130. Bultrughypocrisie

Eerder deze week maakte Van Dale Woord Van Het Jaar 2012 bekend. Project X-feest. Betekenis: een feest dat enorm uit de hand loopt omdat er veel gasten komen die via sociale media zijn uitgenodigd.

Beetje raar eigenlijk, ruim vóór het verstrijken van het jaar de zaak al beklonken hebben, alsof de wereld die laatste twee weken van december op hold staat. Toch gebeurt het met regelmaat. Zo konden de samenstellers van het Jaarboek 2006 zich wel voor de kop slaan toen hun boek ruim voor kerst al in de schappen lag en op 30 december Saddam Hoessein werd opgehangen. In 2003 ging het ook mis, de boeken lagen al in de winkel toen op 26 december de Iraanse stad Barn door een aardbeving verwoest werd en 43.000 mensen het leven verloren. Het jaar daarna, opnieuw de 26e december, sleurde de tsunami 200.000 mensen de dood in. En het jaarboek? Inderdaad. Alsof het niet gebeurd was.

Nu wil ik het qua nieuwswaarde niet vergelijken met de executie van een bloeddorstige dictator of allesverwoestende natuurrampen, maar toch vind ik dat Van Dale te vroeg was met de bekendmaking van het Woord van het Jaar, want beter hadden ze kunnen kiezen voor bultrughypocrisie. Want lieve help, wat hébben we meegemaakt de laatste dagen, met die onfortuinlijke walvis die op de Razende Bol aanspoelde. Dat het dier reddeloos was, wist iedereen. Het feit dat hij aanspoelt zegt al genoeg. Er is iets mis, het dier is ziek, zwak, het oriëntatiesysteem in de war, en dan ligt daar twintig ton machteloos vlees op het zand en is ten dode opgeschreven. Want dat het zal sterven weet iedereen, het gebeurt constant, overal, Nieuw Zeeland, Tasmanië, elk jaar opnieuw en niemand weet waarom. Soms zijn de dingen gewoon zoals ze zijn, en is er geen verklaring. Maar het is alsof we dat niet willen accepteren. Een raadselachtige tunnelvisie. Misschien omdat het dier zo groot is? Zo’n hulpeloos beest maakt iets raars in ons los, een collectieve morele verontwaardiging, Srebrenica was er niets bij. Als we daar al een mening over hadden. Wat nou, duizenden Bosnische moslims. Nee, dan een bultrug! Massaal staan we op en roepen ach en wee, het dier moet gered! We geven hem een naam, Johannes, en als hij uiteindelijk toch de geest geeft roepen we moordenaars! De sociale media staan roodgloeiend, er wordt getwitterd dat het een lieve lust is, het ene commentaar nog zotter dan het andere. ‘Een uniek individu dat zo graag wilde leven is harteloos omgebracht‘ jammert iemand, en een ander heeft uren zitten janken, want ‘de arme bultrug heeft zich zo lang aan het leven vastgeklampt, de dood was niet nodig.’ Alsof het hele land in een extra voorstelling van het cabaretgroepje Waan van de Dag is terechtgekomen.

Begrijp me goed, van mij had dat beest ook langer mogen leven. Wat was het prachtig geweest als ‘ie met een machtig zwiepen van z’n staart zeewaarts was gezwommen, de vrijheid tegemoet. Want dat gunnen we zo’n dier, vrijheid. Toch? Daarom is het belangrijk dat we kijken naar die koortsachtige opwelling van dierenliefde die over het land spoelt. Een rariteit van jewelste, want intussen gaat het dagelijkse leven rond om ons heen gewoon door en daar hoort massale exploitatie van dieren bij. Dát is de werkelijkheid waar de Vrienden van Johannes de ogen voor lijken te sluiten. Want anno 2012 is het dier, in de geest van Descartes, in de meeste gevallen nog steeds niet veel meer dan een machine, een middel voor doeleinden van de mens.

Vorige week werd vlak bij ons in de buurt een nieuwe varkensstal geopend. De varkenshouder heeft jarenlang moeten procederen om de mega-stal voor 1200 fokzeugen te mogen bouwen. Hij had er al drieduizend, maar als je de prijs van je product laag wilt houden moet je massaal produceren om de zaak draaiend te houden. Nauwelijks was de vergunning rond of de eerste paal ging de grond in en vorige week was het zover. Een open dag voor buurtbewoners. Het zag zwart van de auto’s, honderden meters lang stonden ze in de modderige berm langs de dijk. Binnen in de schuur, formaat voetbalveld, eindeloze rijen hokken en kooien, een aparte afdeling waar de zeugen, vastgeklemd in ijzeren beugels, kunstmatig geïnsemineerd worden en een lange aaneenschakeling van afgeschotte hokken waar de zwangere dieren in kleine groepen gehuisvest worden. Zijn de biggen eenmaal geboren worden de zeugen wekenlang vastgezet in kooien waarin ze geen centimeter bewegingsruimte hebben, opdat ze hun kleintjes niet pletten. Tijdens de open dag was er trouwens geen varken te zien. Die komen later, er mag geen publiek van buiten bij om besmetting te voorkomen. Ik zeg niet dat de varkens het daar slecht hebben, ze hebben meer bewegingsvrijheid dan vroeger, maar nooit zien ze daglicht, nooit komen ze buiten, behalve die ene keer als ze worden ingeladen om naar het slachthuis te gaan. Het is en blijft massa-industrie.

Wat is dat toch, met die relatie mens-dier? Ik breek er al zolang ik mij heugen kan het hoofd over. We knuffelen en koesteren honden, poezen, pony’s en bultrugwalvissen, maar het zal ons een rotzorg wezen als fok- en vleesvarkens hun miserabele bestaan in kooien slijten waar ze hun kont niet kunnen keren en kippen elkaar uit pure zielennood doodpikken omdat ze de paar maanden van hun ellendige leven met z’n achten of tienen een leefruimte hebben ter grootte van een krantenpagina. wakkerdier_plofkipEn dat alles omdat de consument een goedkope bout wil. Wel eens geprobeerd, die krant? Leg hem op tafel, sla hem open en ziehier: de leefruimte van acht kippen.

