21. A Mighty Fur Piece

And then there was Singapore. Geen romantische poort om op te kloppen, maar een reusachtige brug die het eiland met de Zuid-Maleise stad Johor Bahru verbindt. Dagelijks trekt een colonne van tienduizenden Maleisiërs op brom- en motorfiets naar de rijke zuiderbuur om daar hun bijdrage te leveren aan de instandhouding van de gecompliceerde machinerie die welvaart heet en in de eilandstadstaat Singapore tot duizelingwekkende hoogte is gestegen.
‘Wat doe je voor werk’, vraag ik een jongeman die achter me in de rij bij de douane op z’n beurt wacht. Conform de grensvoorschriften die overal op waarschuwingsborden te lezen zijn heeft zijn integraalhelm afgezet zodat zijn gezicht zichtbaar is. Af en toe draait hij aan de gashendel om zijn brommer aan de praat te houden. Achterop zit een meisje, ze houdt haar helm onder de arm geklemd. ‘Polishing’, zegt hij. ‘Where’? ‘In a bank building’. En je vriendin? ‘My wife’, zegt hij, met zichtbare trots, en ze straalt. ‘Her work is also polishing’.
Een roerende reaktie. Hij ontmoet iemand waarvan hij weet dat hij die nooit meer terug zal zien. Waarom dan niet even de blits maken? Assistant managers, had hij kunnen zeggen. Iets om aan zijn dagelijksheid te ontsnappen, heel even een grotere fantasie vasthouden. Maar hij is tevreden met zijn werkelijkheid van vloeren poetsen. Dat vind ik knap.

Even later, een tikje dizzy van de uitlaatgassen en nadat ik de douane naar waarheid gezegd heb dat er drugs noch enig andere contrabande in mijn fietstassen zitten, rij ik Singapore binnen. De PIE, de Pan-Island Expresseway, een van de grootste verkeersaders van de stad,  is verboden voor fietsers, maar ik zie geen alternatief. Voel me bovendien strijdbaar. Met het eindpunt in zicht begint de adrenaline te suizen. Laat ze maar komen! Maar het blijft rustig, en ik manouvreer omzichtig richting centrum over de soms akelig smalle berm van de zesbaansweg langs een zorvuldig gemanicuurde heg en hoog boven me de gigantische schotels van Singapore Telecommunication. Pal naast de weg lopen acht enorme buizen, die de stad van water voorzien. Wat een verandering van decor!       

satelliet-singapore.jpg

Maar eerst was er nog een flink stuk te rijden. Van Malakka langs de kust almaar zuidwaarts langs eindeloze plantages met oliepalmen, waar nijvere handen de reusachtige, soms wel 25 kilo wegende vruchttrossen uit de bomen snijden en in vrachtwagens naar de perserijen brengen, vanwaar de olie zijn weg vindt naar de zeepindustrie en, steeds belangrijker: biobrandstof. 
Sta ik toch warempel opeens oog in oog met de belichaming van een levensgroot milieuprobleem: de vraag naar ‘groene brandstof’ neemt toe, we willen immers hernieuwbare in plaats van fossiele energiebronnen, en de opbrengst per hectare oliepalm is uitzonderlijk hoog. Voorstanders wijzen op het klimaatneutrale karakter: de CO2 die vrijkomt bij het verbranden van biobrandstoffen is eerder al door groeiende planten geabsorbeerd. Maar de negatieve aspekten zijn zwaarwegender: tropische bossen verdwijnen om ruimte te maken voor oliepalmplantages, lokale bevolking wordt van de grond verjaagd die ze van generatie op generatie heeft verbouwd, en de monocultuur is een ernstige bedreiging voor de biodiversiteit. Uit rapporten verneem ik dat alleen al in Indonesië tussen 1999 tot 2004 jaarlijks 400 duizend hectare olieplantages werd aangelegd. Ten koste waarvan laat zich raden. En hier? Wat zie ik hier? Zijn dit de akkers voor Palmolive, of voor de toch niet zo groene brandstof?

