109. De Stationschef van Botiz

Klik op de foto’s voor grote weergave.

Op weg van Krakau naar de grens met Oekraïne werden we gewaarschuwd door iemand die de route kende. “Your worst nightmare,” noemde ze het, “wij hebben 7 uur gewacht, en dat was al ingekort omdat ik zei dat we een ziek kind in de auto hadden, anders was het 10 uur geweest…” Oei, dat was schrikken. Beelden van de vroegere DDR doemden op. Net nog gememoreerd hoe intimiderend de grensovergang Helmstedt-Marienborn was en de zaak weggezet als “aandoenlijk lullige portiershokjes met bladderende verf en roestende radiatoren”, en hup, daar gaan we weer. Hoeveel grensovergangen naar Oekraïne zijn er eigenlijk? Volgens een inderhaast gekochte reisgids slechts twee, maar dat lijkt me sterk. Bijna zeshonderd kilometer Pools-Oekraïense grens, en dan niet meer dan twee overgangen? Een Poolse wegenkaart biedt duidelijkheid, we tellen een hele trits van die kleine cirkeltjes-met-een-streepje-erin waarmee een grensovergang wordt aangeduid, maar waarom is de ene zwart en de andere rood? Er zit maar één ding op. Rijden en zien hoe het afloopt.

De smalle tweebaansweg vreet zich door het Poolse achterland. Tarnów, Ropczyce, Swilcza, Jaroslaw, de ene naam nog mooier dan de andere. Bij Rzeszów zien we de beroemde M van de hamburgergigant tussen naargeestig grauwe Sovjetblokken opdoemen en stoppen voor een coffee-to-go. Alsof we een feesttent binnenkomen. Overal het aanstekelijke gesnater van schooljeugd, lange rijen voor de counter, uitgelaten vrolijkheid rond tafels. Hier en daar een ouder iemand, met koffie achter een laptop. Een leraar die toezicht houdt? McDonald’s als sociale ontmoetingsplek in de schoolpauze, wie had dat gedacht.

En dan, de grens. En paar kilometer voor het zover is zien we de eerste vrachtwagens. Ze staan stil, mannen scharrelen bij de laadklep. Ze vormen de achterhoede van een lange rij, vrachtwagens en personenauto’s. Hier en daar wordt gekookt op draagbare gasbranders. Mannen scharen zich rond rokende brokken vlees en pullen bier. Hier wordt gewacht. Hoelang? De rij lijkt eindeloos. We passeren tien, vijftig, driehonderd vrachtwagens. Om moedeloos van te worden, die arme drommels staan hier overmorgen nog. Wij niet, wij worden doorgewenkt. Temidden van Poolse, Oekraïense en Russische nummerborden valt het Nederlandse geelzwart op. Een vrouw in uniform komt uit haar hokje en gebaart, kom hier. Blond haar piekt vrolijk vanonder een enorme pet met strenge klep. Niets aan te geven? Kom maar. Er wordt wat gehannest met formulieren, autopapieren worden gecontroleerd, opgetrokken wenkbrauwen als ze een visum voor Vietnam in onze paspoorten ziet. Nee, niks aan de hand, ze bladert door. Een man achter mij begint een praatje in gebroken Duits. De blonde dame loopt naar de auto, controleert vluchtig de achterbak, dan terug naar haar hok. Het doffe klappen van de stempel, een vriendelijke zwaai en klaar. Niks zeven uur. Vierendertig minuten uit en thuis. Welkom in Oekraïne.

Gaten in het wegdek, ontbrekende zijstrepen, om de paar honderd meter kleine geïmproviseerde kraampjes langs de weg, oude mannen die paddestoelen verkopen. Links en rechts donkere naaldbossen met af en toe het wit opflitsen van berkenstammen. De natuur bevestigt het: dit is Oost-Europa.
‘Wat had die man bij het douanehokje te vertellen,’ vraagt Mirjam. ‘Dat we moeten oppassen voor de straten van L’viv. Hij zei dat hij zijn auto daar aan gort heeft gereden.’ We begrijpen wat hij bedoelde als we tegen het vallen van de avond de oude stad binnenrijden. Het wegdek is zo verzakt dat de tramrails op veel plaatsen handbreed boven de bestrating uitsteekt, we horen de bodem van onze auto over het metaal knarsen. Op kruispunten zien we andere automobilisten voorzichtig manoeuvreren, het gaat stapvoets, omzichtig tasten de wielen het parcours af. Een enkele ongeduldige vlegel knalt er schurend overheen.