Ik ben geen vegetariër, Mirjam ook niet. Misschien horen we bij de categorie ‘vleesverlaters’. Soms eten we vis, of een stukje vlees. En als we het doen, dan ook meteen het allerbeste. Geen vlees van dieren die nooit buitenlicht hebben kunnen zien, geen kiloknallers van de supermarkt waarvan je weet dat het een met antibiotica volgepropt, halfziek vleeskuiken is van ternauwernood zeven weken dat niet eens op zijn eigen pootjes kan staan. kip AH 1200 grSchandelijker dierenmisbruik kan ik me nauwelijks voorstellen, daar doen we niet aan mee. Neem nou zo’n kip van € 5,75. Waar zit de winst? Wie moet daar aan verdienen? Precies, iederéén moet er aan verdienen. Wat voor bestaan zo’n kip gehad heeft laat zich raden. Uitgebuit vlees. Dat eet je toch niet? En jaarlijks worden er in ons land 450 miljoen van die opgeblazen zielepoten over de kling gejaagd. 450 miljoen! Niet iets om trots op te zijn.

Dus halen we, als we daar trek in hebben, een kip bij een andere buurman, bij het weidevleesbedrijf De Kempenaer van Jaap Frerichs, die op een steenworp afstand van ons huis varkens, koeien en kippen houdt. Geen grote aantallen, met veertig, vijftig varkens heb je het wel, een enkele koe en een kleine honderd kippen die vrij rondscharrelen Varkens3op het land en tussen de houtwallen waar ze tot maar liefst zes maanden oud morgen worden. Maar het moet wel wat kosten, het moet tenslotte ergens vandaan komen. Gisteren haalden we een kip van 2,5 kilo voor € 28,-. Bijna drie keer zo duur als die knalkip van de supermarkt. Maar dan heb je ook wat! Eerlijk vlees noemen we dat. En mooi hoor, zo’n rommelstal waar je gewoon naar binnen kunt om de varkens te zien, Jaap is niet bang voor besmetting, want z’n beesten lopen gewoon buiten, zomer en winter, met de neus diep wroetend in modder of sneeuw. Die kunnen wel tegen een stootje.

Varkens2

Wie hier ooit in de buurt is raad ik van harte een bezoek aan De Kempenaer aan. Hier is de website. Even bellen voor een afspraak. En je betaalpas meenemen, Jaap heeft een vriezer vol prachtig vlees, denk maar niet dat je daar met lege handen vandaan gaat.

En intussen pleit ik voor Bultrughypocrisie als volgend Woord van het Jaar, met Bultrughysterie als goede tweede. Of toch liever een bestaand woord opnieuw in de etalage zetten? Dat moet soms, omdat de mens tot vergeten neigt. Ja, doen we. Dierenrechten.

129. Oog en Hart

Het duurde langer dan aangekondigd, dit derde en laatste stuk over Vietnam. We zijn bijna op de kop af een jaar verder, maar zoals dat gaat, er kwam van alles tussen. Argentinië, om maar iets te noemen. En Frankrijk. En thuis. Omdat Mirjam as we speak weer volop in ons revalidatiecentrum in Noord-Vietnam aan de slag is geweest (morgen komt ze thuis), is dit het aangewezen moment om het verhaal te voltooien. Als je je geheugen wilt opfrissen, herlees dan eerst Steen en Rimpels van vorig jaar december

Waar waren we gebleven? We gingen op zoek naar een patiëntje in een afgelegen dorp hoog in de bergen. Een urenlange hobbeltocht over rampzalig slechte wegen. Niets dan stof, er wordt hier hard gewerkt aan het wegennet, maar soms wordt het werk om onduidelijke redenen stilgelegd, niemand weet waarom, en intussen zitten de dorpelingen maandenlang in het stof, hun wereld gaat schuil onder een grijswitte laag en elke passerende auto voegt daar een nieuw laagje aan toe. Zo ook de onze. Niet zonder schaamte kijk je door de achterruit naar je opwolkende kielzog. Als we niet lang daarna een rivier moeten doorkruisen is de chauffeur allang blij. Gratis wasbeurt.

klik op de foto’s voor groter beeld.
water crossing_IND4971

Wat het interessant maakt is dat het een voor buitenlanders streng verboden grensgebied is met China, toeristen zal je hier niet zien, je kunt er alleen komen met speciale papieren. Of, zoals wij, in gezelschap van iemand van het volkscomité. Niet dat overal barricades waren en controlerende mannen, als een soort DDR, maar goede gewoonte is dat je je, op je bestemming aangekomen, meldt bij het lokale comité. Die wijst dan een jongeman aan die je de rest van de dag gezelschap zal houden. Niet als waakhond, nee. Zie het als een gastvrije geste.
Grensgebied! waarschuwt het eerste bord in drie talen. Op het tweede staat Regels voor de grensgebieden. Het zijn er een heleboel, je zou moeten uitstappen om ze te lezen. Doen we niet. We karren door.

grens-_ind5012

De weg kruipt over bergkammen langs soms akelig diepe kloven en ravijnen. Rijstvelden, gehuchtjes, niet meer dan een handvol huisjes her en der tegen een helling geplakt als uit een omgekieperde blokkendoos. Soms stuiven kinderen uit het struikgewas de weg op en rennen met de auto mee. Klinkt gevaarlijker dan het is, hard rijden doe je niet, kan niet, de weg is smal en vol gaten, vaak inhalers of tegenliggers, je rijdt twintig, hoogstens dertig, maar kinderen zijn kinderen, overal ter wereld, ze zwaaien en roepen en blijven achter in je stoffige kielzog. Heel even zie je hun leven, een glimp. Dan verdwijnen ze uit hoofd en zicht.

Soms zijn dorpjes groter, en brandschoon. De weg is keurig geasfalteerd, geen stofje te zien, behalve misschien pal langs de weg waar geulen uitgehakt zijn, er worden kabels gelegd, hier kent de wereld groei en vooruitgang. Doodstil is het. We stappen uit bij een restaurantje waarvan het bord aan de weg vraagt of we dorst hebben. Sommige woorden krijg je snel onder de knie, ik lees bía (bier), kem (ijs) en sua chua, yoghurt. Maar een biljartkeu? Nergens te vinden. Terwijl je je toch geen mooiere lokatie voor een potje snooker kunt indenken dan hier, in de frisse lucht met de vrolijk wapperende rode vlag met gele ster. Wat die betekent? De vijf punten symboliseren de arbeiders, boeren, intellectuelen, handelaren en soldaten in hun gezamenlijk streven naar socialisme. Overal zie je hem, tot in de kleinste gehuchten, aan gevels, bomen en masten. Maar of iemand hem nog ziet? Als iets teveel is, verliest het aan waarde.

