155. Denkend aan Kondrashin

Laatst moest ik opeens aan Kondrashin denken. Vrijdag 7 maart om precies te zijn. Ik zat in de auto, schakelde radio 4 in en viel middenin het derde deel van de 1e symfonie van Mahler. Waarom ik toen aan Kondrashin dacht? Geen idee. Misschien omdat ik kort daarvoor iets gelezen had over de zoveelste 40135645 ruzie tussen Bernard Haitink en de leiding van het Concertgebouworkest, en denkend aan de talloze keren dat ik Haitink aan het werk had gezien floepte opeens Kondrashin in mijn hoofd, de Russische dirigent die in 1978 in Nederland politiek asiel kreeg. Markante man. Eén keer heb ik hem aan het werk gezien, in het Concertgebouw, waar hij naast Haitink vaste dirigent werd, maar hem was geen lange carriere beschoren, in 1981 overleed hij aan een hartaanval vlak nadat hij de 1e symfonie van Mahler gedirigeerd had. In mijn herinnering was destijds het nieuws dat hij staande achter de lessenaar op het toneel in elkaar was gezakt, maar dat blijkt een gedramatiseerde versie, volgens Wikipedia stierf hij ‘s avonds thuis.

Mahler één. Uit de luidspreker klinken de laatste maten van het derde deel, de langzaam wegstervende paukenslag, en dan de stem van de presentator: ‘U hoorde een opname van het derde deel van de eerste symfonie van Gustav Mahler, gespeeld door het Noordduitse Radio Symfonie Orkest onder leiding van Kirill Kondrashin. Een opname van 7 maart 1981. We draaien dit ter nagedachtenis aan deze grote dirigent, die kort na deze opname kwam te overlijden, vandaag 33 jaar geleden.’

Ik schrok. Hoe kwam hij, uitgerekend op deze dag, op dit moment, in mijn hoofd? Een raadsel.

En zo kwam ik via Kondrashin in een maalstroom van herinneringen terecht. Dat Concertgebouw, die heerlijke zaal, hoe vaak ik daar geweest ben? Alleen al de nachtconcerten die daar in de jaren zeventig gehouden werden. Nu is dat ondenkbaar, maar in die tijd was het heel normaal. Leonard Cohen, Randy Newman, Eagles, Moody Blues, America, Andy Pratt, Supertramp, en natuurlijk de Britse symfonische rockband Yes, yes-white-ya-bdie daar in op 21 januari 1972 hun fameuze White Album opnam.

Nog sterkere en oneindig belangrijkere herinneringen heb ik aan de klassieke concerten die ik daar als kind hoorde. Mijn vader nam ons kinderen bij toerbeurt mee, jarenlang had hij vaste plaatsen op het podium noord, vanuit de zaal gezien rechts, waar de dirigent de trap afkwam. Daar zat je dan, zeven of acht jaar oud, en je zag Eduard van Beinum, en later diens opvolger Bernard Haitink. En heel belangrijk: vanaf die plek kon je de dirigent goed aan het werk zien. Als kind vond ik Haitink een merkwaardige verschijning, met die halfopen mond, een soort centenbak die een beetje open en dicht leek te klappen op de maat van zijn beweging. Maar het allerduidelijkst in mijn herinnering is een magisch moment toen ik, kijkend naar Haitink op de bok, opeens het idee had dat de muziek uit hém kwam. Die vloeiende bewegingen, de driftige slag, dat sidderen van de linkerhand om een toon of frasering te benadrukken… daar stond een magiër die met elke armslag de wonderbaarlijkste muziek uit zijn lichaam liet stromen. Hij was de muziek. Een even krankzinnige als fantastische fantasie, die ik nooit helemaal ben kwijtgeraakt.

(Terzijde: laatst las ik over een aandoening die muzikale anhedonie heet. Dat woord moest ik opzoeken, nooit van gehoord. Het niet kunnen ervaren van vreugde, is de definitie. En kennelijk is er een subgroep die dat alleen met muziek heeft. Mensen die nooit een concert bezoeken, nooit een plaat opzetten, kortom: nooit naar muziek luisteren. Het laat ze koud. Geen kwestie van smaak, maar een gevoelsafwijking. Oei… )

Een lichaam waar muziek uit komt. Een kinderlijke fantasie, maar het roept de vraag op hoe belangrijk de dirigent is. Jaja, rustig maar, ik wéét hoe belangrijk hij is, maar als dat zo is, waarom zie je ze soms zo nadrukkelijk doen alsof ze een bijrol hebben? Daniel Barenboim heeft daar een handje van. Ik zag hem begin dit jaar, het Nieuwjaarsconcert met de Wiener Philharmoniker. Veel, heel veel Strauss. ‘G’schichten aus dem Wiener Wald’ en ‘An der schönen blauen Donau‘ van junior, de Radetzkymarsch van senior. Iedereen kan het dromen. Is dat de reden dat Barenboim zo raar dirigeert? Hij doet zo goed als niets. Af en toe een arm omhoog, een slag hier, een slag daar, vingers spelen een denkbeeldig melodietje in de lucht, verder staat hij zo goed als stil. Het orkest gaat op de automatische piloot, hebben het al duizend keer gespoeld, dirigent overbodig. Een lichaam zonder klank.

Helemaal zot maakt de grote Leonard Bernstein het. Wat heel raar is, want als er ooit een swingende dirigent was, dan hij wel. Denk aan West Side Story, die fenomenale muziek kwam uit zíjn hoofd, en wie ooit The Making of West Side Story zag, de documentaire over de totstandkoming van de plaatopname met Kiri te Kanawa en José Carreras uit 1985, die weet wat ik bedoel met een lichaam waar muziek uit komt. Maar onderstaand fragment, waar Bernstein een symfonie van Haydn dirigeert, dat is een wel heel malle vertoning. Dirigeert? Welnee. Handen slap langs het lichaam, af en toe een opgetrokken wenkbrauw, een glimlachend knikje, een rare frats, daar mag het orkest het mee doen. Kortom, wat hij eigenlijk laat zien: een beetje orkest kan zonder dirigent. En dat, beste Lenny, kan toch je bedoeling niet geweest zijn?