Deze milieutechnische overpeinzingen (die kortstondig een nostalgische oprisping veroorzaken: dit zou als vanouds een mooi onderwerp zijn voor een VPRO documentaire)  worden grofstoffelijk onderbroken door een vervaarlijk zwabberend achterwiel en een noodstop om een ongelukkige valpartij te voorkomen. Lekke band! Het moest er een keer van komen. Ik heb in de afgelopen jaren vele duizenden kilometers afgelegd op Aziatische en Europese wegen en in al die tijd slechts één keer een lekke band, dus deze tweede hing in de lucht. Maar wat nu? Een band plakken is niet zo’n punt, maar in de berm in de brandende zon dat achterwiel demonteren en dan tot aan je ellebogen in de smeer… Verder dus, en om de duizend meter afstappen en pompen. Veertig slagen, dan snel opstappen en als ik hard doortrap heb ik voldoende lucht voor de volgende duizend meter.
Na vijftien kilometer een aflslag naar een dorp drie kilometer verderop, waar een vriendelijke bromfietsmonteur en zijn zoon zich over mijn kreupele tweewieler ontfermen. Ook zij moeten even puzzelen tot ze het achterwiel los hebben, maar dan is de oorzaak gauw gevonden: een vlijmscherpe metalen pin. Daartegen zijn ook mijn speciale Schwalbe Marathon Kevlar banden niet bestand. Plakken? Welnee, nieuwe binnenband, Made in Malaysia. Na wat rekenen komen vader en zoon voor arbeid en binnenband op tien Maleise ringgit. Twee euro. Ik betaal met dankbaarheid het dubbele, en word door de complete familie uitgezwaaid.            

fietsenmaker-1.jpg

fietsenmaker-2.jpg

Wie vanuit Maleisië over land naar Singapore gaat, komt onherroepelijk in Johor Bahru terecht en neemt een hotel in de buurt van de grensbrug. Zo ook ik. Fiets aan de ketting in een parkeergarage op de vierde etage waar auto’s met een lift (!) naartoe worden gebracht. Een slim antwoord op het fenomeen ruimtegebrek: als je niet in de breedte kunt, ga je omhoog.
Uitrustend op mijn hotelbed kijk ik naar een televisiezender uit Singapore. Opvallend veel reclameboodschappen over prestatie en onderwijs en steeds weer een dame die Dettol aanprijst, ze hebben daar aan de overkant een fascinatie voor ontsmetting en ‘being germ free’. De grappigste reclame is overigens die waarin een huidcreme wordt aangeprezen omdat het ‘European herbs’ bevat. Wij in Europa laten ons aan de neus hangen dat antwoord en oplossing uit het oosten komen, hier wijst de meter de andere kant op. En in beide gevallen is het natuurlijk kolder. 
Het is mijn laatste avond in Maleisië en ik ga de straat op, waar als vanouds de eetstalletjes worden opgebouwd en als de duisternis is gevallen komen de nachtvlinders tevoorschijn. Scharrelaars die met gefluister en lonkend handgebaar hun handel aan de man brengen. Ik zie illegale cd’s, maar waarom dat gefluister? Drugs? Waar je in dit land de kogel voor krijgt? Hoeren roepen je in het voorbijgaan toe, zij doen minder geheimzinnig over hun nering; breeduit zitten ze op plastic stoelen op de stoep en zogauw je in beeld komt treedt de automatische piloot in werking en klinkt een vermoeide lokroep, ‘hello darling’, en vreemd genoeg ook ‘hello uncle’. Op een straathoek graait de medicijnman in zijn koffer, verwisselt pantalon voor sarong en spreidt foto’s van kwaal en ziekte op straat uit. Het publiek dromt er rijen dik omheen, iedereen doet mee in dit spel van list en bedrog. Kranten en stukken karton worden in de fik gestoken en als het zaakje afgekoeld is wordt de as met een prevelementje en een flesje aan de koper overhandigd.          