Biljart_IND4781

Dan, in een dorpje waarvan ik de naam allang weer vergeten ben, is het hommeles. Er is markt, bergbewoners brengen hun waar aan de man, de straat is aan weerszijden volgepropt met tafels en rekken kleding. En dan opeens twee vrachtwagens die elkaar tegemoet komen. De wet van logica zou zeggen dat een van hen terugrijdt, hoe moeilijk kan het zijn, gewoon in je achteruit en dan een passeerplekje zoeken. Maar nee. De chauffeurs worden bevangen door een innerlijk dictaat dat rommelt en gromt en doorgaan! roept. Uiteindelijk lukt het, ze hebben dit varkentje vaker gewassen, maar kijk eens hoe krap, de lading schuurt onderlangs het afdak, het gaat maar nét goed.

Passeren_IND5117

Iets verderop, nog steeds in hetzelfde dorpje, kijken marktvrouwen ons in opperste verbazing aan. Nee, veel buitenlanders zullen ze hier niet zien, of zij komen niet vaak uit hun bergdorpjes, kan ook. Met de hand voor het gezicht staan ze als aan de grond genageld. Een wonderlijk gebaar, die hand. Geen idee waarom we het doen, eigenlijk hoort er geluid bij, een kreet, elkaar aanstoten, kijk nou! Sommige gebaren zie je overal, het verenigt ons. Dat stelt gerust.

Verbazing_IND5031

Maar sommige dingen verenigen niet. Integendeel, die zaaien verdeeldheid en onbegrip. Zoals de honden die hier te koop worden aangeboden. Niet om mee te wandelen, maar om te eten. Het overstijgt de rariteit, dit doet bijna fysiek pijn. Nee, aan sommige dingen zal je nooit wennen, hoe lang je ook door Zuidoost-Azie reist. De gebakken mieren en vogelspinnen in Cambodja, kevers en wormen in Thailand, bevruchte eendeneieren hier in Vietnam. daar griezel je van, maar het blijft afstandelijk, want een rariteit. Maar dit, een kooi vol honden, sommige nog puppy’s, dat die straks in de pot gaan gaat je verstand te boven. En dat het morele dilemma: in hetzelfde hok zitten hanen en kippen. Ook voor de slacht. Dat is dan weer iets anders, dat snap je dan nog wel. Wat dus ónzin is. De oude discussie, ik weet het, laat maar, we komen er toch niet uit.

HansdeClercqVN3

Maar we gingen hierheen om een patiëntje te zoeken. Een meisje met een ernstige aandoening aan haar oog. Soms financiert onze stichting speciale oogkampen, dan komen van heinde en verre patiënten in de hoop dat ze geholpen kunnen worden. Tragisch soms, dan zijn ze stekeblind en koesteren de hoop dat er iets gedaan kan worden, dat ze naar huis worden gestuurd met nieuwe ogen, nieuw zicht. Onze artsen zijn kunstenaars, maar helaas, dat kunnen ze niet. Wat ze wél kunnen bij dit soort patiënten is kunstogen plaatsen. Ze blijven blind, maar voor de buitenwereld zien ze er normaal uit. Zo ook dit meisje. Maar helaas, ze bleek onvindbaar. We kenden haar van een eerdere gelegenheid, toen kon door omstandigheden de operatie niet doorgaan, en nu we haar wilden ophalen was ze weg. Een hele zoektocht, we vroegen dorpelingen waar ze woonde, een drukte van belang, iedereen boog zich over de foto, rechts zie je Dong An, onze counterpart uit Hanoi met wie we samenwerken. De vrouw links is de functionaris van de communistische partij, de mannen daarachter zijn van het lokale comité. En iedereen roept en wijst en kakelt en intussen kijkt het jongetje links in de lens, ziet een man met een zwart kastje voor z’n oog, even later zal hij het meisje naast hem aanstoten, kijk nou toch, en dan in verbazing de hand naar het gezicht.

Meisje zoeken_IND5081

Uiteindelijk vonden we het huis waar ze woonde. Hoog in de bergen, onmogelijk te bereiken met de auto, een smal geitepaadje kronkelde omhoog. Hoe nu verder? Lopen? Toen bleek het nut van de mannen van het comité. Telefonisch werden hulptroepen opgetrommeld, jonge lefgozertjes met bromfietsen waar we achterop klommen. Vol gas stuiterden ze knetterend de berg op langs kloven waar diep beneden de rivier stroomde. Angstig klemden we ons vast aan hun jonge ruggen, maar bergvolk weet wat het doet en oefening baart kunst. Eenmaal aangekomen bleek het meisje onvindbaar. Niemand wist waar ze was. Hout sprokkelen, zei iemand. Ze wil niet meer, zei de ander, ze durft niet meer. Onverrichterzake keerden we terug, de berg af.

bergdorpje_IND4980

Gelukkig konden veel andere patiënten wél geholpen worden. Op de website van Mirjam zijn nog een paar foto’s te zien. Kijk nou toch, deze meisjes. De verandering is verbluffend, en goedbeschouwd zo simpel. Daarom nog maar een keer: het voortbestaan van onze stichting is zó belangrijk. We doen veel, in India en Vietnam, en we willen daar mee doorgaan zolang het kan. Stichting Duniya. Bankrekening 44.16.24.383. Of nog makkelijker, met één enkele klik via iDeal.

Dank!

before-after2

128. When I’m Sixty-Four

Ik heb hem nog, de langspeelplaat Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Achttien was ik, toen hij in de zomer van 1967 uitkwam. Ik was geen uitgesproken fan van de Beatles. Gaf mij maar de Stones. Zo was dat in die dagen, een merkwaardige waterscheiding, het was óf de een of de ander. Maar deze LP ontsteeg die benauwdheid, hij was té mooi. Niet alleen de plaat zelf, de prachtige songs, maar ook de hoes. Een zoekplaatje was het, zoiets hadden we niet eerder gezien. De vier Beatles en pal achter hen een hele menigte beroemdheden. Albert Einstein, Jane Mansfield, Karl Marx, W.C. Fields, Tony Curtis, Dylan Thomas en als je goed keek zag je uiterst links ook nog drummer Pete Best, die uit de band werd gegooid vlak voordat ze beroemd werden, waarop de arme drommel zelfmoord pleegde. Of de fotocollage een diepere betekenis had wisten we niet, maar zo’n plaat móest je hebben. Op de achterkant ook nog ‘This is a mono recording. A splendid time is guaranteed for all.’ Een grap? Je wist het maar nooit, met die drommelse jongens uit Engeland.

