112. Het Vermoeden van Kwalder

Ik betwijfel of er een causaal verband is, maar toch: nauwelijks was ik aan de roman Een barre winter van Raymond Queneau begonnen, of de vorst zette in. En het ijs was nog geen twee centimeter dik, of in het hele land brak de Elfstedenkoorts uit. Een paar spannende dagen waren het. Gaat het door of niet? Nu dat zo goed als zeker niet zo is kan je uittekenen dat het Koor der Zuurpruimen zich zal roeren, onder aanvoering van oppermisantroop Gerrit Komrij. Badinerende stukjes, dat schaatsen banaal volksvermaak is en dat er echt wel belangrijker zaken zijn dan zo’n Elfstedentocht. En dat is natuurlijk ook zo. Maar wat kunnen wij aan de opstand in Syrië veranderen? Of het nakende faillissement van Griekenland? Niets. En daarom mag er ongegeneerd genoten worden van dat fantastische winterweer, ook zonder Elfstedentocht.

Zelf schaatsen wij deze week meerdere tochten, elke dag een andere. Bescheiden afstanden, 35 kilometer maximaal per keer. Is ook heel wat, je bent immers geen achttien meer en als je ongetraind op het ijs stapt en meteen het gevecht moet aangaan met een gevoelswaarde van min vijftien… Dat gebeurde een paar dagen geleden, op het Giethoornsche Meer bij Blokzijl. Nauwelijks op de schaats en dan optornen tegen een woedende noord-ooster die in je gezicht snijdt. Na de eerste vijf kilometer aarzel je of je wel goed bezig bent, vooral als blijkt dat op sommige plekken de wind het water tijdens het bevriezen heeft opgestuwd, pisgeel bevroren drab krijg je dan, bobbelig en bros. Het heeft een naam, iets raars. Kwalder? Soms is er sneeuw overheen geblazen, zie je het pas als je bijna onderuit gaat, en als dat tot drie maal toe gebeurt wordt het doorbijten. Doch eenmaal in de luwte van rietvelden waar de wind getemd wordt door elzenbossen, is het leed gauw geleden en is er niets dan genot en extase. Zoveel schoonheid om je heen en dan dat verrukkelijke geluid van ijzers krassend op het ijs. En onverwacht dorst naar warme chocolademelk? Het ijs is een vrijplaats, daar gelden geen wetten van horeca en gemeentelijke bemoeienis, dus zetten ondernemende dorpelingen een tent op de wallekant en zitbanken op het ijs, waar je, met een deken over je benen om warm te blijven, op adem kunt komen.

Dat is trouwens een van de aardigste aspecten van die collectieve schaatsliefde in ons land. Niet zozeer die handelsgeest (ofschoon het nattuurlijk reuze slim is, bekertjes warme chocomel voor anderhalve euro uit een pak dat inkoop één euro is en minimaal vijf bekers schenkt, tel uit je winst), maar wat opvalt is dat de mensen zo aardig tegen elkaar zijn. Nergens een onvertogen woord, iedereen is bezig met iets waar ze intens gelukkig van worden en dus is het gevoel van kameraderie tussen volstrekte vreemdelingen optimaal. En nooit, neem ik tenminste aan, zal iemand na het drinken van zo’n beker chocolade het in zijn hoofd halen zo’n deken mee te pikken. Dat dóe je gewoon niet, net zomin als iemand bij een opstapplaats andermans spullen mee zal nemen. Een wonder van saamhorigheid en welbehagen komt over de mensen en de oevers in de dorpen waar men de schaatsen onderbindt, zoals hier in Blokzijl, zijn bezaaid met eigendommen waar niemand zijn vingers naar zal uitsteken. Je trekt je schaatsen aan en gaat het ijs op, en als je uren later terugkomt ligt je tas nog op exact dezelfde plaats als waar je hem achterliet, op de met tassen en jassen bestrooide oever. Een mirakel. Hoe zouden buitenlandse bezoekers naar deze taferelen kijken? Zouden ze begrijpen wat ze zien?

Wat ook opvalt is hoe serieus jonge kinderen met het schaatsen bezig kunnen zijn. Dappere jongens en meisjes, in het kielzog van hun ouders, handen op de rug en krabbelen maar. Niet zelden schaatsen ze beter dan menig volwassene, mooie lange slag, prachtige houding. Goed materiaal hebben ze, stalen noren op kindermaat, het ziet er schitterend uit, nergens meer houten doorlopertjes te zien. Ik weet niet hoelang die noren al bestaan, maar niet in mijn jeugd, zoveel is zeker. Wij hadden ze in elk geval niet. Bij Wikipedia lees ik dat in 1954 in Thialf de eerste langebaanwedstrijd werd verreden waar stalen noren werden gebruikt. Tegenstanders op Friese doorlopers hadden het nakijken. Maar die dure noren waren beslist geen algemeen bezit, en zeker niet voor kinderen. In 1955, ik was zeven, ploeterde ik met mijn oudere broer nog op houten doorlopertjes. Eindeloos gefrunnik met bevroren veters en ijsafzetting tussen schaats en schoen. Volgens mij stonden we dag en nacht op het ijs, wisten van geen ophouden. Misschien dat mijn herinnering mooier is dan de werkelijkheid, maar in mijn archief vond ik een foto die mijn herinnering aan het schaatsen bevestigt. Vallen en opstaan, zo leerden we het. Mooi wel, die aandoenlijke winterkleding uit de naoorlogse jaren. Echte schaatskleding hadden we niet, voorzover het in die dagen bestond. Nu, zoveel jaar later, heb ik dat nog steeds niet. Hoeft ook niet, voor die paar keer per jaar dat je op het ijs staat. Warme handen en oren en een lange onderbroek. Zolang dat voor elkaar is kan je weinig gebeuren.

foto © Mirjam Letsch

Tot slot nog twee foto’s, gemaakt met de iPhone. Geen superieure kwaliteit dus, maar de sfeer van de uitgestrekte ijsvlaktes die je hier in Friesland en Overijssel vindt is goed voelbaar, dunkt mij.