154. Ochtendschimmel

We zijn weer even in Frankrijk neergestreken. Werk meegenomen, dat gaat hoe dan ook door, maar de heuvels van de Morvan lonken, dus ook bergschoenen en wandeljacks mee. Oranje zijn ze, die jacks. Jaren geleden aangeschaft toen we in Nepal rond de Annapurna’s gingen lopen en welbewust die felle kleur kozen, stel dat iets zou gebeuren op ruim vijfduizend meter, in diepe sneeuw, met die kleur zouden we snel gevonden worden. Hier in de groene heuvels zijn we nu dan ook goed zichtbaar, alsof we op afstand solidair zijn met de Nederlandse schaatsers in het verre Sotsji.

Frankrijk voelt als vakantie. Nee, Frankrijk is vakantie. Andere luchten, ander landschap: van Friesland duizend kilometer zuidwaarts en je bent in een nieuwe wereld. We vertrokken na een gewone werkdag, reden de hele nacht door, wilden de volgende dag de 1.500 meter niet missen, het koningsnummer van het schaatsen op de Olympische Spelen. We hadden nauwkeurig gepland dat we, om en om het stuur nemend, redelijk fit op tijd in Autun zouden aankomen om proviand in te slaan, en dan de laatste kilometers naar ons huis in de heuvels. Paar uur slapen, dan koffie en schaatsen kijken.

Als we de auto het terrein op rijden zien we tot onze verassing een groot wit paard op de heuvel achter het huis. De heuvel gaat steil omhoog, met hier en daar wat fruitbomen, de takken behangen met het mos van ouderdom. Daarachter gaat het over in een bos. Halverwege de heuvel is een natuurlijke waterbron, dezelfde stroom die het huis van water voorziet. De waterplek op de heuvel is goed voor de schapen, die hier in de zomer grazen. Een overeenkomst die de vorige eigenaar had met veehouder Perodine uit het naburige dorp. Met de koop van het huis, nu alweer dertien jaar geleden, bleef de overeenkomst bestaan. Maar monsieur Perodine had kennelijk een paard over, en heeft het dier tijdelijk op onze heuvel gestald, ofschoon de afspraak nadrukkelijk alleen over schapen ging, stel je voor, anders lopen er opeens koeien die de boel vertrappen.

En nu, waar ‘s zomers het zachte mekkeren van schapen klinkt, horen we het ingehouden hinniken van het paard, dat er na drie dagen al aan gewend is dat Mirjam ‘s ochtends met een stuk brood of wortel naar het hek komt. Als we van boodschappen of een wandeling terugkomen en het terrein oprijden, staat hij bovenaan de heuvel en komt in gestrekte draf naar beneden. Niet de kortste afstand, dus rechtuit, anders zou hij in een soort overdrive terechtkomen en als een stormram door de afrastering schieten. Nee, dieren zijn slim, die begrijpen de wetten van de natuur. Hij slalomt omlaag en komt keurig bij het hek tot stilstand. En dan dat wonderlijke geluid, waar volgens mij geen woord voor is. Een tevreden snuiven waarbij de lippen zachtjes op elkaar klappen.

_IND8513

Geen idee hoe het paard heet. Moet een dier een naam hebben? Hoeft niet, paard is genoeg. Fiere kop, woeste manen. Hij herinnert me aan het paard uit de film van Albert Lamorisse, vroege jaren vijftig, onze eerste film die we in de bioscoop zagen. Crin Blanc heette het dier, Witte Manen. Trouwens, hoe kies je een naam voor een dier? Jan Cremer had ooit een hond die hij godverdomme noemde. Dan liep hij door de stad en riep keihard Kom hier godverdomme! Hoeveel mensen zouden er zijn die hun hond Bol Dot noemen? Lopen ze in het park en roepen de hond, Bol Dot kom! Ja, humor is lastig. Bol Punt kan trouwens ook. Wij noemen het paard gewoon Paard. Maakt niet uit, hij komt toch wel als we hem roepen, want weet van brood en wortel en maakt dankbare klaplipgeluidjes.

Le Bouley 210214_IND8524

Ons huis ligt in de Morvan, het bergachtige gebied in Bourgondië. De naam stamt van het Keltisch, Mar = zwart, Vand = berg. Niet ver hier vandaan ligt Mont Beuvray, waar de oud-Keltische stad Bibracte werd opgegraven. Heerlijke omgeving. Geen industrie, dus geen luchtvervuiling. En, hoera, ook geen lichtvervuiling. Als wij in Friesland ‘s avonds naar buiten kijken zien we de gele gloed van rozenkwekerijen dertig kilometer verderop in de polder. Hier kijk je in een wolkeloze nacht omhoog en ziet de Melkweg.

Prachtig glooiend coulissenlandschap hier, en veel bos. Het heet Parc naturel régional du Morvan, het bos geniet beschermde status, maar is wel degelijk voor commercieel exploitatie, er zijn jaren dat er stevig gekapt wordt. Soms kom je voor verrassingen te staan. Zo ontdekten we deze week een onverharde weg dwars door een bos waar voorheen niets was dan een smal kronkelpad en knoestige, mosbegroeide oude bomen. Als we daar wandelden waanden we ons in een tekening van Marten Toonder. Nu opeens een metershoog talud, de gele aarde als een verwoestend lint dwars door het landschap. En waarheen gaat het? We volgen de route, over de heuvel waar een enorme vlakte is kaalgekapt IMG_0732 (en waar we een ouder echtpaar verwoed in de weer zien met een motorzaag, de achterbak van hun auto ligt vol stukken boomstam – contrabande à la Morvan!), en uiteindelijk eindigt het pad bij een smalle verharde weg die naar de andere kant van de heuvels voert. Later horen we dat een enorme ontbossing gepland is en de nieuwe weg zou zijn aangelegd om het hout af te voeren. Maar ook begrijpen we tot onze opluchting dat het grootste deel van de vaste wandelroute die we hier sinds jaar en dag lopen onaangetast zal blijven. Heerlijk is het hier, en doodstil, als je langs het oude pad een adempauze neemt is er niets dan vogelzang, echoënd langs de zoom van het oude woud.