medicijnman-johor-bahru.jpg

En nu dus Singapore, waar de gebouwen tot in de hemel reiken en de ambities ook. De auteurs van de Rough Guide karakteriseren de stad als “a pristine futuristic shrine to consumerism” en daar is geen woord verkeerd aan. En het gekke is: ik vind het prachtig. Na al die weken op de fiets geniet ik hier met volle teugen, ook al heb ik soms wat last van een milde cultuurshock. Na de relatieve chaos van Thailand en Maleisië is Singapore zo netjes, zo geordend.
In het verleden, en misschien nog steeds, werd in Europa vaak wat lacherig gedaan over de befaamde strengheid van Singapore, waar kauwgom verboden was omdat het de straat bevuilde en een weggegooide sigarettenpeuk een fikse boete opleverde. (Ik herinner me baldadige collega’s bij de VPRO die, begin jaren negentig, tijdens een redactievergadering van Het Gebouw voorstelden om naar Singapore af te reizen, op het dak van een promiment gebouw te gaan zitten en kauwgom en peuken omlaag te gooien en te timen hoelang het duurt tot ze gearresteerd werden, en dat dan uit te zenden. Het voorstel werd staande de vergadering met algemene stemmen verworpen.)
De regels zijn trouwens iets afgezwakt, ofschoon overal nog steeds waarschuwingen hangen dat het vervuilen van de openbare ruimte boetes oplevert en de publieke vuilnisbakken hebben aan de bovenkant een asbak, rokers staan gezellig rond de afvalbak te paffen. Maar volgens mij is er echt wel iets voor te zeggen, voor zo’n schone stad waar je nergens in de hondenpoep trapt en waar geen rotzooi op straat wordt gesmeten. Daar kan toch niks op tegen zijn?
En de luxe! Mocht je denken dat de Amsterdamse P.C. Hooftstraat het Sanctum Sanctorum van fraai en smaak is, neem dan eens een kijkje in Orchard Street, een mengsel van Fifth Avenue, Regent Street en de Romeinse Via Veneto (waar Mirjam en ik jaren geleden een modewinkel ontdekten met de naam De Clercq & De Clercq – maar geen familie).  In Orchard Street vergaap je je aan warenhuizen als Paragon en het waarlijk schitterende Takashimaya, waar alles de overtreffende trap lijkt en vermoedelijk ook is. Een soort Bijenkorf maar dan factor tien, met alle namen en merken en een wijnwinkel waar ik een magnum Chateau Margaux 1982 zie voor 2.745 euro en daarnaast, oh hemeltje, een Petrus uit 2000 voor 9.820 euro. Hebt u er wel eens een verkocht? vraag ik de wijndame en ze knikt ja, maar geeft toe dat het niet echt vaak gebeurt. En ze vertelt over vaste klanten uit Bahrein en Bangkok die af en toe overvliegen en een voorraadje inslaan en dan mag ik hem heel even vasthouden, die Petrus, en daarna gaat hij weer terug in zijn bedje.

Intussen is de stad in de ban van een groots modefestijn, overal hangen banieren die het Fashion Festival aanprijzen, in de warenhuizen worden modeshows gehouden met kleding van Gucci, Armani en Gant en op Orchard Road staat een gigantisch beeldscherm waar de hele dag films worden vertoond van verbluffend lelijke mannequins met boze smoelwerken die met van die rare zwenkpasjes over de catwalk lopen alsof ze met moeite hun plas kunnen ophouden. En over een paar dagen begint het volgende feest: Singapore World Gourmet Summit. Van over de hele wereld worden de beroemdste chefs ingevlogen die voor de happy few hun kunstjes laten zien en workshops geven waarvoor de kaartjes al sinds maanden zijn uitverkocht.

singapore-fashion-festival.jpg

Om aan de zintuigelijke overdaad te ontsnappen vlucht ik af en toe naar wat volgens mij de mooiste plek van Singapore is: de botanische tuin. Uren heb ik er rondgedwaald. De palmvallei met 115 verschillende palmsoorten (ja, ook de omstreden oliepalm!), een waarachtig stuk regenwoud waar het snerpt van de insekten, honderd verschillende soorten gember (die verwant blijkt aan de banaan), ik zie voor het eerst de Myristica Fragrans, de nootmuskaat (schuldeloze hoofdrolspeler in een niet algemeen bekend, inktzwart hoofdstuk uit onze vaderlandse geschiedenis: Jan Pieterszoon Coen liet ooit de complete bevolking van de Indonesische Banda-eilanden uitmoorden om de exclusiviteit van de daar groeiende nootmuskaat te waarborgen – was dat wat Balkenende bedoelde met zijn lofzang op de VOC mentaliteit?), ik leer het verschil tussen parasiete en epiphyte planten en zie de mooiste bloemen waarvan ik de naam niet meer weet maar die zo fragiel zijn en zo wonderlijk gevormd, de stampers zo ver buiten de kelk, dat je je afvraagt hoe insekten daar hun bevruchtende werk kunnen doen…    

stampers.jpg 

Een van de mooiste plekjes in die glorieuze botanische tuin is de tegenpool van onze broeikas: de cool house, waar planten groeien die in een koeler klimaat gedijen. Zolang de rust niet door kwetterende schoolklassen wordt verscheurd een heerlijke plek, niet alleen om even van de klamme hitte bij te komen, maar ook omdat er de merkwaardigste vleesetende planten groeien, zoals deze vuistgrote bekerplant… een passieve moordmachine, die rustig afwacht tot een insekt, gelokt door de geur, in de beker kruipt, waar hij vervolgens nooit meer uit kan en door de plantensappen verteerd wordt…  