Ik weet, ik loop ernstig achter met mijn berichtgeving over Vietnam, maar het beloofde derde deel, over de zoektocht naar een patiëntje in het grensgebied met China, komt binnenkort.
En het causale verband tussen literatuur en temperatuur, waarover ik in het begin sprak? Over een week pak ik György Konráds Tuinfeest van de plank. Een titel met de de suggestie van voorjaar, de voorzichtige belofte van zomer. Maar voorlopig mag die winter nog even blijven, kwalder of niet.

7 reacties op “112. Het Vermoeden van Kwalder

  1. Mooi stuk ,Hans !! Ook bij mij komen de herinneringen boven als ik dit lees.
    Overigens hier in de Corbieres beleven we de langste ( nu al drie weken) en de koudste winter sinds 1956 waarin 2/3 van alle olijfbomen het loodje legde.
    Nu alleen al bij Gruissan aan het binnenmeer 76 flamingo’s dood gevroren. Triest. Bij de voor hier erge kou ( ‘s nachts tot min 12 overdag rond het vriespunt of daar even onder) staat er al twee weken een snijdende “tramontane” 100 tot 130 km per uur en dat maakt het er niet gezelliger op, behalve thuis voor de open haard die je nu wel moet hebben omdat de electriciteitsmaatschappij om uitval van het net te voorkomen de spanning heeft verlaagd waardoor het electrisch verwarmen van de huizen net niet door de beugel kan en het koken veel tijd in beslag neemt..

    Maar nog even en dan is het echt lente !

    Met een recht hartelijke groet, Jan.

  2. Inderdaad een mooi stuk Hans. Wat leuk dat je die foto van vroeger nog hebt. De Vondelkade! Belangrijke plek in onze jeugd.

    Hier in Noord-Frankrijk is het ook bitter koud, veel wind en dat maakt het niet prettig. De streek waar wij zitten heet niet voor niets “het Siberië” van Frankrijk. Schaatsen kennen ze hier niet en als ik af en toe voor de TV naar het schaatsen zit te kijken en er komt bezoek, staan ze met grote ogen kijken naar een marathon op natuurijs, of naar een wedstrijd ergens binnen. Als ik dan zeg dat er een paar Franse jongens zijn die deze sport ook beoefenen, zie je ze denken: Ja, Ja, maar ze geloven er geen barst van. Fransen doen zoiets niet!
    Groet en geniet ervan zolang het kan.
    Carel

    • Ja Carel, de Vondelkade, inderdaad. Ook jij moet daar talloze uren op de schaats hebben doorgebracht.
      Herken je die jongen rechts, met z’n handen op de rug? Was dat er eentje van groenteboer Koelemij? Daarachter iemand die ik niet herken, een lange jongen, hij lijkt op kunstschaatsen te staan. Geen ijshockeyschaatsen, die kenden we nog niet, we zagen die voor het eerst toen Lex Panhuyzen in onze buurt kwam wonen. Hij kwam uit Canada en had daar ijshockey gespeeld.

      Intussen is het uit met de pret. Dooi en kwakkel, ‘t is niks gedaan.

      Ga voor een fraaie laatste winterfoto naar mijn rubriek Uitzicht (zie balk bovenin). Klik op de foto voor grote weergave.

      Groet!

  3. Lieve Hans,

    Onze liefde voor taal en voor schaatsen, met name alles wat daarbij hoort; daar hadden we het over vanmiddag. In de schuur vond ik gelukkig de bijlage uit de Leeuwarder Courant van zaterdag jl waarin 27 namen van ijs-typen werden beschreven. Ik bewaar hem voor je maar voor nu alvast: Kwalsteriis/kwalsterijs….:
    “Slecht ijs met een oneffen toplaag. Ontstaat bij wisselende temperaturen boven en onder het vriespunt. Toegestroomd water en restjes sneeuw en hagel zijn de grondstoffen voor de bevroren smurrie. Kwalster is een veroorzaker van valpartijen. Schaatsers merken dat hun ijzers diep insnijden en verrassend snel afremmen.”

    Deze hele bijlage zal je met plezier lezen jongen!
    Tût!!! Wilma

    • Zat ik er toch niet zo ver naast, met ‘kwalder’. Wat ik overigens mooier vind klinken, maar ja, als het niet bestaat -

      Kwalster nageslagen: blijkt een afgeleide van het Bargoense kwalster, dat fluim of rochel betekent, en op zijn beurt een afgeleide is van kwal.

      Zo! Hebben we dat ook weer in kaart gebracht.

      • we dwalen wel af: is “kwatten” (rochelen of fluimen) hier ook een afleiding van???

  4. Interessant. Want zegt Van Dale? Spuwen, kwalsteren. (!)

    Elders vind ik de uitleg dat het mogelijk is afgeleid van het Texelse dialect, waar spugen ‘kwotte’ heet. Hoe ging dat in zijn werk? Een Texelaar die afdwaalde naar Amsterdam, waar het door een Jordanees straatschoffie werd overgenomen?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s