondes, met alle respect, zij te verwaarlozen. Kanjers zijn het, om met Erika Terpstra te spreken, maar als je bóven de dertien minuten rijdt weet je dat je geen kans maakt, hier zijn rondes nodig van laag in de dertig en als het kan een negenentwintiger. Zestien schaatsers, acht ritten in totaal, waarvan de laatste twee de belangrijkste zijn: Sven Kramer tegen Jorrit Bergsma, en in de laatste rit Bob de Jong tegen Jan Blokhuijsen. Vier kandidaten voor de Olympische Winterspelen, en de beslissing wie mee mag gaat vandaag vallen. Hier. Nu. De spanning zoemt door de ijshal.

Sven Kramer. Alleen al zijn binnenkomst. Rumoer gonst door het publiek als ze zijn atletische geweldenaarslijf ontwaren op de blauwe inrijbaan. Daar gaat hij, de beste Nederlandse schaatser ooit. Af en toe een hand omhoog in groet, dan weer concentratie. Het publiek is buiten zinnen, iedereen ziet hem als de gedoodverfde winnaar, maar als de race begint wordt het plots stil… Kramer ligt al gauw ruim achter op Bergsma. Wat is er aan de hand? Is hij niet in orde? Of is het een tactisch spelletje? Het duurt acht, negen zenuwslopende minuten, dan zet Kramer de inhaalrace in. En daar komen ze, de negenentwintigers. Als er een rondje negentwintig vijf geklokt wordt weten we hoe het zal aflopen. Kramer rijdt met 12’45,09 niet alleen de winnende tijd, maar vestigt ook een nieuw baanrecord. Sensatie! Applaus!

Ook Bob de Jong, die al vier keer op de Spelen was, rijdt een gouden race. Geen enkele negenentwintiger, maar met 12’50,20 sleept hij toch zijn startbewijs voor Sotsji in de wacht. Ik heb van hem geen foto gemaakt, was al het grootste deel van de race van Kramer met m’n camera in de weer, en wilde die laatste spannende race naast Mirjam zitten.

Wel foto’s van Kramer dus, in zijn race tegen Bergsma. Sportfotografie vereist speciale apparatuur, enorme, peperdure objectieven, die hebben we voor ons werk niet nodig. Bovendien zaten we bovenin, hoogste rij, relatief ver van de baan. Ondanks die handicap toch een paar aardige shots kunnen maken. Goeie sfeer, in dat stadion. Schaatsvolk is goed volk. Doen we nog een keer, volgend jaar!

(Klik op de foto voor grotere weergave.)

_IND8423-2

_IND8418-2

2 thoughts on “152. Negentwintig Vijf

  1. Er zijn tien rijen, daarachter de gaanderij waarvandaan ik de opnames maakte. En een 28/300 mm teleobjectief, daar kom je ver mee.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s