71. Niet De Broer Van Freek

‘Je komt uit Friesland? Daar ben ik wel eens geweest. Tijdens de hongerwinter, om aardappelen te halen. Op de fiets, maar dat was niet zo’n mooi ding als wat jij daar hebt.’ De oude man knikt naar mijn bepakte tweewieler die ik tegen de zijkant van het parkbankje geleund heb. We kijken uit over het Amsterdam-Rijnkanaal, waar fietsers en wandelaars zich over de slanke Nesciobrug spoeden. ‘Gebouwd dankzij de rooien in de gemeenteraad,’ moppert hij, wijzend naar de overkant waar ooit de grond vervuild was met het gif van Duphar. Hier wandelde Nescio met zijn vrienden, hij maakte met zijn Titaantjes de Diemerzeedijk onsterfelijk. Nu is het een park voor de bewoners van de gloednieuwe wijk IJburg. Mijn gesprekspartner kan zich er nog kwaad over maken, over die wijk. Opeens bedenkt hij zich. ‘Nee, niet de hongerwinter, maar ’t was eerder, het jaar daarvoor meen ik, 1943. Ik fietste naar Emmeloord. Dat heette toen nog Dorp A, wist je dat? Daar kwam ik een Fries tegen met polsen zo dik als hekpalen. Hij wilde met me vechten, maar ik was bokser, gaf hem gelijk een ram voor z’n kanis.’ Onderzoekend kijkt hij me aan, en vraagt dan: ‘Ben je soms de broer van Freek de Jonge? Ja, je lijkt op ‘m. Sorry hoor, maar daar vin ik niks an, die broer van je. Nee, geef mij maar Van Duin. En Hazes natuurlijk. Maar ja, die is dood, hè.’

Mooie dagen waren het, dus de fiets van stal gehaald, die bijna de hele regenmaand augustus mokkend in een hoek had gestaan. Vanuit Friesland naar de Veluwe, waar op de vroege zondagochtend ernstig kijkende mensen kerkwaarts fietsen. Vader en moeder voorop, de jeugd volgt in gepaste deemoed. In de dorpen zijn de luiken gesloten. Ook Harderwijk slaapt nog. De straten zijn uitgestorven, het enige geluid is dat van mijn fiets, bonkend over kinderkopjes. Bij het dolfinarium zet een caféhouder de stoelen buiten. Een jong echtpaar sust verdrietige kinderen, dreinend achterin een auto. Ze zijn te vroeg. ‘Nog een uurtje geduld,’ zegt de moeder tegen haar kroost, ‘dan gaat het open en kunnen we dolfijntjes kijken.’ Zelfs het Veluwemeer lijkt nog in diepe slaap, dromend van vroeger, toen het nog Zuiderzee was.

Benoorden Amsterdam, omgrensd door een woestenij van bouwgrond en braakvelden waar hijskranen en bulldozers op de nieuwe week wachten, het lieflijke Durgerdam. In mijn Amsterdamse zeventiger jaren fietste ik er vanuit de benauwde Indische Buurt waar ik woonde menigmaal heen om ruimte te voelen en uit te waaien. ’t Is een aardig visschersdorp, de huisjes en de haven, de werven, de taanderijen en de pakhuizen zijn even schilderachtig als in Volendam, maar de bevolking legt zich niet toe op het dragen van een opzichtig costuum,’ schreef Jac. P. Thijsse in 1914. Nu kijk je vanuit datzelfde Durgerdam uit op het gewraakte IJburg, de smalle dijk staat mudjevol geparkeerde auto’s en een houten huisje ter grootte van een uit de kluiten gewassen tuinschuur kost zeven ton.

Iets verder ligt Uitdam, maar café Het Scheepskameel, waar ik nog wel eens aanlegde, is verdwenen. Wat zou er met het houten uithangbord gebeurd zijn? Water doet de palen rotten. Die het drinken, dat zijn zotten, stond er in sierlijke krulletters. Raar woord, scheepskameel. Het herinnerde aan vroeger tijden, toen de Oostindiëvaarders zwaar beladen terugkeerden en te diep lagen om over de rede van Pampus te kunnen. Bij Uitdam hadden ze daar iets op gevonden: een systeem van drijvers dat als een mal rond het koopvaardijschip werd bevestigd, waardoor de diepgang tijdelijk werd verminderd. Of ze daar aan de toog van het Scheepskameel weet van hadden? Vreemd genoeg kon ik het café niet eens meer vinden. Uitdam is veranderd in een yuppendorp. Wat de houten huizen onderaan de dijk ondanks hun gewijzigde bestemming als vanouds doen is het bieden van beschutting. Nauwelijks het dorp uit en terug op de dijk of de wind grijpt mijn kladden en beukt me bijkans ondersteboven. Aan het beeld hieronder is niet te zien hoe het hier toegaat. Oost zeven, schat ik.

