120. Op Eenzame Hoogte

Opeens herinneringen aan Nepal, waar we jaren geleden een lange trektocht maakten. Dagelijks stegen we vier, vijfhonderd meter. Vanaf 2500 meter begon je het te voelen en naarmate je hoger kwam kon het knap lastig worden: minder zuurstof, je benen wilden niet meer zo goed, soms stokte je adem, je hart schrok zich kapot van het harde werken en liet een bonkend protest horen. Op de hoogste pas, ruim 5400 meter, moesten we het met de helft van de normale zuurstof doen. Gevolg: om de paar meter stoppen om hijgend op adem te komen. Ik was vergeten hoe intens dat gebrek aan zuurstof voelt, tot hier in noordwest Argentinië iets vergelijkbaars gebeurt, met dit verschil dat we met de auto zijn en in één ruk van 2300 meter doorstoten naar een bergpas van 4200. Uitstappen en op slag ademnood en hoofdpijn. Het trekt wel weer weg, maar het blijft griezelig.

Als we een half uur later een paar honderd meter gedaald zijn komen we bij een overweldigend natuurverschijnsel: Salinas Grandes, een groot zoutmeer dat zich verblindend wit onder een strak blauwe hemel uitstrekt. Dwars door de witte vlakte snijdt het asfalt van de RN 52 kaarsrecht westwaarts naar de Andes en naar Chili. De thermometer van de auto geeft min zes aan, maar het is niet koud, geen zuchtje wind.
We hebben een afspraak met een jongeman die naar de ongebruikelijke naam Ariel luistert, als de geest uit Shakespeares The Tempest. Hij woont een paar kilometer verderop en is de vierde generatie uit een geslacht van zoutwinners. Hij dirigeert onze chauffeur over het zoutmeer. Over het oppervlak zijn met grote machines smalle banen geschraapt en aan het eind van elke baan liggen stapels zout. Een vrachtwagen rijdt het opgeveegde zout naar een verzamelplaats. Ariel schudt zijn hoofd misprijzend, vertelt dat dit de nieuwe norm is, oppervlakkig schraapsel van inferieure kwaliteit. Maar het gaat snel, kost minder arbeidskracht en dus grotere winst.

Mirjam op de zoutvlakte. De banen zijn duidelijk zichtbaar.

Maar hoe moet je zout dan winnen? vragen wij. Het schrapen lijkt ons een voor de hand liggende methode. Weten we veel. Natuurlijk kennen we Die Salzmänner von Tibet, de prachtige documentaire van Ulrike Koch, maar nog nooit zagen we een zoutmeer in het echt, laat staan dat we begrijpen wat er gebeurt, hoe het natuurfenomeen werkt. Zout kopen we in de winkel en bij Harlingen wordt het uit de grond gehaald. Maar hier? Zijn de voorraden oneindig of raakt het op als je veel schraapt? Ga je, net als bij de Oostduitse bruinkoolmijnen, steeds meer de diepte in tot het op is? Ariel legt uit: de zoutlaag is tien meter dik en daaronder zit water. De vorming van zoutkristallen is een constant proces, als het oppervlak geschraapt is ontstaat na verloop van tijd door opwaartse druk nieuw zout, dat zich in eigenaardige hoekige vormen manifesteert met grillig opstaande randen.

Waarom het zout op deze manier kristalliseert weet Ariel niet. Wel kan hij uitleggen hoe het beste zout gewonnen wordt, namelijk zoals hij het doet en zoals zijn ouders en voorouders het deden. En hij brengt ons naar de plek die al honderd jaar in het bezit van zijn familie is en waar in lange rijen in het zoutmeer uitgehakte bassins zout wordt gewonnen. Een even indrukwekkende als eenvoudige methode. De uitgehakte ruimte wordt aanvankelijk opgevuld door opstijgend grondwater, waarin zich allengs zoutkristallen vormen. Na een jaar wordt het bassis leeggeschept, het zout wordt op de kant te drogen gelegd, waarna het naar het dorp wordt gebracht voor verdere verwerking. Arbeidsintensief? Ariel knikt bevestigend. Ja, en heel zwaar. Maar je krijgt er wel de beste kwaliteit zout mee. En die grijzige rijen, wat is dat? Hij lacht. Dat is het oppervlaktezout dat daar werd gedumpt toen ze de bassins groeven. Het ligt er al sinds mensenheugenis, niemand heeft er last van, dus laat maar liggen.

Een paar kilometer verderop ligt zijn dorp, Cerro Negro (Zwarte Berg), vernoemd naar een verderop gelegen vulkaan. Ariel leidt ons rond. Hier, in het dorp van zijn voorouders, werd hij geboren. Vroeger waren de onderkomens simpel, maar kijk nu eens, zegt hij trots. Beduusd kijken we om ons heen. Ruw gemetselde barakken blijken woningen, er is een schooltje, een collectief zoutfabriekje en een kerkje in aanbouw. Rondom een gortdroge, stoffige en vooral biterkoude wereld. Vijftien families wonen hier, en allemaal leven ze direct of indirect van de zoutwinning. Wat als de schraapmachines de overhand krijgen en de groothandelaren, die nu nog hun handgedolven zout kopen, overgaan op het goedkopere spul? Ariel haalt machteloos zijn schouders op. Dan zijn we verloren.