En nu wreekt zich ons strakke schema. We moeten morgenavond in Roemenië zijn, er wordt op ons gerekend. Geen tijd om de stad te zien die door de geschiedenis zoveel namen kreeg als het bezetters had gekend: L’viv, Lemberg, Lemberik. Geboortestad van de journalist Milo Anstadt. Als kind kwam hij met zijn ouders naar Nederland. Ooit was hij in Lwów terugeweest. Nee, niet uit L’viv, en zéker niet uit Lemberg, maar uit het Poolse Lwów. “Zelfs ons huis was er nog. De hele stad. Maar wij waren allemaal verdwenen.”

We hebben geen tijd om op zoek te gaan naar de voetsporen van Anstadt. We moeten dóór, nog bijna vierhonderd kilometer te gaan en dat duurt minstens een hele dag op deze wegen, of langer als je pech hebt. En dat terwijl het zo fraai is, die route, omzoomd door herfstkleuren, het is alsof we door een eindeloze allee van louter tamme kastanjes rijden. Maar schoonheid is slechts een deel van de wrede waarheid, we zien ongelukken, veel. Sommige van langer geleden, het wrak besmeurd en vergeten in de berm. Soms kersvers, met zwaaiende mensen en een inderhaast geïmproviseerde wegafzetting. Een vrachtwagen ligt als een afgeschoten olifant op zijn kant. Pal daarachter twee personenauto’s, gemangeld en verwrongen. Een ambulance komt ons gillend tegemoet. Moeten we uitstappen? Kijken of we kunnen helpen? Haastige automobilisten wringen zich tussen ons en de afzetting door, bijna opnieuw een ongeluk. Als je hier uitstapt heb je kans dat ze je morsdood rijden.
De regen parelt op onze voorruit. Soms breekt de zon even door, dan lichten de kastanjebomen op alsof ze in vlam staan.

Wil je weten hoe omkoperij er uit ziet? Ga naar de grens tussen Oekraïne en Roemenië. Weer een lange rij, een dame in streng uniform wenkt links en rechts zoals vroeger de politieagent bij ons op het kruispunt en dirigeert auto’s naar de controlepost. Eerst jij, dan jij. En nee, jij blijft stilstaan, gebaart ze heftig naar een al te opdringerige auto met Bulgaars nummerbord. De chauffeur stapt uit en beent met grote stappen op haar af. Gespannen kijken we naar wat gaat gebeuren. Een klap voor haar kop? Maar wat we zien is een handig vingerspel. Op het moment dat hij bij haar is houdt zij haar hand zijdelings in zijn richting. Even raken hun handen elkaar, en terwijl hij zich omdraait en naar zijn auto terugloopt frommelt zij iets in haar zak. Dan wenkt ze hem en met een flinke dot gas spurt hij naar voorkant van de rij. Zo werkt dat dus. Voor ons maakt het niet veel uit. Niets aan te geven? Een vluchtige inspectie, een brede armzwaai, gaat u maar. Geen stempel? Ach nee, Roemenië is lid van de Europese Unie.

In Gura Humorului, waar het 31e Foto- en Filmfestival gehouden zal worden, zijn ze een tikje in mineur. Dagenlang zijn ze met workshops in de weer geweest, maar nu het hoogtepunt nadert, de opening van de foto-expositie, dreigt het te regenen. Wat het probleem is? De expositie is in de buitenlucht. Oei. De feestelijke ontvangst lijdt er niet onder, integendeel, we worden gefêteerd, de burgemeester houdt een welkomstspeech, er wordt uitgebreid gegeten en gedronken en we leren dat proost in het Roemeens noroc is. Maar de volgende dag, de dag van de opening, trekt de hemel dicht en barst het los. De expositie wordt afgelast. Een deel van het werk hangt in het museum, we krijgen er ook een rondleiding, maar op de een of andere manier maakt het niet uit dat het in het water valt. De reis zelf is een avontuur, we ontmoeten zoveel nieuwe mensen, zien prachtige landschappen, nee, ons zal het niet deren. Na twee dagen nemen we afscheid, beloven terug te komen, en wie weet gebeurt dat ook, zo mooi is het hier, in dit land van het langzame leven waar je in de dorpen de merkwaardigste transportmiddelen ziet, paard en wagen, een zelfgemaakt trekkarretje, een hand wordt opgestoken in groet naar de buurman.