Een paar weken nadat ik de plaat gekocht had vertrok ik voor studie naar Duitsland. Turbulente jaren, vooral 1968 was bizar. De Amerikaanse oorlog in Vietnam escaleerde, in januari werd de wereld opgeschrikt door het Tet-offensief. In mei de studentenrevolte in Parijs, in juni werd Bobby Kennedy vermoord en in augustus maakten Russische tanks een einde aan de Praagse Lente van Alexander Dubček. De wereld stond in brand, maar in mijn studentenkamer was het vredig, daar wachtte mijn oude Garrard grammofoon, zo’n draagbaar ding met de luidspreker in het deksel, en draaide ik ‘s avonds mijn langspeelplaten. Waaronder Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band. Het opwindendste nummer was natuurlijk het avantgardistische A Day in the Life, met dat denderende slotakkoord. En het lieflijkste nummer? Dat moet When I’m Sixty-Four geweest zijn.

Paul McCartney schreef het tijdens de Hamburgse jaren, toen hij 16 jaar was. Voor wie het niet kent: het is een vrolijk, up-tempo liefdesliedje, waarin een jongeman zijn geliefde vraagt of ze nog van hem zal houden als hij 64 is. Want oei, dát is oud! Hij schetst een afschrikwekkende oude dag waarin algehele aftakeling onafwendbaar is. Voor wie het niet kent, het eerste couplet gaat zo:

When I get older losing my hair,
many years from now,
Will you still be sending me a valentine,
birthday greetings bottle of wine?

en iets verder:

You can knit a sweater by the fireside,
Sunday mornings go for a ride.
Doing the garden, digging the weeds,
who could ask for more?
Will you still need me, will you still feed me,
when I’m sixty-four?

Zo zag volgens een 16-jarige het leven er dus uit als je 64 bent: ‘n kale kop, beetje onkruid wieden, een trui breien bij de kachel en op zondagen een ritje door de buurt. Nee, het is geen florissant plaatje dat we voorgeschoteld krijgen. Vierenzestig, dames en heren, het einde van de rit.

Vandaag ben ik zelf aan de beurt. Jawel. Nog één jaartje doorbijten en dan AOW. En ik zal het weten ook, van alle kanten wordt het me ingepeperd. De Sociale Verzekeringsbank heeft me het afgelopen jaar bestookt met brieven, ik weet nu al precies hoeveel ik vanaf volgend jaar november aan staatssteun krijg. Ook de gemeente is bezorgd om mijn welzijn, de brochures over ouderengymnastiek en praatgroepen ‘om de eenzaamheid te verdrijven’ druppelen binnen. Dat doen ze overigens al sinds enkele jaren, naar gemeentelijke maatstaven ben je al vanaf 55 een zorgenkindje. Ronduit deprimerend was een enquête van de GGD Friesland. Of ik die wilde invullen en zodoende de ouderenzorg in onze provincie helpen te verbeteren. Natuurlijk, waarom niet. Daar ging ik. Of ik nog licht huishoudelijk werk aankan, welke kalmeringsmiddelen ik slik, of ik gebruik maak van een rollator en of ik nog zelfstandig naar de winkels kan. Aanvankelijk werd ik er een beetje lacherig van, maar na de vraag of ik wel eens zelfmoord overwoog en zo ja met welke frequentie, heb ik de enquête in de prullenmand gemieterd. Kom op zeg. Wat moet je nou met zo’n doorgeschoten zorgstaat, waar ze je het verval aanpraten?

Paul McCartney had het mis. Kale kop? In de tuin klungelen en zondagse ritjes? Doe me een lol. ‘n Beetje strammer dan toen ik een veertiger was, maar nog steeds volop energie en meer plannen dan ik zal kunnen waarmaken. Onzin dus. Ik vermoed dat de jonge McCartney dat Sixty-Four vooral gekozen heeft omdat het qua ritme goed uitkwam. Seventy-Four had een lettergreep teveel, en Eighty-Four? Laten we niet te ver vooruitlopen. Eerst dit. ‘t Is mooi genoeg zoals het is.

Aan het werk dus, aan het werk! Mirjam! Grmmmpf. Waar is ze? Die dekselse meid, vandaag is ze op het vliegtuig naar Vietnam gestapt. Ben ik mooi klaar mee. Heeft ze m’n rollator weer verstopt.

127. Op de shortlist!

Aanvankelijk stond hier Exsultate, jubilate! boven, maar ik was bang dat het misschien iets te ronkend klonk en verving het door een andere, iets bescheidenere jubel. Ook uit het hart, maar toch nét iets minder. Misschien verander ik het weer terug, want goedbeschouwd was er niets ronkends aan. Het omschrijft precies wat we voelden, toen gisteren rond een uur of vier in Eindhoven de nominaties werden bekend gemaakt en bleek dat Mirjam in de prijzen was gevallen.

Want dat is wat er gebeurd is. Street Food India staat op de shortlist van twaalf titels die gekozen werden uit maar liefst 82 inzendingen. In totaal zijn er vier categorieën, Mirjam doet mee in de groep ‘Beste Initiatief’, waar ze het moest opnemen tegen 22 andere titels, waaronder Paul McCartney en Paul de Leeuw. Geduchte publiekstrekkers waarvan we dachten dat die alleen al op hun naam een nominatie in de wacht zouden slepen, maar het tegendeel bleek waar.
Waren we nerveus? Ja, dat waren we. Want het was een achtbaan waarin we terecht waren gekomen. Eind september rolden de boeken van de pers, op 3 oktober werd het officieel ten doop gehouden en krap drie weken later krijgen we te horen dat Mirjams boek genomineerd is en meedoet aan de laatste ronde van Kookboek van het Jaar 2012….