Van de opzichtige costuums is in Volendam weinig gebleven. Hier en daar misschien voor de toeristen, en bij de lokale fotograaf kan je in klederdracht op de foto. De etalage hangt vol beroemdheden in wambuis en op klompen. Ik zie opvallend veel Indonesiërs, de pianist Wibi Soerjadi en oud-president Wahid. En kijk, mijn broer Freek! Volendam, het enige katholieke vissersdorp aan de Zuiderzee, is de thuishaven van Jantje Smit en de voetbalbroertjes Mühren. Maar wat het vooral is, is lawaai. Kermis! Langs het Zuideinde, de smalle klinkerweg langs de haven waar vroeger de vissersvrouwen halsreikend de thuiskomst van de vloot afwachtten, staan zuiptenten schouder aan schouder en schalt uit elke luidspreker een ander levenslied. Blèrt de een Ik heb het wel geweten, ik ken je nooit vergeten, antwoordt de buurman met een even larmoyant Eens komt er voor jou een dag, dat het geluk ook weer naar jou toe lacht. In de haven liggen riante jachten met op het achterdek zonnebankbruine mannen en vrouwen in hagelwitte zomerkleding waartegen het opzichtige halsgoud mooi afsteekt. Op de kade gaat het bier in plastic bekers van hand tot hand, dronken mannen urineren tegen een in de kade ingemetselde lichtblauwe plaquette ter nagedachtenis van de nieuwjaarsbrand negen jaar geleden. Twee politieagenten begeleiden een jongen die zo dronken is dat hij nauwelijks op eigen benen kan staan. Zijn vriendin loopt gegeneerd achter hen aan. Ternauwernood kan ze een volle touringcar Japanners ontwijken, die vanachter het getinte glas hun camera’s laten flitsen. ’t Is kermis in Volendam.

Maar daarna wordt het mooi. Echt mooi. Lieve help, wat is ons land toch prachtig. Bij het krieken van de ochtend langs de Zeevang benoorden Edam. De oostenwind staat voluit en stram, maar in de luwte van de dijk is het goed fietsen. Links het zwart geteerde houten huis van de grote fotograaf Ed van der Elsken, alweer twintig jaar dood. Herinnert iemand zich hem nog? Op de dijk beesten met rare hoorns, schapen, nog nooit gezien. De opkomende zon scheert over de dijk in brutaal blauw. Langs het gehucht Etersheim, waar Johan Kievit schoolhoofd was en Dik Trom schreef. Overal de prachtige stolpboerderijen met hun piramidevormige daken waar de wind geen vat op heeft. Het Hoornse Hop, waar in 1573 de Watergeuzen slag leveren met de Spanjool. De geuzen liggen door de aanhoudende zuidenwind klem tegen de Hoornse oever, maar plots draait de wind pal noord en drijft de Spaanse macht naar lager wal. Op de dijk staat het volk van Hoorn en juicht als de kleine Geuzenscheepjes tegen de Spaanse vloot gedreven worden. De machtige galjoens worden geënterd en de zaak is beklonken. Ik denk aan Alan Bennett, schrijver van The History Boys: The smallest of incidents, the junction of a dizzying range of alternatives, anyone of which could have had a different outcome. De slag gewonnen omdat de wind draaide. Geschiedenis is toeval.

Via de buitendijk is de afstand Hoorn naar Enkhuizen een luttele 25 kilometer, maar niet alleen de wind werkt tegen, ook wordt de dijk gerepareerd. Graafmachines bijten diepe gaten in het kwetsbare bouwwerk, tot in de winter gaat het duren, verkeer moet onderlangs door de dorpen. Voor het eerst zie ik Wijdenes, Hem en Venhuizen en ach, wat is het mooi. Fruitboomgaarden, prachtig verzorgde boerderijen, statige herenhuizen omringd door oude beuken. En dan, pièce de résistance, het wonderschone Enkhuizen. Ooit had het de grootste haringvloot van Nederland, de VOC en de West-Indische Compagnie hadden er vertegenwoordigingen, de handel op de Oostzeelanden, Afrika en Indië bracht de stad grote rijkdom. Later trad verval in. Oorlogen met Engeland, het verzanden van de havenmond, en Amsterdam dat de handel overnam. De stad liep leeg, huizen werden gesloopt, het grootste deel van de stad veranderde in boomgaarden en moestuinen. Naar verluidt was puin een tijdlang het belangrijkste handelsproduct. Maar dat was toen. Nu is het een welvarende toeristenstad met prachtige architectuur, lieflijke grachten en een haven waar de mooiste vaartuigen schouder aan schouder liggen, en de wind orgelt door de strengen.

Nee, niet nog twee dagen vechten tegen de wind, niet de Wieringermeer en Afsluitdijk, maar de veerboot naar Stavoren en naar huis. Er komen nog meer fietsers aan boord. Onze fietsen worden vastgesjord aan de railing, en maar goed ook, nauwelijks de haven uit of het rollen begint. Mooie gelegenheid voor een stel jongemannen om het vrouwvolk te imponeren. Met flesjes bier in de hand proberen ze zich met losse handen op het achterdek staande te houden. Tot twee maal toe slaat een van hen bijna overboord, zo hoog zijn de golven en hard de deining. De vrouwen lachen, ze houden wel van stoer.

Omkijken naar Enkhuizen. Het woud van masten en de Drommedaris zijn nog zichtbaar. En weten: dit is een van de mooiste steden die we hebben. En dan weer de blik vooruit, naar de boeg die klieft en spattend schuim. Een paar meeuwen vechten tegen de wind om bij te blijven, gokkend op een korst brood. En ergens gedurende de overtocht is er heel even geen land te bekennen, is er alleen water en lucht. Een klein wonder soms, dit, ons Nederland.

One thought on “71. Niet De Broer Van Freek

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s