Na de lunch (een bijzonder initiatief van een ondernemende dorpsbewoonster, zie Eetzicht # 91) moeten we eigenlijk verder, we hebben nog een lange weg te gaan, maar Ariel wil er niets van horen, eerst moeten we de trots van het dorp zien: het zoutfabriekje. Een collectief, waar iedereen bij toerbeurt aan de slag gaat. Wat we te zien krijgen is een ontroerend eenvoudige maar efficiente werkplaats waar het zout verwerkt wordt. Ga daar maar staan, zegt Ariel, wijzend op grote stapels verpakt zout. Vervolgens krijgen we het hele proces te zien. Het grove zout wordt vermengd met jodiumhoudend poeder, daarna gaat het door de maalmachine, waarna nijvere handen in pond- en kilozakjes vullen, sealen, per tien in een grotere zak en dan op de stapel voor de groothandel. Wat kost een pond? vragen we. Anderhalve peso. Vijfentwintig eurocent. Nee, geen vetpot. Het oude verhaal, de hardste werkers verdienen het minst. Om ziek van te worden. Heb je het goed? vraagt de stapelaar als ik fotografeer hoe hij stapelt.

Terug naar de auto, uitgezwaaid door Ariel en de zoutwerkers, wenkt een oude vrouw in de open deur van een barak. In haar hand een spinklos en een kluwen ruwe lamawol. We volgen haar naar binnen. Koud is het, verschrikkelijk. Buiten schroeit de winterzon, maar binnen is het krap boven nul. De rotzooi is overweldigend. Aan de muur twee verkiezingsposters met mannen die hun hagelwitte tanden blootlachen als in een ouderwetse reclame voor tandpasta. Maar hier valt niets te lachen. Een slaapkot met verfrommelde dekens, een fiets met lekke banden, op een tafel liggen grote hompen rauw vlees te drogen. De vrouw toont wat handgebreide spullen. Sokken, een muts, wanten. Alles van de zachtste lamawol. Of we wat willen kopen? En Mirjam koopt. Het oudje steekt de bankbiljetten in haar schort, pakt haar spinklos en een plastic zak met ruwe wol en wandelt weg, de stoffige straat door, uit zicht. Als we even later in de auto het dorp verlaten zien we haar langs de weg staan, in haar handen draait de spinklos, ze kijkt naar de draad wol. De voorbijrijdende auto ziet ze niet.

6 thoughts on “120. Op Eenzame Hoogte

  1. wat een bijzonder verhaal weer. Wat een rijke ervaringen! Maar hoe groot is zo’n dorp, wat vind je daar? Geen benzinepomp neem ik aan? En spreken jullie hun taal? Spaans?
    Ik heb op Java het proces van deze zoutwinning gezien. De zoutpannen daar zijn een desolaat gebied waar om één of andere reden ook veel criminelen (piraten zeiden ze daar) huizen…. De taxi chauffeur wilde ons daar alleen brengen voor een extravagant bedrag…..
    Goede reis weer!

    • Benzinepomp? Nee. Voorzover ik heb kunnen zien verplaatst men zich op tweewielers, al dan niet gemotoriseerd. Ariels grootvader deed alles op de fiets, tot en met het zouttransport van Salinas Grandes naar het dorp, kilometer of vijftien verder. Tegenwoordig gaat dat wel met een vrachtwagen, maar die is niet het eigendom van het collectief. Ariel zelf kwam op een brommer aanzetten.
      Hoe het dorp eruit ziet? Zie de barak op de achtergrond van de laatste foto en vermenigvuldig dat met vijf of zes, dan heb je ’t wel. Armoe troef. Aan vlees zal het ze overigens niet ontbreken, het krioelt er van de zjama’s.
      En we kunnen ons verstaanbaar maken dankzij de hulp van onze tolk, Aleksandra, de vrouw die Mirjam naar Argentinië haalde. Intussen bluf ik wel een paar zinnen Spaans, maar het zijn vooral gebarentaalpraatjes.

  2. Pingback: Salinas Grandes « de HERBERG

  3. Prachtig verhaal en mooie foto’s weer. Dat zuurstofgebrek ook enkele malen aan den lijve ondervonden in oa Tibet, Peru en Bolivia, vreemde gewaarwording. Die hoogvlakten zijn prachtige gebieden met mooie mensen met een hard bestaan. Hopen dat ze dat nog lang kunnen doen op die manier en er een goed bestaan kunnen hebben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s