bekerbloem.jpg

Maar intussen gaat naast alle oogverblindende luxe van het mondaine Singapore het gewone leven rustig door. Een taxichauffeur vertelt over zijn lange werkdagen en dat hij nauwelijks kan rondkomen van zijn salaris, de energieprijzen stijgen explosief waardoor ze gedwongen zijn thuis de airconditioning maar een paar uur per dag aan te zetten, en wat lees ik vandaag in The Straits Times onder de veelzeggende kop “House of Horrors”? In Tanjong Katong Road is een huis ontdekt waar 38 Indiase arbeiders in een eengezinswoning drie slaapkamers moeten delen. Er staat een foto bij van een soort varkenskot met stapelbedden en matrassen op de grond waarop menselijke figuren, rug naar de camera, onherkenbaar, want bang voor represailles, verlies van hun baan. En in dezelfde krant het verhaal dat de politie nog steeds op jacht is naar een terrorist die aan Indonesie zou worden uitgeleverd maar enkele dagen geleden uit de gevangenis heeft weten te ontsnappen en nu ergens rondzwerft en vuurwapengevaarlijk is, dus nu hangen overal van die wildwestposters met foto’s van de boef en Wanted .
Een rare plek, dit Singapore. Je ziet vooral een prachtige taart met schitterend glazuur, waardoor je haast zou vergeten dat er ook gewone mensen wonen, zoals de magere mondharmonicaspeler, die dagelijks in z’n rolstoel op Orchard Road z’n melodietjes blaast. En ’s avonds wandelen de Filipijnse dienstmeisjes met de labradors en poedels van hun werkgevers. Ze staan keuvelend met elkaar op de straathoek en wie weet waarvan ze dromen, waarschijnlijk van terug naar huis. En morgen zullen de duizenden klusjesmensen uit Johor Bahru op hun bromfiets de grens oversteken om hun anonieme bijdrage te leveren aan het succesverhaal dat Singapore heet.   

straatmuzikant-singapore.jpg

Mijn reis is voorbij. Ik fietste 3061 kilometer waarvoor ik 179 uur in het zadel heb gezeten, sliep op 46 verschillende lokaties, had één lekke band en een gebroken ketting. Ik begon, ik was onderweg, en nu is het afgelopen.

Toen ik gisteren mijn fiets veilig had opgeborgen in de bewaakte opslag van Changi Airport en terug in het bruisende centrum van Singapore met mezelf een glas witte wijn hief op de goede afloop van de tocht, schoten me die prachtige openingsregels van Light in August van William Faulkner te binnen. Ik citeer uit het hoofd, maar grofweg luidt het als volgt: “Sitting at the side of the road, watching the wagons mount the hill, Lena thinks to herself: I have come all the way on foot from Alabama. A mighty fur piece.”   

Tevreden nip ik van mijn koele Chardonnay en kijk naar de bedrijvigheid op Orchard Road. Al die mensen, ieder met een eigen leven en eigen bagage op weg naar iets, op weg naar ergens. En ik denk: fietsen is een metafoor voor het leven zelf. Je begint, je bent onderweg, altijd maar onderweg, en wat we ook met ons leven doen, uiteindelijk geldt voor iedereen hetzelfde: it’s a mighty fur piece.

Zo. Ik ben klaar om naar huis te gaan, maar alle vluchten van Singapore Airlines naar Amsterdam zijn tot de 12e april vol. Sta op de wachtlijst, wandel dagelijks bij SIA binnen, maar met steeds hetzelfde hoofdschudden tot gevolg. Overweeg de veerboot naar het Indonesische eiland Bintan te nemen voor een laatste paar dagen zon en strand. En als ik toch eerder naar huis kan, dan neem ik hier alvast afscheid. Het was me een genoegen!     

4 thoughts on “21. A Mighty Fur Piece

  1. Gefeleiciteerd! ~ het eindpunt!
    Dat had ik natuurlijk allang gedaan, maar hier ook nog een keer. En je verhaal, dat is zoals altijd een tractatie. En kom nu maar snel thuis…. ‘tis moai wees’!

  2. Prachtige verhalen waren het, Hans! Heb ervan genoten, jammer dat het nu (even?) is afgelopen. Goede reis terug naar het Friesche!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s