Onze boodschappen doen we bij een kruidenierswinkel in een naburig dorp of we gaan naar Autun, vijftien kilometer verderop, een stief kwartiertje over de meanderende D3. Fraaie stad, dit eeuwenoude Autun. Gesticht tijdens de heerschappij van de eerste Romeinse keizer, Augustus, en ook naar hem vernoemd: Augustodunum. Romeinse stadspoorten en -wallen, een openluchttheater, de sporen zijn talrijk. Prachtige kathedraal ook, Romaans, vroeg 12e eeuw. We komen er vaak, en graag. ‘n Paar prima restaurants, geen dikdoenerij, maar gemoedelijk. Voor wie ooit van plan is Autun aan te doen: een van onze favorieten is een klein visrestaurant, Le Monde de Don Cabillaud (noteer maar: 4 Rue des Bancs); slechts ‘n paar tafels, open keuken, beperkte keuze uit dagverse producten en gemoedelijke sfeer.

En onze boodschappen? Je ontkomt er niet aan, en ik kom er graag: mijn (bijna) naamgenoot Leclerc. Wat een puike Winkel van Sinkel is dat toch. Zelden zag ik zo’n goede visafdeling, om over de kazen en wijnen maar te zwijgen. Vlees eten we nauwelijks, maar ook carnivoren komen hier goed aan hun trekken. Producten uit de directe omgeving, met foto’s van de (Charolais)runderen waarvan het vlees hier verkocht wordt, IMG_0801 compleet met aanduiding van welke boerderij. Betrouwbaarder vlees eten kan nauwelijks.
Maar het dierbaarst is ons de woensdag- en vrijdagmarkt in Les Halles d’ Autun. Biologische producten van kleine producenten uit de buurt, de heerlijkste broden, groenten en kazen. Een waar feest, elke keer weer. Tevreden nemen we de heerlijkheden mee naar huis. En morgen? Dan worden we wakker, hopelijk weer een droge dag na de stevige regen van vandaag, en uit ons raam kijkend zien we onze Crin Blanc, bij het hek wachtend in de ochtendmist op wortel en broodkorst.

153. Ortolaan

Opeens schoot me een wonderlijk verhaal te binnen dat ik in 1971 in Israel in de kibboets hoorde. We waren aan het werk in de sinaasappelboomgaard toen honderden ooievaars kwamen overvliegen. Misschien waren het er duizenden, de hemel leek te verduisteren en we luisterden gebiologeerd naar het zwiepen van machtige vleugels. Shimon, de opzichter van ons groepje plukkers, wees naar de vogels en zei: die worden dadelijk allemaal neergeschoten. Verbluft keken we hem aan. Neergeschoten? Hoezo? Door wie? Door de Egyptenaren, antwoordde hij. De vogels zijn op doortrek, op weg naar Afrika, en de Egyptenaren kunnen het niet uitstaan dat ze over Israelisch grondgebied zijn gevlogen. En dus schieten ze ze dood.

Ik heb nooit geprobeerd te achterhalen of het waar was, wat Shimon zei. Wel wist ik dat er in die jaren een sterk anti-Egyptsich sentiment heerste in Israel, maar het ooievaarverhaal klonk naar broodje aap. Toch zat er een andere kant aan het verhaal, dat ik toen nog niet wist: Egyptenaren zijn, zoals zoveel mediterrane volkeren, vogelvreters.

Zo werkt het geheugen dus. Je leest iets in de krant, en je denkt aan een voorval van meer dan veertig jaar geleden. Wat ik las? Een recept voor parelhoen. Niet dat dat me interesseert, maar de kop Galgenmaal trok mijn aandacht. Het ging over de Franse president Mitterrand die zich, de dood voor ogen, in januari 1996 nog een allerlaatste keer liet fêteren op foie gras, oesters, fijne wijnen en andere delicatessen. Quote: Het even beroemde als illegale pièce de resistance van dit souper was een aantal ortolaantjes, zangvogeltjes, die je met huid, darmen en zelfs snavel onder een doek moet fijnkauwen voor het beste resultaat. Deze beschrijving trof me als uiterst bizar. Onder een doek? Ik probeerde me een voorstelling te maken hoe dat in zijn werk ging, maar het bleef een raadsel. Zit de eter onder een doek om de illegale activiteit aan het oog te onttrekken? Of is de ortolaan in doek verpakt? Dat is lastig kauwen, heb je vogel én doek tussen de tanden.

Een kleine zoektocht met Google bood uitkomst. Het eten van zangvogeltjes, en met name de ortolaan (formaat mus), werd al door de Romeinen als een exquise traktatie gezien, en tot honderd jaar geleden werd het eten van allerhande gevogelte door de meeste Europese volkeren als doodnormaal beschouwd. Ooievaar, reiger, veldleeuwerik, lijster en spreeuw – alles verdween in de pan. Zelfs onze eigen koningin Wilhelmina liet zich in 1898 tijdens haar inhuldiging de ortolaan goed smaken. Maar in deze eeuw? Of het nu nog gebeurt? Ja, maar heimelijk, want sinds september 2007 is het in Frankrijk (en de andere EU-landen) illegaal. Maar zoals met alles dat verboden wordt, verdween het naar de achterkamertjes. Gerucht wil, dat je met enig zoeken nog aan je gerief kan komen. Wel een zak geld meebrengen, ze zijn peperduur, die ortolanen. Naar verluidt meer dan honderd euro per stuk.