Wat zegt de jury? ‘Niet groot in omvang, wel groot in idealen; een verrassend boek met een good feeling-gehalte. Mooie en inlevende reportages, omlijst met goede recepten die deugen, uit een deel van de wereld dat we misschien culinair kennen, maar waarvan de armoede vaak buiten ons blikveld blijft.’ Lees hier het volledige juryrapport.

Ik geloof niet dat we veel gehoord hebben van de andere nominaties. Op het podium gingen ze verder, een voor een werden de genomineerden genoemd en werd de beslissing van de jury toegelicht, maar wij zaten als in een koorts in onze eigen cocon en in ons hoofd hamerde de zich herhalende mantra: she did it!
Daarna moest Mirjam zichzelf oprapen en serieus aan de slag. Handen schudden, mede-genomineerden feliciteren, op de foto met haar boek en een wervend praatje improviseren voor de camera voor een promotie filmpje dat aanstonds te zien zal zijn op een website waar alle genomineerden aan het woord komen en waar gestemd kan worden wie de Gouden Garde Publieksprijs 2012 krijgt, want die blijkt er ook nog te zijn. Waar die filmpjes te zien zullen zijn weet ik nog niet, maar ik zag zojuist dat er nu al gestemd kan worden, dus doe dat vooral! Klik hier om naar de website van Kookboek van het Jaar 2012 te gaan, dan zie je rechts de kolom waar je kunt stemmen. Scroll omlaag in de rubriek ‘Welk boek’ waar de genomineerden op alfabetische volgorde staan en klik Street Food India aan. Tenzij je op een andere titel wilt stemmen natuurlijk… Maar dan weten we je te vinden!

Geef toe: het ziet er schitterend uit, zo’n sticker op je boek. Het rood vloekt een beetje met het prachtige logo van Street Food, maar een kniesoor die daar op let. Iedereen die vanaf nu een boek bestelt krijgt het met sticker geleverd. Dan weet je wat je in huis hebt: een genomineerde voor de titel Kookboek van het Jaar 2012. Uitslag pas in januari, dus voorlopig kunnen we ons verheugen op wat (hopelijk) komen gaat. Meer afzet, contact met uitgeverijen en boekhandels, het circus mag losbarsten. Intussen maakt Mirjam ook nog een kans in de race voor het meest duurzame boek van 2012 én de ELLE Eten Fotografie Award.

Maar voorlopig hebben we iets anders te doen: we gaan stickers plakken. En vanavond nog een sprankelend glas op de nominatie. Die Mirjam dubbel en dwars verdiend heeft. Want wat heeft ze een prachtig boek gemaakt!

126. Eenmaal, Andermaal

Hoogste tijd voor een beetje reclame voor de eigen winkel. Hoewel, eigenlijk die van Mirjam, want haar geesteskind, maar toch ónze winkel want hier geboren en in eigen beheer uitgegeven: Street Food India.

Eerder deze maand hielden we Mirjams prachtige boek officieel ten doop in Amsterdam, met als tagline ‘Dit boek is om op te vreten’. Vonden ook veel genodigden, want het ging grif van de hand. Wat het zo bijzonder maakt? Niet per se dat de recepten vegetarisch zijn, ofschoon dat wel een interessant pluspunt is. Nergens ter wereld is het vleesloze eten zo gevarieerd als in India, en de recepten bieden dan ook een breed scala aan kostelijk voedsel. Maar het is de persoonlijke touch die het boek uniek maakt. Weergaloos mooie fotografie, elke pagina opnieuw een verrassing. Daarnaast zijn door hele boek kleine ‘wist je dat’ kaderteksten gestrooid om de lezer nóg meer inzicht te geven in die wonderlijke wereld die India heet. En zoiets kan natuurlijk alleen als de auteur vertrouwd is met het land, de cultuur, de lokale cuisine en de families waar Mirjam kind aan huis is en veel van de recepten optekende. Als je zo te werk gaat krijg je prachtige persoonlijke pagina’s waar kinderen uit de sloppenwijk Nagwa, waar onze stichting Duniya al jaren actief is, vertellen wat ze het lekkerst vinden. Natuurlijk gevolgd door het recept. Aandoenlijke miniatuurtjes levert dat op. Zoals de twaalfjarige Nisha die verzot is op geroosterde kikkererwten. Waarom? Omdat ze het zelf goed kan klaarmaken en het bovendien een stevige maaltijd is voor haar vader, die de kost verdient met de fietsriksja. Anshu, een negenjarig schoffie uit Nagwa die gek is op aamlet (omelet) met ui en chili, of Bobby, die donderdag en zaterdag de fijnste dagen van de week vindt omdat ze dan op de school van Duniya Education een ei krijgt…

Een boek in eigen beheer uitgeven is een niet gering avontuur. Om te beginnen moet je vertrouwen hebben in je product. Nogal wiedes. Maar je moet óók het geloof hebben dat je het in de markt kunt zetten zoals het in jargon heet. En dat zou wel eens lastig kunnen worden, want we doen het vanuit huis, we zijn ons eigen distributiecentrum, en toen de levering kwam was het wel even schrikken. Kwam er een vrachtwagen het erf oprijden met drie overvolle pallets. Nu staan de dozen hoog gestapeld in de gang van onze studio. Tweeduizend boeken, bijna honderd dozen, maar inmiddels is de voorraad voorzichtigjes aan het slinken, de eerste week moesten we dagelijks naar het postkantoor, soms alleen een bescheiden stapeltje, daags erna een karrenvracht. Nu is het iets minder, maar bijna elke dag gaan we naar het postkantoortje in het naburige dorp en ook vanmiddag gaan er opnieuw vijf pakketjes de deur uit. Mooi gevoel, als je boek de wereld in gaat. Nog mooier als het een prominente plek krijgt in de etalage, zoals hier in boekhandel Minerva in Amsterdam. En het allermooiste als Mirjam ‘s ochtends haar e-mail opent en reacties leest. ‘Een pareltje!’ ‘Informatief en ontroerend!’ Veel mensen ook die lieten weten nog diezelfde dag aan de slag te gaan in de keuken. En daags erna berichten hoe heerlijk het gesmaakt had. Ja, dat zijn mooie momenten.

