57. Een Gebogen Bedelaar

Ook al schommelt de temperatuur loom rond de veertig graden, bij de kathedraal van Sevilla is het behoorlijk druk. Het is zondag en dan mag je gratis naar binnen, terwijl de entree normaal acht euro bedraagt. Wat trouwens ook weer een katholiek handigheidje is, want eenmaal binnen blijkt een groot deel van het gebedshuis met plankieren afgetimmerd en achter die barrière wordt verbouwd. Dus ook al kan je een deel van het gebouw niet zien en krijg je op weekdagen minder waar voor je geld, de toegangsprijs blijft hetzelfde. Wàt er vertimmerd wordt is onduidelijk, want de verklarende tekstbordjes zijn zoals gebruikelijk uitsluitend in het Spaans. Het zou interessant zijn als iemand eens onderzoek deed waarom dat zo is, de weigering van de gemiddelde Spanjaard om ook in andere talen te communiceren. Volgens Giles Tremlett, auteur van ‘Ghosts of Spain’, over zijn onderzoek naar de verzwegen gevolgen van de burgeroorlog en 40 jaar Franco dictatuur, heeft het iets te maken met een oprecht gevoel van superioriteit: “They believe theirs is the most fascinating corner of the world.”
     De drukte intussen bij de ingang van de kathedraal heeft vooral te maken met vrouwen die als sprinkhanen over je heenvallen en je een dun takje buxus in de hand drukken, onderwijl roepend dat het een dia santo is, een heilige dag. Als je het aanneemt zien ze hun kans schoon, grijpen je hand, draaien je palm naar boven en gaan met hun wijsvinger over de muis van je hand, triomfantelijk roepend dat je una larga vida te wachten staat, een lang leven. En meteen laten ze je hand los en steken je hun eigen hand toe. Dinero! En zie ze dan maar eens af te schudden. De eerste en laatste keer dat ik mijn hand liet lezen was in 1980, mijn eerste reis naar India. Het mannetje keek naar mijn hand, vervolgens naar mijn weelderige baard en haardos en zei plechtig: You are not from India but you have come from very far, from across the sea. Sindsdien rangschik ik handlezen in de rubriek dingen waar je je vooral vrolijk om moet maken, maar toegegeven, zoals die vrouwen hun bedrog vormgeven, petje af. Ik zie menig geïntimideerd toerist in z’n zak friemelen op zoek naar kleingeld om de sprinkhaanvrouwen af te schudden.
     Waarom denken bedelaars toch altijd dat er bij een kerk meer te halen valt dan elders? Dat mensen met een zekere ootmoed uit het godshuis terugkeren en dan eerder bereid zijn iets te geven? Wat ik zie is dat het vooral irritatie oproept. Ga weg, mens! Maar Spanje heeft één bedeltraditie die ik nog nooit ergens anders heb gezien, en dat is de Gebogen Bedelaar. In Santiago zag ik ze voor het eerst, knielend op het plaveisel, een bekertje in de hand en doodstil naar de grond staren. Hoewel, die vrouwen riepen je, als je voorbij dreigde te lopen zonder iets te geven, nog wel iets na, over kind en geen werk en honger. Merkwaardig genoeg zagen ze er altijd blakend uit en hun stemmen sterk.
     Maar in Sevilla heb ik de ultieme Gebogen Bedelaar ontmoet. Overdag knielt hij bij de kathedraal, zwetend in de onbarmhartige zon, en ’s avonds naast de ingang van een restaurant in de Avenida de la Constitución. Hij kan het lang volhouden, heel lang. Soms verschuift hij z’n knieën een beetje als ze pijn doen, maar als z’n lichaam gerangschikt is zakt dat hoofd weer omlaag en kijkt hij naar het niets tussen zijn kartonnen doosje en het plaveisel. Hij kan niet anders, dit is wat hij is en elke keer als ik hem zie rinkel ik wat geld in zijn doosje. Dan kijkt hij op, met zwarte kraaloogjes, en zakt weer terug.