Niet alleen het bereiden, maar ook het eten van het vogeltje blijkt een heel ritueel. Ze worden gevangen en levend in een met voer gevuld donker doosje gehouden. Omdat ze van nature vooral ‘s nachts eten zijn de dieren door de geforceerde duisternis van slag en blijven eten, waardoor ze zichzelf aldoende vetmesten. Na een maand zijn ze klaar en worden ze levend (!) verdronken in Armagnac, waarna ze, geplukt maar niet schoongemaakt, gedurende acht minuten in de oven geroosterd worden. images De fijnproever dient het beestje in één keer helemaal in de mond te nemen en gedurende een kwartier fijn te kauwen. Het eten van een ortolaan gebeurt met een doek over het hoofd, om spatten te voorkomen. Een andere verklaring is dat men zich hierdoor beter kan concentreren op de exquise dis, omdat tijdens het kauwen de smaak van Armagnac, gemengd met ingewanden, vrij komt en de geur onder het doek langer blijft hangen. Ja, ik noteer ook maar wat ik lees, het is allemaal krankzinnig genoeg. Een derde verklaring is, dat men zich voor God wilde verbergen, omdat het een beschamend ritueel is. article-1309634-0B0EF8E4000005DC-866_468x324 Op internet circuleren wat foto’s, waarvan je maar moet aannemen dat ze echt zijn. Ik vond er twee. Een guitig Klu Klux Klan-achtig groepje met wat flessen wijn, en een dame die in haar eentje aan het smikkelen is. Op tafel liggen pen en blocnote. Om te noteren hoe het smaakte?

Televisiepresentator Jeremy Clarkson, vooral bekend om z’n voorliefde voor auto’s, is op Youtube te zien in een filmpje waarin hij in Frankrijk ortolaan eet, compleet met doek over het hoofd. Het was 2002, dus nog niet illegaal.

En wij maar denken dat Japanners, Koreanen en vooral Chinezen er barbaarse eetgewoontes op na houden. Is ook zo. Levende vis, octopus, kikker, je kunt het zo gek niet bedenken of het komt op tafel. Kijk maar eens naar deze Ikizukuri (Japans voor ‘levend bereid’) en hoor hoe ze zitten te gieren van het lachen als de vis, het achterlijf gefrituurd (!) naar adem hapt. Het enige verschil is dat zij zich niet onder een doek verschuilen.

152. Negentwintig Vijf

Vreemd eigenlijk: ik ken Hanoi beter dan Parijs, en kan je de weg wijzen in Kathmandu of Delhi, maar niet in New York. Toeval? Misschien, ja. Of keuze. Wie zal het zeggen. Dat rare idee dat wat ver weg is beter zou zijn dan dichtbij. Niet dat New York dichtbij is, maar het zou voor de meeste mensen toch meer voor de hand liggen een rondje Central Park te lopen dan een avondwandeling rond Hoan Kiem.

Goedbeschouwd gebeurt hetzelfde hier in Friesland. We wonen er nu al bijna twintig jaar, maar zijn nog nooit in Thialf geweest, de schaatstempel van Heerenveen een steenworp verderop. Wel eens naartoe gegaan en de schaatsen ondergebonden om het ijs te proeven, maar nooit op de tribune gezeten tijdens een wedstrijd met grote kampioenen. Terwijl we toch verzot zijn op schaatsen, en thuis voor de buis zitten als het twintig kilometer verderop live gebeurt.

Daar moest maar eens verandering in komen, meende Mirjam. En kocht om te beginnen kaartjes voor de tweede dag van het Olympisch Kwalificatie Toernooi. Gisteren dus, de 28e december. Twee rondes vrouwen 500 en de grote klapper: mannen 10 kilometer.

En daar aangekomen, bij dat stadion, gebeurt hetzelfde dat we kennen van die paar keer dat we een voetbalwedstrijd in het Abe Lenstra stadion bijwoonden, in datzelfde gemoedelijke Heerenveen. Van alle kanten komen drommen mensen die, gezellig keuvelend, naar het stadion gaan. Geen gedrang, geen onrust, maar iedereen doordrongen van hetzelfde gevoel en dezelfde behoefte: lekker een paar uur mooie sport zien, in verbroedering en gezelligheid. Dat kunnen de Friezen als geen ander. En wat een opwindend gevoel, dat stadion binnen te komen. We zoeken onze plaatsen op, de mensen naast ons maken ruimte, hallo, kom zitten. De omroeper van dienst maakt er een vrolijke boel van, er zijn dansmariekes en een diskjockey die snoeihard plaatjes draait, en op de binnenbaan draaien rijden de eerste vrouwen zich warm voor de 500 meter.

_IND8384

De start is aan de andere kant, we kunnen het nauwelijks zien. Wel zien we de arm van de starter omhoog gaan. Als het eerste startschot gelost wordt kijken we raar op van de knal. We horen een dubbele. Valse start? Schiet ze af? Nee, het echoot, eerst horen we het echte schot, zien de vlam uit het pistool, dan de echo, donkerder, harder. De schaatssters intussen zijn allang langs ons gevlogen, allemachtig wat gaat dat hard, in iets meer dan een halve minuut is het gedaan. Margot Boer zal uiteindelijk winnen en haar ticket naar Sotsji verdienen met twee rondes die elkaar nauwelijks ontlopen: 36’64 en 37,68. Het publiek juicht haar toe, iedereen in de benen, het klappen golft door de hal, wat een kick, die eensgezindheid.