Voor wie het niet weet: 50% van de opbrengst gaat naar het voedselprogramma van Stichting Duniya. Zoals op de achterkant van het boek staat: Van elk verkocht boek profiteren de kinderen uit de sloppenwijk die bij Duniya niet alleen gratis onderwijs krijgen, maar ook een dagelijkse warme maaltijd. Simpele rekensom, toch? Jij lekker eten, zij lekker eten.Tijdens de presentatie in Amsterdam, nu alweer bijna drie weken geleden, probeerden we nog meer extra geld binnen te halen voor het voedselprogramma door foto’s te veilen. Tien schitterende foto’s uit het archief van Mirjam, die we met aanzienlijke korting hadden laten afdrukken bij onze vaste leverancier, Fotolab Kiekie in Amsterdam. Een spannende gebeurtenis, temeer daar ik mocht optreden als veilingmeester. Een enkele foto was zó gewild dat partijen tegen elkaar bleven opbieden, andere foto’s gingen voor nauwelijks meer dan de maakprijs van de hand. Zo leerde ik dat veilingmeester een lastige klus is. Als de bieding vastloopt, hoe krik je het op? Hoe maak je de mensen enthousiast? Soms lukte het, soms ook niet, maar in alle gevallen kon ik bij elke verkochte foto de magische woorden spreken: eenmaal, andermaal…

Dit alles drie weken geleden. Hoe ziet het er nu uit? Spannender kan haast niet, want Mirjam heeft haar boek ingestuurd voor de jaarlijkse Kookboek van het Jaar competitie, en morgen gaan we naar Eindhoven waar de nominaties bekend worden gemaakt. Er zijn vier categorieën, en Street Food India doet mee in de groep Beste Initiatief. Bovendien dingt Mirjam mee naar een nominatie voor het meest duurzame boek van 2012 en alle inzendingen komen in aanmerking voor ELLE eten’s Fotografie Award. Stel je toch voor dat ze genomineerd wordt. De competitie is enorm, aan winnen denken we niet eens (uiteindelijk moet ze het opnemen tegen giganten als Paul McCartney en Paul de Leeuw…) maar om op de shortlist te komen met een nominatie…

Spannend! Jullie horen spoedig hoe het is afgelopen. En wie het boek nog niet heeft en het wil bestellen? Klik bovenaan op de afbeelding van Street Food India of ga hier rechtstreeks naar de webwinkel. En denk er aan: 50% van de opbrengst gaat naar het voedselprogramma voor de kinderen van Nagwa!

125. Waarom Ik (ook) Geen Voetbal Meer Kijk

Tijdens een feestje onlangs in Groningen (nee, niet het uit de hand gelopen Facebookfeestje in Haren, maar in Groningen stad) raakte ik in gesprek met een Colombiaan die bij de NAM werkt. Nooit geweten dat ze daar veel Zuid-Amerikaanse werknemers in dienst hebben. Het bleek tijdens dit feestje, dat plaats vond in het appartement van de Colombiaan. Hij wees me op drie mannen, hevig in discussie verwikkeld. ‘Uit Venezuela’, zei hij. En wijzend op een van hen: ‘Hij is Chavista’. Chavista? Aanhanger van president Hugo Chaves. En de andere twee? ‘Die zijn middenklasse, dus zijn ze anti-Chavistas’.

Dat scheidslijnen tussen maatschappelijke groeperingen soms kinderlijk eenvoudig te duiden zijn wist ik wel, maar wat me hier trof was het nadrukkelijke dus. Middenklassers, dús tegen de zittende president. Zou het zo simpel zijn? Mijn gesprekspartner knikte. Natuurlijk is het zo simpel. Chaves is populist, en die rekruteren hun achterban per definitie uit de lagere maatschappelijke echelons.

Het gesprek heeft me aan het denken gezet. Maatschappelijke predestinaties, natuurlijk bestaan ze. Maar waar ik me altijd over verbaasd heb is de vanzelfsprekendheid waarmee de klassen zich van elkaar onderscheiden in smaak, voorkeur en interesses. En nog verbazender: wat ze van hun Umwelt accepteren. Neem voetbal. Er is rond deze populaire jan-en-allemanssport al jarenlang iets grondig niet in de haak, een misstand die gerust vergeleken kan worden met de doorgedraaide zelfverrijking van bankdirecteuren. Maar terwijl dit gespuis allerwegen op hoon en verontwaardiging kan rekenen, lijkt er een stilzwijgende afspraak te bestaan dat de goden van volkssport nummer één qua honorering buiten elke normaalmenselijke categorie vallen. Het merkwaardige is nu dat het gewone volk, de massa voor wie (het kijken naar) voetbal als belangrijkste vrijetijdsbesteding geldt, zich daaraan niet lijkt te storen. Ik snap dat niet. Over eerdergenoemde bankdirecteuren is iedereen, uit vrijwel alle maatschappelijke geledingen, het eens, ofschoon de reacties veelkleurig zijn. Maar in grote lijnen is de teneur eensluidend: gespuis is het, opknopen die handel. Terwijl voetballers, die voor een lullig spelletje krankjorume bedragen krijgen, door diezelfde massa in blinde adoratie op het schild geheven worden.

Heel soms klinkt er protest. Aan mijn prikbord hangt sinds vorig jaar in het hoekje rare berichten (‘Roemeen geruild voor 2 ton vlees’, of ’25 mensen verdwenen tijdens paddestoelen plukken’) een knipsel uit de Volkskrant: ‘Bangladesh woedend om hoge ticketprijzen voor Messi’. Het artikel was dermate absurd, dat ik het al die maanden bewaard heb. Waar ging het om? Voetbalfans in het straatarme Bangladesh waren woedend dat de tickets voor de (oefen!)interland Argentinië – Nigeria, die op 6 september vorig jaar in de hoofdstad Dhaka gespeeld werd, minimaal 100 dollar moesten kosten. Nog pijnlijker was het, dat zelfs voor het bijwonen van trainingen betaald moest worden: tien dollar. ‘Ik heb geld gespaard’, mopperde de aangeslagen voetballiefhebber Ahmed. ‘Ik wil Messi zien, en een kaartje voor de interland kan ik niet betalen. Daarom heb ik een kaartje gekocht voor de training. Maar belachelijk is het wel dat mensen in dit land een slaatje willen slaan uit de komst van een superster.’