Vlak voordat we de grens naar Hongarije overgaan komen we door Botiz, het laatste dorp in Roemenië. Vreemd, eigenlijk. Wij gaan verder, achter de grens strekt zich een voor ons eindeloze wereld uit, we kunnen komen en gaan wanneer we willen, maar voor anderen stopt het hier, in Botiz. Wat voor de een klein en onbetekenend is, is voor een ander de rand tot waar ze kunnen gaan. Hoe ervaart de stationschef de wereld? Zo te zien is zijn grootste zorg dat hij op de komende winter is voorbereid. Hij heeft het stationsgebouwtje uitgeruimd, de radiator krijgt een schoonmaakbeurt. Afsoppen, misschien een lik verf. En laat dan de winter maar komen, hier in Noord-Roemenië, aan de rand van de wereld.

About these ads

5 thoughts on “109. De Stationschef van Botiz

  1. Dat geeft hoop voor de toekomst, Hans! Ze hebben blijkbaar wat geleerd sinds 2006. Op de heenweg waren wij er ook sneller door, maar die terugweg naar Polen was zó erg dat we zelfs na een paar uur stilstaan overwogen om naar een andere grenspost te rijden – met het risico van ook daar een rij. Apathisch, lethargisch, bevangen door de hitte, ons overgevend aan het tempo van daar, bleven we toch maar staan, want haast hadden we niet. Na de ‘zieke’ actie schoven we een stuk op, en kwamen erachter waarom het zo lang duurde. Twee jonge meiden, want ja, die hebben nog scherpe heldere oplettende ogen blijkbaar, moesten al die auto’s minutieus doorzoeken. En waarnaar zochten zij? Drank en sigaretten. Twee personen, Hans, voor al die wachtenden, I’m not joking! Arme vrachtwagenchauffeurs. Onze voorraden Krimchampagne en wijn zaten zó diep in het busje verborgen dat ze veilig bleken voor hun scherpe ogen, die blijkbaar ook vermoeid raakten tegen 21 uur ‘s avonds – en bij zonsondergang reden we via de buitengrens Europa weer in.

  2. Kan het ermee te maken hebben gehad dat jullie een Oezbeeks nummerbord hadden? Tenminste, ik neem aan dat dat zo was?

    Al wat wij in die eindeloze rij zagen waren Poolse, Oekraïense, Bulgaarse, Servische en, denk ik, Belarussische (?) nummerborden. Eén enkel Duits nummerbord zagen we, dat was de man die ons aansprak over het slechte wegdek in L’viv. Van oorsprong uit de Oekraïne, maar nu getrouwd met een Poolse en sinds enkele jaren werkzaam in Duitsland. Hij mocht er ook snel door.

  3. Nee joh, geen Uzbeeks nummerbord, het was in 2006, 1 jaar na Victor’s dood. Dit was het busje van Jan, omgebouwd tot camper, Nederlands kenteken. Volgens mij waren we de enige buitenlanders in de rij. Op de Krim zelf zijn we ook maar één buitenlandse auto tegengekomen, die van een Belg, getrouwd met een Ukraïnse, en hun kindje. Zij vertelden veel last te hebben gehad van de verkeerspolitie, ook omdat zijn vrouw ze vloeiend van repliek kon dienen. Ze zeiden ook dat je flink genaaid kan worden als je geen woord Russisch/Ukraïns spreekt. Volgens mij was het een ‘voordeel’ dat ik ze in krom steenkolenrussisch te woord stond, die absurde asymmetrische conversatie zal ik je nog wel eens vertellen. Ik kijk uit naar je volgende verhaal! Nu door naar het vervolg van het Leids filmfestival, waar ik al wat juweeltjes heb gezien.

  4. Hans,
    Mooi stuk. Ik MOET ook echt eens naar Ukraine – maar dan met het vliegtuig – Ik wil naar Elena’s geboortestad Kiev, de Lavra bezoeken. Om vervolgens met de auto van Kiev langs de Dnjepr naar Odessa te rijden. Maar eerst even sparen nu.. En met het EK op komst in 2012 weet ik niet of het nog wel zo leuk is om daarheen te gaan. Want daar wil ik niet bij horen.
    Hoe zijn de wijntjes? Binnenkort maar weer eens een glas drinken?
    Groet Tjerk
    PS: weet je waarom Wit Rusland (belarus) eigenlijk WIT Rusland heet…..?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s