Na de dweilpauze (de diskjockey is vervangen door een zangeres, op een podium in het midden van de hal staat ze, piepklein op afstand maar meer dan levensgroot op de beeldschermen) het spektakel van de tienduizend meter. Amerikanen vinden het niks, deze afstand, stomvervelend rondjes draaien, ze vallen er bij in slaap. Wij niet, zien wat er gebeurt, de inspanning, de tactiek, het versnellen als het nodig is, als het kan, maar soms zijn de mannen te kapot, tien kilometer op topsnelheid, kom er maar eens om.

De eerste rondes, met alle respect, zij te verwaarlozen. Kanjers zijn het, om met Erika Terpstra te spreken, maar als je bóven de dertien minuten rijdt weet je dat je geen kans maakt, hier zijn rondes nodig van laag in de dertig en als het kan een negenentwintiger. Zestien schaatsers, acht ritten in totaal, waarvan de laatste twee de belangrijkste zijn: Sven Kramer tegen Jorrit Bergsma, en in de laatste rit Bob de Jong tegen Jan Blokhuijsen. Vier kandidaten voor de Olympische Winterspelen, en de beslissing wie mee mag gaat vandaag vallen. Hier. Nu. De spanning zoemt door de ijshal.

Sven Kramer. Alleen al zijn binnenkomst. Rumoer gonst door het publiek als ze zijn atletische geweldenaarslijf ontwaren op de blauwe inrijbaan. Daar gaat hij, de beste Nederlandse schaatser ooit. Af en toe een hand omhoog in groet, dan weer concentratie. Het publiek is buiten zinnen, iedereen ziet hem als de gedoodverfde winnaar, maar als de race begint wordt het plots stil… Kramer ligt al gauw ruim achter op Bergsma. Wat is er aan de hand? Is hij niet in orde? Of is het een tactisch spelletje? Het duurt acht, negen zenuwslopende minuten, dan zet Kramer de inhaalrace in. En daar komen ze, de negenentwintigers. Als er een rondje negentwintig vijf geklokt wordt weten we hoe het zal aflopen. Kramer rijdt met 12’45,09 niet alleen de winnende tijd, maar vestigt ook een nieuw baanrecord. Sensatie! Applaus!

Ook Bob de Jong, die al vier keer op de Spelen was, rijdt een gouden race. Geen enkele negenentwintiger, maar met 12’50,20 sleept hij toch zijn startbewijs voor Sotsji in de wacht. Ik heb van hem geen foto gemaakt, was al het grootste deel van de race van Kramer met m’n camera in de weer, en wilde die laatste spannende race naast Mirjam zitten.

Wel foto’s van Kramer dus, in zijn race tegen Bergsma. Sportfotografie vereist speciale apparatuur, enorme, peperdure objectieven, die hebben we voor ons werk niet nodig. Bovendien zaten we bovenin, hoogste rij, relatief ver van de baan. Ondanks die handicap toch een paar aardige shots kunnen maken. Goeie sfeer, in dat stadion. Schaatsvolk is goed volk. Doen we nog een keer, volgend jaar!

(Klik op de foto voor grotere weergave.)

_IND8423-2

_IND8418-2

151. Lijstjes

Het jaar loopt op z’n eind en daar komen ze, de onvermijdelijke lijstjes. De beste boeken, beste films, leukste tv reclames, politicus van het jaar, een lijst met beroemde dode staatslieden van 2013 (laat me raden: nummer een Mandela), dode filmacteurs (Soprano James Gandolfini), dode popmusici (Lou Reed), lijstjes beste zus en zo en dit en dat  en als slotakkoord de Top 2000. Voor wie in het buitenland woont en hier geen weet van heeft: het is een programma op radio 2 waarin van Eerste Kerstdag tot middernacht oudjaar non-stop populaire plaatjes gedraaid worden.

Het enige echt interessante zijn natuurlijk de film- en boekenlijstjes, maar er kleeft een bezwaar aan: het gaat altijd over wat er dit jaar is uitgekomen. Logisch, daar zijn het dit-jaar-lijstjes voor, maar ik denk met weemoed aan alle films en boeken van voorgaande jaren die ongezien en ongelezen bleven omdat we meemoeten met de rush van wat nieuw is. Hoe kan je dat nog bijhouden? Ik niet in elk geval. Ik loop altijd hopeloos achter, maar voel me daar lekker bij. Hier en daar in huis liggen stapeltjes ‘nog te lezen’, en als ik langsloop aai ik zo’n stapeltje liefkozend. Wacht maar, denk ik dan. Komt wel, straks. En soms kom ik die belofte ook inderdaad na. En als je dat doet, kan je aan het eind van het jaar je eigen lijstjes maken. Die dan weer geen dit-jaar-lijstjes zijn, maar wél met hart en ziel samengesteld.

Welke boeken las ik dit jaar en welke films zag ik die ik zó goed vond dat ik ze durf aan te bevelen? Ik noem er zes van elk. Eerst de boeken. Sommige tamelijke recent (Caesarion stamt uit 2010), andere een stuk ouder, zoals de verhalenbundel van Paustovsky, die in 1993 verscheen, en de Vietnamherinneringen van Tim O’Brien uit 1990.

In willekeurige volgorde:

Caesarion
Over de zoon van een beeldend kunstenaar en een pornoactrice en diens zoektocht naar de betekenis van zijn leven. Wieringa is een van onze grootste contemporaine schrijvers, en ik ben niet de enige die dat vindt. Le Figaro schreef: ‘Tommy Wieringa is er in geslaagd de heiige graal van een totale roman te bereiken, zoals J.M. Coetzee deed met In ongenade en W.G. Sebald met Austerlitz.’