Wat verdienen topvoetballers? Zomaar een greep, te beginnen bij onze vriend Lionel Messi. Die toucheert per jaar ruim 33 miljoen dollar aan salaris en bonussen. David Beckham, toch al jaren op zijn retour, 31 miljoen, op de voet gevolgd door Cristiano Ronaldo met 30 miljoen. De Zweed Zlatan Ibrahimovic, eertijds enfant terrible van Ajax, is na de nodige omzwervingen bij Paris Saint Germain terechtgekomen waar hij een jaarsalaris toucheert van 14 miljoen euro. En dan onlangs het nieuws dat Gregory van der Wiel, een 24-jarige snotneus van Ajax, naar datzelfde PSG gaat. Hij heeft een contract getekend voor vier jaar en gaat er 300.000 euro per maand verdienen. Vergeleken met de echt grote jongens als Messi en Ibrahimovic natuurlijk kattenpis, maar zeg het eens hardop? Driehonderdduizend. Per maand. Dat is tienduizend per dag. Komt die oude woordgrap weer naar boven: ze krijgen zoveel per maand, maar verdienen ze het ook?

Wat mij verbaast is de vanzelfsprekendheid waarmee de stille revolutie in het voetbal zich heeft voltrokken. Ik herinner me de reacties toen jonge sterspelers van Ajax eind jaren zestig in hun sportwagens voorreden bij het stadion in De Meer. Over het paard getilde blitskikkers waren het. Geen wonder dat het publiek zo reageerde, ze wisten niet beter dan dat voetballers na hun voetbalcarrière een sigarenzaak begonnen, denk aan Bennie Muller en Gert Bals. Maar het bleef niet bij sportwagens. Groot was de verontwaardiging toen Cruijff in 1973 naar Barcelona ging. Verdiende hij bij Ajax jaarlijks 95.000 gulden, de transfer naar Barcelona leverde hem enkele miljoenen op en heel het land sprak er schande van. Nu vindt iedereen het de normaalste zaak van de wereld als een topvoetballer zich aan de hoogste bieder verkoopt, en het maakt geen zier uit of het Bahrein is of Tsjetsjenië. Als het maar schuift. Erst kommt das Fressen, dann die Moral schreef Brecht. Maar voetballers hebben een onbedaarlijke vreetlust, dus van moraal is geen sprake. Dat is niet eens zo verbazend. Waar ik écht van sta te kijken is dat ‘de gewone man’ er geen woord aan vuil maakt, terwijl ze, als het over onze hardwerkende parlementariërs gaat, de mond vol hebben van ‘zakkenvullers’.

Wat te doen? Er is maar een keuze: distantiëren, of encanailleren. Als iets je tegenstaat, wil je er geen deel van uitmaken. Niet dat je er iets aan kunt veranderen, maar je kunt wel stelling nemen. Je eet geen kippenvlees omdat je tegen de misstanden in de bio-industrie bent. Als republikein ga je op Prinsjesdag niet naar de Gouden Koets staan zwaaien. En als je tegen die bespottelijke salariëring in de voetballerij bent, kijk je geen voetbal meer. Ik weet, de wereld zal er niet door veranderen. Maar je moet toch wat.

124. Rilke in Frankrijk

Frankrijk in de herfst. In een dorpje wijst een digitale thermometer op de gevel van een apotheek 31 graden aan. De maïs ritselt droog op de akkers en de zonnebloemen laten definitief hun kopjes hangen. Het belooft een hete herfst te worden. Rare uitdrukking. Waar komt die vandaan? Google biedt uitkomst. Het lijkt allemaal te zijn begonnen met het Engelse long hot summer. In de extreem hete zomer van 1967 braken in enkele zwarte getto’s in de Verenigde Staten ernstige rellen uit, die 38 mensen het leven kostten. Sommige hadden een politieke achtergrond, waardoor long hot summer (in 1958 al gebruikt als titel van een film naar een verhaal van William Faulkner) een overdrachtelijke betekenis kreeg, namelijk ‘periode van sociale rellen en politiek oproer; uitbarsting van geweld’. Maar daarmee heb je nog geen hete herfst. Duitsers spreken trouwens van een heisser Herbst, de Fransen van automne chaude en zelfs de Russen hebben last van een zjarkaja ossen. Het zou nog met stakingen in Italië te maken hebben, maar ik vond het wel mooi zo en heb de zoektocht opgegeven.

En ach, hoeveel kilometers nog reed ik sinds mijn vorige bericht uit Nantes. Westwaarts langs de Loire naar de Atlantische Oceaan. Soms leek het Friesland, met stille wegen tot de einder, langs een gekanaliseerde zijarm van de Loire. Populieren ruisen in de wind, tussen het riet eenzame vissers die loom in groet de hand heffen. Zie ze zitten, met hengels en leefnetten, in de berm hun gebutste Renault 4. Doodstil zitten ze op hun klapstoel en houden vijf, zes hengels in de gaten die lang en spits ver over het water wijzen. Hoeveel poëzie hebben zij inmiddels in hun hoofd geschreven, hoeveel toneelstukken? Hebben ze met al dat dobberturen de innerlijke leegte bereikt? Nirvana, Goddelijke Eenheid, Innerlijke Vrede? Welnee, gewone kerels zijn het, ruwe bonken met ongeschoren knoestkoppen die aan bier denken, en aan de kont van de buurvrouw.

Zelf heb ik wel een verrijkende ervaring als ik iets buiten Couëron onverwacht oog in oog kom te staan met een verrassend kunstwerk van Jean-Luc Courcoult. Ik noem naam en plaats, mocht iemand ooit derwaarts reizen, zorg dat je het ziet. La Maison dans la Loire heet het. Heel toepasselijk, en geen woord teveel. Eerst denk je aan een ongeluk, de rivier is buiten haar oevers getreden, ach wat vreselijk voor de bewoners, kijk nou toch, even nog en het huis verdwijnt in de golven. Dan ontdek je een informatiebord. Het blijkt een kunstwerk, en de bedoeling was exact dát teweeg te brengen wat mij overkwam. “Imaginary realism”, noemt Courcoult het. ‘Realism’ because we are dealing with concrete, tangible, palpable, and absolute reality. And ‘imaginary’ because the goal is to introduce a little dreaming into people’s lives. Mooi, ja.