Knielende bedelaar Sevilla

Augustus is vakantiemaand in Andalusië. Het is heet, de halve stad gaat op slot. Ik heb een paar dagen pauze ingelast in Sevilla, niet alleen omdat het me soms wel erg zwaar viel, dat fietsen in dat krankzinnig lege open landschap bij temperaturen die naar de veertig kruipen, maar ook enig klein malheur aan de fiets, dus op zoek naar een taller de bicicletas. Ik vond vier adressen waarvan drie op vakantie. De vierde ontfermde zich over mijn rijwiel en voor de zekerheid liet ik meteen nieuwe banden monteren, de oude begonnen wel erg te slijten. Vijf kilometer terugfietsen naar de binnenstad waar ik een hotelletje heb gevonden en meteen weer zweetnat. De stad kreunt onder de hitte, en op de binnenplaatsjes van Barrio de Santa Cruz, de oudste wijk van Sevilla, doen de restauranthouders er alles aan het de weinige klanten die ze krijgen naar de zin te maken. Ze zetten grote ventilatoren neer die water vernevelen, en voorbijgangers maken graag gebruik van deze onverwachte koeltebron –

Sevilla ventilator

Laat onverlet dat de hitte slachtoffers maakt. Vaak hoor ik de ambulance gillen, en dan verbeeld ik me dat ze op weg zijn naar een oudje dat amechtig tegen ademnood kampt en vreest dat het laatste uur is aangebroken. En waarom ook niet? In augustus 2003 stierven vijftienduizend Franse bejaarden door de hitte, dus de ambulancedienst van Sevilla zal dagelijks echt wel hier en daar een bezweken oudje ophalen. Hoelang zal deze vrouw het nog maken? Ze scharrelt meestal rond bij de voet van de kathedraal, niet echt bedelend, het is niet duidelijk wat ze doet, maar dat het haar in deze hitte slecht gaat is duidelijk.

Vrouw kathedraal Sevilla

Intussen gaat het weer verder zuidwaarts. Ik kort mijn trajecten noodgedwongen in, geen ritten meer van honderd kilometer of meer, het landschap is te heuvelachtig, de temperatuur te hoog. Soms neem ik een adempauze in een dorpje en zit dan een kwartier in de schaduw wachtend tot mijn lichaam tot rust is gekomen. Veel drinken, minstens vier, vijf liter water en vruchtensap tijdens een rit. In Las Cabezas de San Juan, waarvan niemand schijnt te weten wat de naam precies betekent, buig ik mij met de eigenaar van cafetária La Tapita over de kaart om de kortste route naar Arcos de la Frontera uit te zoeken. Hij waarschuwt voor wegwerkzaamheden en omleidingen en later blijkt dat hij gelijk heeft, er wordt een nieuwe weg aangelegd, ik sleur de fiets door gruis en puin, m’n oude buitenbanden hadden het niet overleefd. Dan weer stilte en de leegte van gemaaide graanvelden. De wereld is goudbruin en gestoppeld, een El Dorado voor konijnen. Ze graven hun holen langs en onder de weg zoals bij ons de muskusratten de dijken, hier en daar zijn happen uit de rand van het wegdek geslagen. En vanwege de konijnen barst het van de roofvogels. Buizerds, niet alleen hoog in de lucht en hier en daar pontificaal in de stoppels met een buit, maar ook dood op straat. Nog nooit deze hele reis zag ik zoveel roadkill. Talloze konijnen, drie honden, meerdere buizerds en twee uilen.

De wereld een briefkaart

En het is als fietser niet alleen uitkijken geblazen voor rafelranden in het asfalt omdat de konijnen de boel ondergraven. Nee, soms is het een eigenaardige wegenbouwkundige misrekening. Maakte ik al eerder melding van Portugese en Spaanse fietspaden, getuige de jubelborden aangelegd met EU geld, die je beter kunt mijden omdat ze opeens doodlopen in een struik of een stoeprand van twintig centimter waardoor je onverhoeds omlaag knalt, opeens kreeg ik te maken met een soort dijklichaam dwars door het dorre land. Als je jaren achtereen nieuwe lagen asfalt aanbrengt zonder aan vluchtstrook of berm te denken, krijg je een landingsbaan die een meter boven het maaiveld uitsteekt. Niet leuk voor fietsers, want waarheen als je onverhoeds moet uitwijken? Een doodsmak maak je. Maar het ging goed, and I lived to tell.
     Op nu naar de laatste twee, driehonderd kilometer naar Gibraltar.

Berm

2 thoughts on “57. Een Gebogen Bedelaar

  1. nou dan is je haar ook wel weer aan een behandeling toe hoop ik ik geniet van jou verhalen nog veel moois hans de hartelijke groeten van je kapper

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s