Stoner
Stoner van John Williams (1922-1994) voldeed aan alle verwachtingen die door de massale publiciteit gewekt waren. Een magistraal boek, elk woord op z’n plaats, en van een romantische schoonheid die herinnert aan Thomas Hardy, maar diens werk gedecideerd naar de schaduw verwijst.

Kempowski
Een meesterwerk van Walter Kempowski (1929-2007), chroniqueur van (na)oorlogs Duitsland. Het vertelt over een in verval geraakt landgoed in Oost- Pruisen, januari 1945, waarvan de bewoners uit alle macht proberen te doen alsof de wereld onveranderd is, terwijl de kanonnen bulderen en de Russen oprukken. Weergaloze vertelling.

Hari Kunzru
Gods Without Men (in het Nederlands verschenen als Coyote) is een fascinerende maar uiterst gecompliceerde mozaïekvertelling die zich in de woestijn van Californië afspeelt. Een verdwenen 4-jarig autistisch jongetje, een alcoholistische Britse rockster, een voormalig lid van een sekte die buitenaards leven aanbidt, een jonge Irakese vluchteling en een achttiende-eeuwse Franciscaner ontdekkingsreiziger.

Tim O'Brien
Een collectie verhalen over de Vietnamoorlog door veteraan Tim O’Brien. Meermaals herlezen (net als zijn andere boeken Going After Cacciato en If I Die in a Combat Zone), en elke keer denk ik: ja, zó en niet anders moet je over dit onderwerp schrijven.

Paustovski
Tot slot deze bundel korte verhalen van Paustovsky (1892-1962) die naam maakte met zijn zesdelige autobiografie Geschiedenis van een leven. De lezer reist Paustovsky achterna door de eindeloze Russische landschappen waarvan in steeds andere tinten en tonen de weemoed, de poëzie en de romantiek wordt beschreven. Doodzonde van die oerlelijke cover, maar dat vonden ze blijkbaar mooi, in 1993.

En dan de films. Bijna onmogelijk een lijstje te maken, maar toch een poging, want tussen veel goeds is altijd iets dat nét beter is. Waarbij de criteria lastig zijn, want of je een film goed vindt is sterk afhankelijk van hoe je je, op het moment dat je ‘m ziet, voelt. Een wankel evenwicht. Toch wil ik een poging doen om tussen het vele prachtige dat wordt uitgebracht de juweeltjes te vissen. Ook hier, in volstrekt willekeurige volgorde:

This Must Be The Place

Een uitzonderlijke, bij vlagen briljant bizarre roadmovie over de uitgerangeerde rockster Cheyenne die de muziek heeft afgezworen nadat enkele jeugdige fans zelfmoord pleegden, daartoe aangezet door zijn songteksten. Met zijn vrouw, die bij de vrijwillige brandweer werkt, woont hij in een landhuis in Ierland, waar ze de dagen vullen met een balspel in een leegstaand zwembad. Totdat Cheyenne’s joodse familie belt met de mededeling dat zijn vader in New York is overleden. Of hij de jacht op de nazi kan komen voorzetten die zijn vader in Auschwitz heeft gemarteld. Wat volgt is een volstrekt originele en onvoorspelbare roadmovie met schitterend camerawerk. En de acteurs! Frances McDormand, Judd Hirsch, Harry Dean Stanton. En dan natuurlijk Sean Penn. Ik heb met open mond naar zijn verrichtingen gekeken. Wat een acteur.

The Return

Niets is vergelijkbaar met deze wonderbaarlijke vertelling van Zvjagintsev uit 2003. Het leven van twee jonge broers wordt op zijn kop gezet als hun vader na twaalf jaar afwezigheid opduikt en hen meeneemt op een boottocht naar een afgelegen eiland. Een even beklemmende als betoverende film met superieur camera- en acteerwerk. Verbluffende film, die we zonder collega-filmkenner en -liefhebber Richard van Leeuwen niet hadden ontdekt.

The Way

Een liefdevolle vertelling over een Amerikaanse arts die naar Zuid-Frankrijk afreist om het lichaam van zijn tijdens een storm in de Pyreneeën omgekomen zoon op te halen. De zoon wilde de Camino de Santiago lopen en de vader besluit, met de as van zijn gecremeerde zoon in zijn rugzak, de pelgrimstocht voor hem te voltooien. Geregisseerd door Emilio Estevez met in de hoofdrol zijn vader Martin Sheen. Terughoudend en liefdevol verteld en in beeld gebracht.

Amour

Wat nog te zeggen over de meeslepende vertelling van Michael Haneke, met prachtige hoofdrollen van oudgedienden Emmanuelle Riva en Jean-Louis Trintignant? Niets meer te zeggen. Kijken. Waarna je zó gevloerd bent dat je een week lang geen andere films meer kunt en wilt zien.

Jagten

Niemand had durven hopen dat Thomas Vinterberg na zijn schitterende Festen opnieuw een meesterwerk kon afleveren. Toch gebeurde het. Jagten vertelt over kleuterleider Lucas die valselijk wordt beschuldigd van misbruik van een 5-jarig meisje, waarna het gehele dorp zich tegen hem keert. Overweldigende cinema met een superieure hoofdrol van Mads Mikkelsen.

Les Neiges du Kilimandjaro

Als sociaal filmer Ken Loach al een evenknie heeft, moet het de Franse cineast Robert Guédiguian zijn. Kleine grote drama’s op de vierkante meter, zoals deze liefdevolle prachtfilm over verraad en verlies, over engagement en generositeit. Guédiguian werkt graag met vaste acteurs die nu ook het verhaal dragen: Ariane Ascaride en Jean-Pierre Darroussin.

Lieve help, ik zou bij nader inzien tíentallen films kunnen noemen. Niet doen. Genoeg zo. Behalve misschien nog deze twee, die ik aan boord van een vliegtuig zag, ik meen op weg naar Vietnam eerder dit jaar. De heerlijke roadmovie Jackie van de Nederlandse regisseuse Antionette Beumer, en de brutaal originele western Django Unchained van enfant terrible Quentin Tarantino.

