51. Een Stukje Religieuze Beleving

Geert heet hij. En nadat hij zich heeft voorgesteld knikt hij langdurig met zijn magere hoofd, alsof hij deze waarheid ook aan zichzelf wil bevestigen. En of ik weet waar Gemert ligt? Want daar komt hij vandaan. Geert uit Gemert.
     Ik ontmoet hem in Reliegos, een gehucht van tweehonderd zielen in de uitgestrekte leegte van de Tierra de Campos. ’s Winters vriest het er dat het kraakt, maar vandaag blakeren de witgekalkte huizen in de zinderende  middaghitte. Het dorpje ligt aan de Camino de Santiago en de eigenaar van de Torre Bar doet goede zaken. Zijn etablissement ligt gunstig, je kunt het niet missen, maar voor de zekerheid heeft hij de boodschap ook luid en duidelijk op de muur gezet en van lieverlee is zijn pand uitgegroeid tot een gigantisch kladblok. Passanten laten boodschappen achter, opwekkende of tot nadenken stemmende citaten, gedichten, oproepen. Ik lees Hesse en Kerouac, fragmenten uit Prediker, Günther liebt Heidi en hier en daar een scabreuze tekst. Sinds de Berlijnse Muur zag ik niet meer zoveel woord op steen.
     Maar waarom Torre Bar? Er is toch geen toren in Reliegos? Precies daarom! straalt de eigenaar. En hij vertelt over de twee ingrijpendste gebeurtenissen die de bewoners van Reliegos in de laatste zestig jaar hebben getroffen. En dan moet je dat woord letterlijk nemen, want op  28 december 1947, de dag van Los Santos Inocentes, de Spaanse versie van onze eerste april, viel een meteoriet pardoes op straat pal voor het huis van Ramira Santa Maria. De oude vrouw dacht eerst dat een vliegtuig laag overvloog of een grap van de buren, maar toen ze naar buiten ging om poolshoogte te nemen lag er een zwarte steen op de stoep. Een kanjer, hij woog 8,9 kilo señor! En het is de laatst geregistreerde meteoriet in Spanje, sindsdien is er niets meer naar beneden gekomen.
     En de toren? Ja, dat is een triest verhaal. Sinds mensenheugenis stond er een oude toren in het dorp, niemand weet hoe oud, we denken dat het een restant was van een Tempeliersburcht, maar niemand weet het zeker. Hoe dan ook, ze was het embleem van ons dorp, señor. En toen is ze ingestort. Op 11 december 2000, een koude dag, hij weet het nog al te goed. Een slechter begin van de nieuwe eeuw was niet denkbaar. Ze heeft een immense leegte achtergelaten. Mistroostig schudt hij zijn hoofd. En daarom dus die naam op het café? Jawel. Als eerbetoon.

Torre Bar in Reliegos

Intussen staat Geert uit Gemert met zijn fiets midden op het kruispunt tegenover Torre Bar en bestudeert de wegenkaart. Hoe nu verder? Als hij mij naar buiten ziet komen en m’n fiets pakken spreekt hij me aan in steenkolenengels. Als blijkt dat hij een landgenoot voor zich heeft, gaan bij Geert de sluizen open. Doodmoe is hij! En ziek en misselijk en al vijf dagen blijft het voedsel niet binnen en hij is aan zijn kniebanden geopereerd en dat speelt nu op en zijn fiets is ook al niet lekker, hij kan alleen maar op het kleinste versnellingsblad rijden en hij heeft zijn vrouw gebeld en zijn dokter gebeld en hij heeft pillen gekregen om zijn maag tot bedaren te krijgen en zijn zoontje wordt over twee weken tien en daar wil hij als papa toch wel bij zijn en hij moet nog zo lang en het is nog zo ver maar hij moet door, dóór tot de poorten van Santiago.