Zuidwaarts langs de Atlantische kust, waar de wind me de ene dag bijna uit het zadel beukt en daags erna is er niets dan zoemende hitte. De weg dwaalt langs dorpjes en landerijen en zet je soms voor wonderbaarlijke raadsels. Zoals: wat doen deze slakken hier, in de verkeerspaal? Vijf, zes opeenvolgende palen bedekt met slakjes. En levend hoor. Als je ze voorzichtig probeert los te wrikken voel je weerstand, ondanks de verzengende hitte zit er leven in. Maar wat doen ze hier? Komen ze ooit nog omlaag? En zo neen, hoe vinden ze dan voedsel, hier, tegen die gladde paal?

In weilanden ligt het witte vee geduldig te herkauwen, in gelukzalige onwetendheid van wat morgen hen brengen zal. Die hebben het verder geschopt qua innerlijke vrede dan die vissers, of mijzelf. Want soms is fietsen geen plezier. Dan is het een gevecht, niet alleen met jezelf en de woede in je kop en protesterende beenspieren, maar ook een gevecht met de afstanden en de vervloeking als er na een bocht weer een stevige klim blijkt te liggen, of onbehouwen automobilisten die je inhalen en door een inderhaast opengedraaid raampje verwensingen toeschreeuwen. Dan is er geen ruimte voor poëzie of gelukkige gedachten, maar wordt er in dat vermoeide hoofd een robbertje gevochten. De proleterige chauffeur die je uitschold wordt alsnog achter zijn stuur vandaan geplukt en krijgt een pak ransel, en ook de cafévrouw die je drie dagen eerder met veel misbaar de deur wees toen je vroeg of je de bidon met water mocht vullen krijgt haar trekken thuis. Het hoofd is een rare plek, dat woelt en rommelt en vaak is de rust ver te zoeken.

Maar evenzo vaak is het er wél, die stilte. Dan valt alles op z’n plaats. Klinkt als een cliché, maar zo is het precies. Je komt ergens en er maakt zich een diepe tevredenheid van je meester. Of dat hetzelfde is als innerlijke vrede weet ik niet, maar mij gebeurde het op veel plaatsen die ik aandeed en waar ik in de meeste gevallen puur toevallig belandde. Zoals hier, in de Baai van Bourgneuf, bij Les Mouters-en-Retz. Sinds mensenheugenis wordt hier gevist vanaf houten steigers die diep de zee ingaan. Bij hoog water worden de netten, niet meer dan een paar vierkante meter groot, in het water gelaten en bij naderende eb trekt men ze weer omhoog. En dan maar zien wat er in zit. Het leek mij een onrendabele en omslachtige manier van vissen, maar het moet wel iets opleveren anders zou de methode allang zijn opgedoekt. Een dorpeling noemde de vissoorten op die zo gevangen worden, aftellend op zijn vingers. Aan één hand had hij genoeg. Mul, paling, baars en iets waar ik nog nooit van gehoord had: athérines. Moest ik opzoeken. Kornaarvis. Wist ik nog niets.

Iets zuidelijker, bij Beauvoir-sur-Mer, zag ik de Passage du Goi. Een stukje weg van 4,5 kilometer van het vasteland naar het eiland Noirmoutier dat bij hoog tij onder water komt te staan. In zowel 1999 als 2005 was het traject onderdeel van de Tour de France. Het wegdek was glibberig, meer dan de helft van het peloton smakte op de keien of eindigde ruggelings in het slik. Gedoodverfde winnaars liepen forse achterstanden op die niet meer konden worden goedgemaakt. Ik wilde die weg ook wel een zien, maar kwam bij hoog water. Wat in eerste instantie een teleurstelling leek, was een moment van triomf. Weer een kunstwerk, en wat voor een! Tevreden zat ik op de oever van basalt en keek naar het stukje weg dat als een reusachtige wig in zee verdween. Dat had zelfs Jean-Luc Courcoult niet kunnen bedenken. Had hij het wél bedacht, zou het La Voie de la Mer geheten hebben. Wat anders?


Nog verder langs de kust en bij Les Sables-d’Olonne het binnenland in door oud moerasgebied, langs voormalige zoutpannen en dorpjes die allemaal beginnen of eindigen met Marais. Naar Niort en door naar Poitiers, waar tijdens de Honderdjarige Oorlog de Fransen op 19 september 1356 een gevoelige nederlaag leden tegen de Engelsen en ik 656 jaar later, op 5 september 2012, voor de laatste keer deze reis oesters eet.

Frankrijk in de herfst. In een dorpje wijst een digitale thermometer op de gevel van een apotheek 31 graden aan. De maïs ritselt droog op de akkers en de zonnebloemen laten definitief hun kopjes hangen. Het belooft een hete herfst te worden. Ik denk aan de beginregels van Herbsttag, het immer prachtige gedicht van de grote lyrische dichter Rilke:

Herr: es ist Zeit. Der Sommer war sehr groß.
Leg deinen Schatten auf die Sonnenuhren,
und auf den Fluren laß die Winde los.

Ik weet het, ik weet. De zomer was dit jaar niet zo geweldig, hij hoeft niet bezongen, ofschoon deze eerste septemberweek erg haar best heeft gedaan. Ik rij door het Franse land, de druiven zijn nog niet geoogst, zwaar en donkerblauw hangen de trossen. Rilke dringt aan op nog een paar mooie zuidelijke dagen, opdat het fruit vol zal zijn en de wijn zwaar en zoet, alsof hij ons troost wil zeggen. Straks, als de wijn gedronken wordt, zullen we ons een zomer herinneren die wel degelijk groot was. Zijn woorden zijn balsem voor de ziel. Maar dan, als een zweepslag, de eenzaamste strofe denkbaar, temeer daar het zo verblindend mooi is geschreven:

Wer jetzt kein Haus hat, baut sich keines mehr.
Wer jetzt allein ist, wird es lange bleiben,
wird wachen, lesen, lange Briefe schreiben
und wird in den Alleen hin und her
unruhig wandern, wenn die Blätter treiben.

Gelukkig hoef ik niet meer te bouwen, en evenmin ben ik alleen. Mij wachten huis en vrouw. Wat meer nog kan ik wensen?

En nu is het mooi geweest, dat fietsen. Begin een beetje moe te worden. Ik ga maar eens op huis aan.