Tot zover! Volgend jaar nieuwe lijstjes.

JackieDjango Unchained

150. Mark Rutte

Eigenlijk wilde ik het over China hebben, hoe harteloos ze daar met dieren omspringen. En over de Nederlandse politiek. Of beter, over die lapzwans van een premier die we hebben. Komt allemaal een volgende keer, want er kwam iets tussen. Een storm. Terwijl de vorige nog vers in het geheugen lag. Goeie help, wat een ravage richtte die aan, hier en elders. Christian heette die. Die van vandaag gaat anoniem de boeken in. Onverdiend, want West-Europa is in rep en roer. In België en Engeland worden dorpen ontruimd vanwege de monstervloed die vannacht met springtij verwacht wordt.

En hier? Bar was het. Wij maakten ons net zoveel zorgen als een paar weken geleden. Romantisch hoor, dat buiten wonen, maar soms is het afzien. Alles knalde en bulderde, het hongerige beest likte gulzig aan dakranden en bomen en leek zich opnieuw aan de door Christian gemolesteerde schuur te willen vergrijpen. Daar was het complete dak afgevlogen, weet je nog? Zo goed en kwaad als het kon hersteld, waar mogelijk gebruik makend van het oude materiaal. Goed genoeg om de winter door te komen, en in het voorjaar moet er iets nieuws gebouwd. Dachten we. Maar vanmiddag dreigde het toch mis te gaan. Toen die naamloze storm eenmaal goed bezig was leek het alsof het dak opnieuw omhoog kwam. Was ook zo. De zijkanten bleken losgerukt, geen verankering meer in de bodem, de storm kraakte en de spanten hupten omhoog als een wulpse danseres. Dat kon niet lang goed gaan, nog even en de zaak ging op de vleugels, en op een déjà vu zaten we echt niet te wachten. Vastbinden dus. Maar hoe? Waaraan? Brainwave: aan de Landrover! Dat kreng weegt 2400 kilo schoon aan de haak. Stevig touw, en het zaakje zit vast. Was wel sjorren, in neergutsende regen en donder en bliksem, maar het lukte.

_IND7973

Waarom hebben stormen en orkanen eigenlijk namen? In mijn vorige stuk riep ik die vraag ook op. Je kunt ‘m kopen, die storm. Voor een flinke duit krijgt hij je naam. Maar waarom zou je dat willen? Waarom wil je je associëren met een vernietigende kracht? Een raadsel. En wat te denken van mensen die dezelfde namen hebben? Is het leuk om Sandy te heten, als je in Amerika woont? Of Katrina? Toevallig zag ik een uiterst slim en geestig protest hiertegen op Youtube. Waarom noemen we die vernietigende natuurverschijnselen niet naar politici die stelselmatig ontkennen dat er zoiets is als climate change en weigeren mee te werken aan maatregelen die ons kunnen beschermen tegen de mogelijke gevolgen daarvan? Kijken dus. ‘t Is de moeite waard en duurt slechts twee en een halve minuut.

En zo kom ik toch nog bij Mark Rutte, die vermaledijde, goedgebekte premier van ons. Wat een gladde rakker is dat. Gisteren zag ik een deel van het debat waarin hij ondermeer kamervragen moest beantwoorden over de rol van prins Bernhard bij het dwarsbomen van Edwin de Roy van Zuydewijn, voormalig echtgenoot van zijn kleindochter prinses Margarita.

Die rare Roy van Zuydewijn, door vrijwel iedereen weggezet als een profiteur en fantast met z’n beweringen dat hij geschaduwd en afgeluisterd werd door de geheime dienst die dat volgens hem deed in opdracht van Bernhard. Het duurde een tijd, maar het lijkt erop dat Roy van Zuydewijn gelijk krijgt. De Groene Amsterdammer publiceerde vorige week een stuk waarin het voormalig hoofd Dienst Koninklijke en Diplomatieke Beveiliging zegt dat Bernhard daartoe de opdracht had gegeven. En gisteren daarover dus die kamervragen. En wat zegt Gladde Mark? Dat Bernhard een verzoek heeft gedaan tot onderzoek. Geen opdracht, maar een verzoek. Had de dienst dus kunnen weigeren, bedoelde hij daarmee te zeggen. Lariekoek! Niemand durfde Bernhard iets te weigeren. Een verzoek van de koninklijke schuinsmarcheerder stond gelijk aan een opdracht. Maar vriend Rutte maakt van de werkelijkheid een semantisch spelletje en zet Kamer achteloos te kijk met z’n flauwekul.

Het allerergste zagen we gisterenavond in het onvolprezen discussieprogramma van Pauw en Witteman, tijdens de Zapservice. Per traditie een aaneenschakeling van opmerkelijke rariteiten, bijeengesprokkeld door een wakkere redactie. En wie zien we daar? Mark Rutte, die, als hem gevraagd wordt naar het conflict tussen Roy van Zuydewijn en de Oranjes, met een stalen smoel zegt van niets te weten. Een ontnuchterend staaltje ijskoud liegen en vermoorde onschuld spelen. Quasi verbaasd de interviewer aankijken. Conflict? Welk conflict? Sorry, maar geen idee waar u het over hebt.

Als natie moeten we ons collectief schamen dat deze ruggengraatloze druiloor namens ons land op internationale podia optreedt. Weg met die leugenaar! En, vrij naar de Romeinse senator Cato Maior, ben ik van mening dat we de storm van vandaag naar Mark Rutte vernoemen.

Hier het fragment van P&W. http://pauwenwitteman.vara.nl/media/305552. (Waarom ik hier geen plaatje krijg weet ik niet, maar als je op de tekst klikt kom je er ook. Het fragment begint op 00:26.)