En opeens is de woordenvloed voorbij en Geert wrijft het speeksel van zijn lippen. Om zijn nek draagt hij een metalen Jacobsschelp, symbool van de pelgrim. Het ding is metaalkleurig en lijkt me loodzwaar.
     Hier staat een man in de war. Want als ik vraag waarom hij niet gewoon stopt en lekker naar huis gaat naar vrouw en kind, dan fonkelen zijn ogen in de gloeiende Spaanse zon en hij roept Nee! ik móet naar Santiago want het heeft een diepe religieuze betekenis voor me. Ik durf niet te vragen wat hij daar precies mee bedoelt. De tijd van flagellanten ligt toch achter ons? Ik laat het voor wat het is, we buigen ons over de kaart en daar gaat Geert. Westwaarts, met nog minstens vierhonderd kilometer te gaan, over de Montes de Léon met meerdere bergpassen van 1500 meter.
     Of hij het gered heeft weet ik niet, maar dat religieuze fanatisme van sommige Santiagogangers is interessant. Zo raakte ik een tijdje geleden in gesprek met een groepje rugzakvrouwen die op een dorpspleintje in de schaduw van platanen op verhaal kwamen. Een van hen bleek Nederlandse. Middelbare leeftijd, het gezicht rood van de zonnebrand, haar nek zelfs zo erg dat de vellen er bij hingen. Ja, glimlachte ze, te fanatiek, hè? ’s Ochtends weg willen en dan vergeten te smeren, je kent dat wel. Nu ken ik dat juist níet, geducht insmeren met zonnebrandcrème voor ik op de fiets stap is voor mij een vast ritueel, maar het intrigeerde me en ik vroeg nog wat door over haar pelgrimage, het belang van haar gang naar Santiago, en waarom nu toch zo achteloos met jezelf omgaan op die barre Spaanse hoogvlakte. En toen kwam het. Zonder een spoor van ironie zei ze: ik heb geen bezwaar tegen die pijn, want het is een stukje religieuze beleving. Ze zei nog nét niet Naar mijzelf toe, maar mijn verbazing was er niet minder om. Gek mens! wilde ik zeggen, zet een hoed op en pak de bus. Maar ik zag aan alles dat het haar ernst was, en dan is het beter te zwijgen. Zeker een beetje teveel naar de Matthäuspassion geluisterd. O Haupt voll Blut und Wunden.

Schaduw op de Tierra del Campos

Fietsend over die uitgestrekte Tierra de Campo, of koelte zoekend in de schaduw van een eenzame populier, heb ik geprobeerd me voor te stellen hoe hier vroeger de pelgrims liepen. Historici hebben becijferd dat ongeveer 10% van de mannelijke bevolking in de middeleeuwen de tocht naar Santiago de Compostela heeft ondernomen. Hoe je dat berekent weet ik niet, maar wat een dappere mensen moeten dat geweest zijn. Jaren onderweg, nooit weten of je het redt want steeds maar in gevecht met de elementen en je eigen hoofd, om nog maar te zwijgen van struikrovers en ander gespuis. Veel van hen overleefden de tocht inderdaad niet, en in het middeleeuwse stadje Villafranca del Bierzo, tussen twee hoge bergpassen in de ruige Montes de Léon, staat een prachtige Santiagokerk uit 1186 met een Poort van Vergeving: hier konden pelgrims die wegens ziekte of zwakte niet verder konden, dispensatie krijgen van het laatste deel van de zware tocht. Ze ontvingen eenzelfde aflaat als in Santiago, en getuige het pelgrimskerkhof waren er heel wat die het daarna voor gezien hebben gehouden.

Oude N VI onder nieuwe A6 op weg naar Cebreiro

Vlak buiten Villafranca krijg je als fietser met welhaast  Escheriaanse taferelen te maken: je fietst over de vroegere autoweg die op zijn beurt de van oorsprong Romeinse heerweg verving en daarboven verheffen zich de angstaanjagend hoge viaducten van de nieuwe A6 die zich dwars door de Montes de Léon heeft gevreten. Een onwerkelijke ervaring, omdat het je gevoel voor proportie danig op z’n kop zet. Hier beneden kan je het vrachtverkeer dat boven je voorbij dendert niet horen. En dan te bedenken dat de pelgrims vroeger door exact deze zelfde kloof moesten over een pad waarlangs pakezels voorraden naar de bergdorpen sjouwden. Dorpen waar pelgrims als het tegenzat soms wekenlang moesten wachten tot de pas sneeuwvrij was.
     Dat ik nu hier ben en op de fiets de bergpassen tegemoet ga, betekent dat de hoogvlakte achter me ligt. Nog één keer achterom kijken, naar iemand die ik daar kortstondig ontmoette en een woordeloos gesprek mee voerde. Vijf honden had hij en de omvang van zijn kudde kan ik onmogelijk schatten, maar het waren er minstens driehonderd. Ze kwamen van links en gingen naar rechts, wij stonden aan weerszijden van de schapenstroom en over het geklepper van hoefjes op het asfalt en het blaffen van de honden heen gebaarden we naar elkaar, de herder en de fietser. Ik maakte loopbewegingen en wees naar hem, hij deed alsof hij fietste en wees naar mij. En we knikten en lachten en staken een hand op en daar verdween hij, achter honden en schapen de gortdroge ruimte in. En ik stapte op mijn fiets en reed westwaarts de bergen tegemoet en dacht aan Geert en aan de vrouw met de nek, aan de meteoriet op de stoep bij Ramira Santa Maria, aan kreperende pelgrims in Villafranca en aan de herder, overgeleverd aan zijn dieren en gedachten.
     En soms denk ik aan Charles, de hobo die ik een tijd geleden in Frankrijk tegen het lijf liep, en vraag me af wat hij van dit alles zou vinden.

Schaapsherder Tierra do Campos

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s