149. Christian

Hij heet dus Christian, de storm van gisteren. Vernoemd naar een Duitser, die 199 euro betaalde om zijn naam te mogen geven aan de storm. Het Duitse Institut für Meteorologie bedacht in 1954 een systeem Europese stormen een naam te geven en er een zakcentje aan over te houden. Dit jaar hebben ze naar eigen zeggen al 40.000 euro verdiend met de verkoop van namen. Niet alleen aan stormen, maar ook depressies (€ 199) en hogedrukgebieden (€ 299). Die zijn duurder omdat ze langer op de weerkaart blijven staan. Wonderlijk. Waarom zou je je naam willen geven aan iets dat een spoor van vernieling trekt? Raar ding, ijdelheid.

Dat het kreng Christian heette wisten we gisteren nog niet toen ‘ie op ons afkwam. Zou ons ook een zorg zijn, die naam. Wat hij zou aanrichten, daar ging het om. Hoeveel schade dit keer? Dat we er niet ongeschonden uit zouden komen was op voorhand duidelijk. We wonen, zoals het hier heet, ‘op de ruimte’, de flank van het huis pal zuidwest. ZFR storm 2004 Kilometers vrije ruimte, het huis van de buren zonder verrekijker nauwelijks te zien. Wat je wel ziet aankomen is donderend onheil, dat zich samenpakt boven de einder en zonder omhaal op je afkomt.
Zo gebeurde het ook in 2004, toen op een mooie dag in juli opeens een freakstorm over ons heen rolde. Vier gigantische bomen, wortelend in de slootrand, konden met hun dik gebladerte de wind niet de baas, gingen om en vielen pardoes op ons dak. Later zagen we het op de weerkaarten terug: het rode oog van de storm exact over ons huis. Een persfotograaf uit het naburige Lemmer, door de lokale krant opgetrommeld om een foto van de rampplek te maken, vroeg verbaasd of het gestormd had. Tien kilometer verderop in Lemmer was er niets van te merken geweest. ‘Paar kruipt door oog van de naald’, aldus de onvergetelijke kop die boven het artikel stond. We leerden een harde les. Buiten wonen, hoe romantisch ook, had onverbiddelijke consequenties.

In de bijna twintig jaar die we hier nu wonen zijn heel wat stormen over ons huis geraasd, maar geen zo dreigend als die van gisteren. Een merkwaardige machteloosheid maakt zich van je meester. Wat te doen? Het komt, daar helpt geen moedertjelief aan. Dus zo min mogelijk losse dingen rond het huis, kwetsbare potplanten gauw naar de windluwe achterkant sjouwen en dan maar afwachten. Rond elf uur begint het aan te wakkeren, het loeit en kraakt. Nog even naar de ezels, die onrustig een goed heenkomen zoeken in de stal, oren gespitst. De kippen houden we binnen, het zal niet de eerste keer zijn dat er een in de sloot geblazen wordt en jammerlijk verdrinkt. Even buienradar checken. Om 11:40 is het bijna windkracht tien.

storm 1140

Het geluid van de storm is zo overweldigend dat we niet horen wat voor vernielingen worden aangericht. Hoe kraakt een omvallende boom? Het gaat verloren in ziedend geraas. Tussendoor nog een keer naar de dieren, kijken hoe het ze gaat. We kunnen nauwelijks op de been blijven, in een rare hoek hangen we voorover tegen de storm, hij rukt gulzig aan lijf en kleding. Als we niet zo bezorgd waren om huis en haard zou het een avontuur zijn, maar er staat teveel op het spel. In de stal staan ezels en geiten met gespitste oren, ze zijn bang maar de stal is veilig. We worstelen terug naar huis, de storm zwiept en geselt, niets kunnen we doen, laat maar gebeuren.

Tien minuten later vliegt het complete dak van de schuur waar we gereedschappen, maaimachines, hooi en stro bewaren. De hele santenkraam rukt los, slaat over de kop en landt in de kippenren. Golfplaten vliegen rond, dakspanten en muurplanken scheuren doormidden, elektriciteitskabels worden losgerukt, een boom scheurt krakend uit z’n voegen en slaat neer op het kippenhok. Het inferno is over ons gekomen. Ontredderd kijken we naar de vernieling. Wat te doen? Niets. Neem nog maar een kop thee, pak een boek, laat de woede daar buiten uitrazen.

Als het ergste voorbij is nemen we poolshoogte. Vijf bomen ontworteld, als door een reuzenhand door midden geknakt. De kippen hebben het gelukkig overleefd. Verbaasd scharrelen ze tussen de brokstukken. Hoog in een boom hangt een verwrongen golfplaat, losgerukt van het kapseizende schuurdak.

Ik bel Eric en Chris, na zoveel jaar hebben we een vertrouwde kring, ze zeggen meteen toe te komen en vandaag hielpen ze de ergste schade op te ruimen, stammen in mootjes zagen, elektriciteitskabels herstellen. Het ergste is opgeruimd, een deel van de gevallen bomen laten we liggen tot het winter is, dan gaan we zagen en hakken, en Eric, de man die alles kan, heeft de stroom hersteld zodat er licht is bij de stal. Wat fijn, te weten dat je er als het erop aankomt nooit alleen voor staat.

Ontreddering, dat is wat ik voelde met al die vernieling. Maar ik dacht ook, al was het alleen al om mijn eigen onrust te bezweren: wat nou, dit is niets vergeleken met de ellende die de mensen in onze wijk Nagwa in India doormaakten toen de rivier laatst zo hoog stond, huizen onder water, alles kwijt. En wij? ‘n Paar bomen en een schuur, kom op zeg. Maar toch. Klote Christian.

Storm1_IND7949

Storm2_IND7950

Storm3_IND7952 15.22.18

Storm4_IND7954

Storm5_IND7957